Samenvatting Basisboek Systeemgericht werken
Inleiding
Welke definitie van ‘systeem’ is bruikbaar voor de social worker? Met welke typen systemen krijgt hij
te maken?
In veel literatuur wordt systeemgericht werken vaak direct verbonden met gezinsgericht
werken (gezinsbehandeling). Dit wil echter niet zeggen dat systeemgericht werken altijd
betekent dat je met het hele gezin werkt. Op zich zegt systeemgericht werken niets over de
doelgroep. Het beoogt meer een visie te zijn van waaruit naar een cliënt gekeken wordt.
Bij een systeem gaat het om geordende delen, die elkaar beïnvloeden in meer of mindere mate van
complexiteit. Essentiële toevoeging is dat het systeem gericht is op het bereiken van een bepaald
doel of doelen. Per systeem zullen de doelen in meer of mindere mate expliciet omschreven zijn.
Afhankelijk van het subject waar het systeem betrekking op heeft, wordt er een definitie
geformuleerd.
Binnen de systeemleer worden er niveaus van complexiteit onderkend. Boulding (1950) onderscheidt
negen verschillende soorten systemen. Hierbij hebben de systemen op een hoger niveau de
eigenschappen van de systemen op lagere niveaus in zich, plus 1 of meer extra eigenschappen.
Van laag naar hoog:
1. Statisch systeem: bijv. een landkaart, opgebouwd uit papier en inkt
2. Eenvoudig dynamisch systeem: bijv. een klok, radertjes en wijzers die bewegen
3. Regelsysteem: bijv. een thermostaat om de temperatuur te regelen
4. Zelfhandhavend systeem: bijv. een cel; de celwand houdt de elementen van de cel bij elkaar.
Er zijn interne processen in de cel
5. Systeem getypeerd als plant: cellen van verschillende aard met velerlei functies
6. Systeem getypeerd als dier: als het voorgaande, maar met ruimtelijke beweging
7. Systeem getypeerd als mens: als het voorgaande, maar met intelligentie
8. Sociaal systeem: bijv. een bedrijf, een school of een samenleving
9. Transcendentaal systeem: het alles overstijgende systeem. Alle systemen die elders geen
plek hebben gekregen
Voor ons zijn de niveaus 7 en 8 (de mens, respectievelijk de sociale systemen) van belang.
Voor de social worker is de definitie (van systeem) die Weijenberg hanteert redelijk dekkend:
Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen, het gaat niet alleen om
de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de betrekkingen tussen dit alles.
Een gemis in deze definitie is de doelgerichtheid, die essentieel is voor het systeembegrip in de
sociale wetenschappen.
In dit boek hanteren wij een definitie die is afgeleid van Weijenberg:
Het begrip systeem wijst op een eenheid, opgebouwd uit deelverhoudingen; het gaat niet alleen om
de delen op zich, ook niet om het geheel, maar om de doelgerichte betrekkingen tussen dit alles.
In de volgende paragrafen komen de verschillende systemen aan bod waarin de social worker zijn
werkgebied heeft.
, - Het individuele systeem
De mens, met zijn innerlijke subsystemen, is voortdurend in interactie met zichzelf. Het zichzelf
bestaat uit alle boodschappen die het lichaam en de psyche over en weer naar elkaar uitzenden en
de invloed die ze op elkaar uitoefenen.
Er is sprake van een innerlijke boodschappen – een input, throughput en output – binnen de
eenheid van de mens.
Binnen de Algemene Systeemtheorie worden alle levende wezens, dus ook mensen, gezien als open
systemen. Daarmee wordt bedoeld dat deze systemen in open verbinding staan met hun omgeving.
Open systemen zijn in continue interactie met hun omgeving.
Door het proces (input – throughput – output) krijgt het systeem voortdurend ‘feedback’.
Deze feedback wordt gebruikt om het systeem te veranderen, te verbeteren of te
stabiliseren.
Neuman wijst op de wederkerigheid in relatie. De omgeving kan het individuele systeem
beïnvloeden, maar het individuele systeem beïnvloedt ook de omgeving.
Interacties zijn circulair van aard.
De benadering van de mens als systeem, die in open verbinding staat met de omgeving en een
voortdurende uitwisseling van materie, energie en informatie onderhoudt, wordt door Von
Bertalanffy (1968) benoemd als ‘wholeness’. Hiermee wordt een benadering van ‘het totaal’ of de
totale mens bedoeld.
Tegenover open systemen staan de gesloten systemen. Bij gesloten systemen is er geen uitwisseling
met de omgeving. Strikt genomen bestaan er geen gesloten systemen, en is het een relatieve
aanduiding van de mate van interactie tussen het systeem en de omgeving. Open systemen hebben
intensieve interactie, gesloten een beperkte interactie met hun omgeving.
De mate van interactie kan veranderen.
- Entropie: open systemen kunnen bijvoorbeeld steeds meer gesloten raken wanneer de
uitwisseling met de omgeving afneemt.
De mate van beschikbare energie is bepalend voor het welbevinden of de gezondheid van het
individuele systeem. Het concept gezondheid wordt ingevuld vanuit de systeemtheorie. Ziekte en
gezondheid worden geplaatst op een continuüm van de systeemtheoretische begrippen negentropie
en entropie.
Bij negentropie is er energie beschikbaar, waardoor het systeem zich beweegt in de richting van
(toenemende) gezondheid. Er is sprake van een uitwisseling met de omgeving, die leidt tot
voortdurende veranderingsprocessen en een steeds complexer georganiseerd systeem.
Bij entropie is meer energie nodig, dan beschikbaar is en beweegt het systeem zich in de richting van
een (afnemende) gezondheid of ziekte.
Zelfstabilisatie: het mechanisme waarbij een mens zich aanpast aan zijn omgeving of aanpassingen
in zijn omgeving bewerkstelligt.
VB: extra kleding of temperatuur veranderen)
Zelforganisatie: het is ook mogelijk dat een systeem zichzelf niet aanpast, maar zich structureel
wijzigt.
VB: de Inuït: hun lichaam is aangepast om de voortdurende kou te kunnen trotseren. Zij
kunnen bijv. met hun blote handen rondlopen ijskoude temperaturen.
, - De subsystemen
Dyadisch subsysteem: het kleinste sociale subsysteem bestaande uit 2 personen.
Om tot een bepaald subsysteem te behoren moet je deelnemen aan de communicatie en interacties.
De subsystemen binnen een gezin worden enerzijds generationeel bepaald: het subsysteem
grootouders, subsysteem ouders, subsysteem kinderen.
Anderzijds hebben subsystemen een (gezins)functie. Afhankelijk van de rol, de taken en de te vervull
functie kunnen binnen een gezin enkele subsystemen onderscheiden worden:
- Het partner-subsysteem vervult de functie intimiteit en seksualiteit
- Het opvoeder-subsysteem vervult de functie van opvoeden
- Het kind-subsysteem vervult de functie van ‘geven’
- Het suprafamiliare systeem
Met het systeem ‘familie’ worden de bloedverwanten tot in de derde lijn bedoeld. De familie als
systeem kan opgebouwd zijn uit verschillende gezinssystemen en individuele systemen. Het gaat
binnen de familie als systeem niet om de verschillende gezinssystemen en individuen, maar om de
doelgerichte betrekkingen tussen de elementen.
- De omgeving als systeem
‘Alle interne en externe factoren of invloeden, die het gezinssysteem omgeven. De relatie tussen het
gezinssysteem en de omgeving is wederkerig. Het gezinssysteem kan de omgeving beïnvloeden en
omgekeerd kan de omgeving het gezinssysteem beïnvloeden. De uitwisseling tussen het
gezinssysteem en de omgeving in de vorm van input, output en feedback is dan ook circulair van aard.
Vanuit de structurele systeembenadering wordt veel aandacht besteed aan de natuurlijke omgeving
van het gezin. Hoe woont men? In wat voor huis? Wat voor buurt? Hoe is men geïntegreerd? Welke
banden zijn er met vrienden, kennissen, collega’s van het werk, instanties? Deze informatie geeft een
beeld over steunbronnen of stressfactoren voor het gezin.
- Het systeempentagram
Het individuele systeem, het subsysteem, het gezinssysteem, het suprafamiliare systeem en de
omgeving als systeem zijn de vijf systemen waar de systeemgericht social worker mee te maken
heeft. Aan al deze verschillende systemen moet hij aandacht besteden. Er is geen hiërarchisch
onderscheid. De een is niet belangrijker dan de ander.
Natuurlijk blijft de cliënt centraal staan, maar voor een efficiënte hulpverlening, een goede analyse
en een juist empowerment zal er aandacht moeten zijn voor en geïntervenieerd moeten kunnen
worden in alle systemen.
(Cliënt, ouders/opvoeders, gezin, suprafamiliaar, omgeving)
De plek van de social worker binnen de systemen
Het systemisch werken van de social worker kan zich op alle vijf de pentagrampunten richten. Er is
geen circulaire en/of hiërarchische volgorde aan gekoppeld. De social worker zal en hoeft niet altijd
eerst met de individuele cliënt te werken. Vaak is het juist zinvol om met het hele gezin te starten.