Wat is normaal?
1. Statistical deviance (statistische afwijking): gedrag dat veel meer of veel minder voorkomt
dan bij leeftijdsgenoten (bijv. extreem veel angst of juist opvallend weinig emotionele
reacties)
2. Sociocultural norms: normen en verwachtingen binnen een cultuur, gezin of gemeenschap.
Gedrag dat buiten de culturele context valt, kan als problematisch worden gezien.
3. Mental health perspectives: gericht op welzijn en functioneren. Een kind dat slecht
functioneert op school, thuis of in sociale relaties en een lage kwaliteit van leven ervaart, kan
worden gezien als psychisch ongezond.
Adaptie en maladaptie
Kinderen kunnen op verschillende manieren reageren op ontwikkelingsuitdagingen
Slechte aanpassing: blijvende problemen op meerdere domeinen
Voldoende aanpassing: functioneren is acceptabel, maar er zijn kwetsbaarheden
Optimale aanpassing: goed functioneren en benutten van sterke kanten, zelfs onder
moeilijke omstandigheden
Definities
Psychopathologie: verwijst naar intense, frequente/aanhoudende disfunctionele patronen
van emoties, cognitie, en gedrag.
Ontwikkelingspsychopathologie: benadrukt dat deze patronen zich ontwikkelen in de
context van normale ontwikkeling, en dat ze leiden tot actuele of potentiële beperkingen in
functioneren.
Prevalentie en incidentie
Prevalentie: het aandeel kinderen dat op een bepaald moment een stoornis heeft
Incidentie: het aantal nieuwe gevallen binnen een bepaalde periode
Onderzoek toont aan dat ongeveer 13% van kinderen van 8-15 jaar voldoet aan criteria voor een
psychische stoornis. Deze percentages zijn vergelijkbaar in veel landen wereldwijd.
Hulpverlening en toegankelijkheid
Minder dan de helft van alle kinderen met psychische problemen krijgt de juiste hulp
Beperkte beschikbaarheid van zorg (lange wachtlijsten, weinig specialisten)
Financiële barrières (geen of onvoldoende verzekering)
Psychologische barrières (ontkenning, stigma, onwetendheid)
Globalization of Children's mental health benadrukt dat kinderen in verschillende landen vaak
vergelijkbare problemen hebben, maar dat hulpbronnen ongelijk verdeeld zijn.
Stigma of mental illness zorgt ervoor dat gezinnen minder snel hulp zoeken en dat kinderen vaak
buitengesloten of verkeerd begrepen worden.
,Tabellen hoofdstuk 1
Infancy Toddler Preschool School Adolescence Adulthood
Main -Hechting Begeleidde Zelfregulatie Competenti Identiteit Emancipatie
issue zelfregulatie e
Additio Opwindingsreg Toegenome Zelfredzaam Persoonlijke Autonomie Een levensloop
nal ulatie, n heid met effectiviteit, met starten,
issues ontwikkelen autonomie, ondersteuni zelfintegrati verbondenh financiële
van toegenome ng, e, eid, verantwoordelij
wederkerigheid, n zelfmanage competentie competentie kheid, sociale
emotieregulatie bewustzijn ment, met met competentie
van anderen uitbreiding leeftijdsgeno leeftijdsgeno van
en zelf, sociale ten, ten, volwassenen,
bewustzijn wereld, competentie coördinatie werk + opleiding
gedragsnor internaliserin op school werk, school + persoonlijk
men, g van regels en sociaal leven
bewustzijn en waarden leven coördineren
eigen
emoties
Chapter summary (boek):
Ontwikkelingspsychopathologie verwijst naar intense frequente en/of aanhoudende
maladaptieve patronen van emotie, cognitie en gedrag, beschouwd binnen de context van
een typische ontwikkeling en resulterend in de huidige en potentiële beperkingen van baby's,
kinderen en adolescenten.
Prevalentie verwijst naar alle huidige gevallen van een reeks stoornissen, terwijl incidentie
verwijst naar nieuwe gevallen in een bepaalde periode. Hoewel specifieke
onderzoeksresultaten variëren, suggereren veel schattingen dat een aanzienlijk aantal
kinderen en adolescenten kampt met stoornissen die gepaard gaan met ernstige
beperkingen
Er zijn momenteel een aantal kritieke problemen binnen de ontwikkelingspsychopathologie.
Zo hebben te weinig kinderen die geestelijke gezondheidszorg nodig hebben, toegang tot die
zorg. Een ander belangrijk probleem is de voortdurende uitgading om de stigmatisering van
individuen en gezinnen die met psychopathologie te maken hebben, te overwinnen.
Begrippenlijst hoofdstuk 1
Statistical deviance: ontwikkeling in gedrag, emoties of cognitie die anders is dan verwacht
op bepaalde leeftijd
Sociocultural norms: overtuigingen en verwachtingen van een groep over welk
gedrag/emoties/cognities (on)acceptabel zijn
Mental health perspectives: theoretische en klinische benaderingen die nadruk leggen op
welzijn, functioneren en de afwezigheid van invaliderende symptomen
Psychopathology: intense, frequente/aanhoudende disfunctionerende patronen van
emoties/cognities/gedrag
Developmental psychopathology: de studie van psychopathologie in de context van normale
ontwikkeling, met aandacht voor de gevolgen voor functioneren
Prevalence: hoeveelheid huidige gevallen van een stoornis
Incidence: hoeveelheid nieuwe gevallen van een stoornis in specifieke periode
,Hoofdstuk 2: Models of Child Development, Psychopathology and Treatment
In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe verschillende theoretische modellen bijdragen aan ons begrip
van kinderlijke ontwikkeling en psychopathologie. Het startpunt is het idee dat theorieën niet alleen
verklaringen geven, maar ook richting bieden voor assessment (beoordeling), diagnosis (diagnose)
en treatment (behandeling).
Dimensional en categorical models
Dimensionale modellen: gedragingen en emoties worden geplaatst op een continnuum (bijv.
weinig tot veel angst)
Categorische modellen: gedragingen en emoties worden ingedeeld in afgebakende groepen
(bijv. wel of geen angststoornis)
Physiological models (fysiologische modellen)
Fysiologische modellen leggen nadruk op biologische processen zoals genetica, hersenstructuur en
neurochemie. Historisch gezien lag de focus op behavior genetics (gedragsgenetica), die onderzoekt
in welke mate eigenschappen erfelijk zijn. Nieuwere inzichten betreffen epigenetica, waarbij
genexpressie beïnvloed wordt door omgevingsfactoren. Dit verklaart hoe kinderen met eenzelfde
genetische aanleg toch verschillende ontwikkelingspaden kunnen volgen.
Psychodynamic models (psychodynamische modellen)
Psychodynamische modellen zijn gebaseerd op Freud en latere psychoanalytische theorieën. Het
idee van onbewuste processen, conflicten en de invloed van vroege relaties staat centraal.
Concepten zoals defense mechanisms (afweermechanismen) en attachment (hechting) zijn
belangrijk om te begrijpen hoe kinderen omgaan met stress en emoties. Psychodynamische
verklaringen van psychopathologie focussen vaak op verstoorde vroege ervaringen en interne
conflicten.
Behavioral and cognitive models (gedragsmodellen en cognitieve modellen)
Gedragsmodellen zien psychopathologie als het resultaat van leerprocessen, bijvoorbeeld via
klassieke conditionering, operante conditionering, en observationeel leren. Cognitieve modellen
leggen de nadruk op interpretaties, overtuigingen en denkpatronen. Het kind wordt gezien als een
actieve informatieverwerker: verkeerde interpretaties kunnen leiden tot maladaptief gedrag en
emoties.
Humanistic models (humanistische modellen)
Humanistische modellen benadrukken de aangeboren neiging tot groei, zelfverwerkelijking en
positieve ontwikkeling. Psychopathologie ontstaat volgens deze visie wanneer kinderen onvoldoende
unconditional positive regard (onvoorwaardelijke acceptatie) ervaren endaardoor een incongruent
zelfbeeld ontwikkelen. Behandeling richt zich op empathie, authenticiteit en het stimuleren van
persoonlijke groei.
Family models (gezinsmodellen)
Gezinsmodellen verschuivende focus van het individu naar de interacties binnen het gezin. Family
systems theory (gezins-systeemtheorie) stelt dat gedragsproblemen van kinderen vaak voortkomen
uit disfunctionele communicatie, rollen of hiërarchieën binnen het gezin. Verandering bij één
gezinslid heeft invloed op het hele systeem.
Sociocultural models (socioculturele modellen)
Socioculturele modellen bekijken psychopathologie vanuit bredere contexten zoals cultuur, SES en
historische omstandigheden. Kinderen ontwikkelen zich binnen culturele noren en waarden.
Afwijkend gedrag moet altijd binnen culturele context geïnterpreteerd worden. Factoren zoals
, discriminatie, armoede, en culturele verwachtingen zijn cruciaal in het begrijpen van stoornissen en
behandelingen.
Integratie en conclusie
Het hoofdstuk benadrukt dat er niet één beste model is. Multifactorial models (multifactoriële
modellen) integreren biologische, psychologische, gezins- en culturele factoren. Deze integratieve
benadering sluit nauw aan bij de kern van ontwikkelingspsychopathologie: stoornissen worden het
best begrepen in hun ontwikkelingscontext en vanuit meerdere perspectieven.
Tabellen hoofdstuk 2
Gen-omgevingseffecten (of correlaties) hebben betrekking op verschillende blootstelling aan
omgevingen of ervaringen. Er zijn drie soorten gen-omgevingseffecten:
1. Passieve correlaties: kinderen worden blootgesteld aan verschillende omgevingen die hun
genetisch verwante ouders bieden (bijv. extraverte kinderen die door extraverte ouders worden
opgevoed, krijgen meer sociale mogelijkheden)
2. Actieve correlaties: kinderen selecteren hun eigen omgeving op basis van hun genetische
achtergrond (bijv. extraverte kinderen zoeken andere kinderen op op het schoolplein)
3. Evocatieve correlaties: kinderen ervaren verschillende reacties op hun genetisch beïnvloede
emoties of gedragingen (bijv. extraverte kinderen die uitbundig gedrag vertonen, worden mogelijk
vaker gedisciplineerd dan introverte kinderen)
Interacties tussen genen en omgevingen bevatten een verschillende gevoeligheid of vatbaarheid voor
omgevingen of ervaringen. Dat wil zeggen dat subgroepen kinderen op verschillende manieren
reageren op bepaalde omgevingen (bijv. sommige kinderen die door hun genetische achtergrond
kwetsbaar zijn voor slechte resultaten bij mishandeling, zijn dezelfde kinderen die uitstekende
resultaten laten zien bij hoogwaardige zorg)
Begrippenlijst hoofdstuk 2
Dimensional models: modellen die psychopathologie zien als variatie op een continuüm
(meer of minder van een eigenschap)
Categorical models: modellen die psychopathologie indelen in discrete categorieën
(wel/geen stoornis)
Physiological models: modellen die biologische oorzaken van stoornissen benadrukken, zoals
genetica en hersenprocessen
Behavior genetics: onderzoek naar de erfelijkheid van gedrag en eigenschappen
Epigenetics: studie van hoe omgevingsfactoren genexpressie kunnen beïnvloeden
Psychodynamic models: theorieën gebaseerd op onbewuste processen, innerlijke conflicten
en vroege relaties
Defense mechanisms: onbewuste strategieën om angst of stress te verminderen
Attachment: hechtingsrelatie tussen kind en verzorger, cruciaal voor emotionele
ontwikkeling
Behavior models: benadering die stoornissen ziet als gevolg van leerprocessen
(conditionering, bekrachtiging)
Cognitive models: theorieën die de rol van denkpatronen, overtuigingen en interpretaties
centraal stellen
Classical conditioning: leren door associatie van neutrale stimuli met betekenisvolle stimuli
Operant conditioning: leren door beloning en straf
Observational learning: leren door observeren en imiteren van anderen
Humanistic models: benadering die uitgaat van groei, zelfverwerkelijking en het belang van
onvoorwaardelijke acceptatie
Unconditional positive regard: onvoorwaardelijke acceptatie en waardering van een persoon