Inleiding sociologie
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Questions..................................................................................2
Hoofdstuk 2: Theories....................................................................................4
Hoorcollege 1................................................................................................. 6
Hoofdstuk 3: Methods....................................................................................6
Hoorcollege 2................................................................................................. 9
Werkgroep 3................................................................................................ 10
Hoofdstuk 4................................................................................................. 10
Hoofdstuk 5................................................................................................. 12
Hoofdstuk 6................................................................................................. 15
Hoofdstuk 7................................................................................................. 17
Hoofdstuk 8................................................................................................. 19
Hoofdstuk 9................................................................................................. 21
Hoofdstuk 10............................................................................................... 24
Hoofdstuk 11............................................................................................... 25
Hoofdstuk 12............................................................................................... 28
Hoofdstuk 13............................................................................................... 30
Vragen voor WG1
Psychologen kijken naar het gedrag van individuen. Sociale psychologen kunnen bijvoorbeeld
wel kijken naar het gedrag van een persoon in de aanwezigheid van andere mensen (denk aan
discriminatie), maar psychologen zullen geen groepen mensen gaan analyseren als geheel.
Sociologen kijken naar gedrag, patronen en processen van groepen (zoals bv. Immigranten).
1) Agressie: agressie kan een individuele oorzaak hebben, denk aan genetische aanleg,
middelengebruik of andere mentale problematiek. Het kan echter ook een sociale
oorzaak hebben, bijvoorbeeld sociale druk, normen of uitdagingen van anderen.
2) De ranking laat zien dat de gelukkigste landen niet per se de landen zijn waar het voor
het gemiddelde individu (denk aan opleidingskansen, inkomen en zorg) het beste is.
Andere landen met een meer collectivistische instelling, waarbij bijvoorbeeld
familiewaardes erg belangrijk zijn, kunnen ook erg gelukkig zijn.
, 3) Dit is een heel individualistisch perpectief, waarbij geluk ook wel gelinkt wordt aan
succes. Succes zou je zelf kunnen bereiken en daarmee zou je dus ook jezelf gelukkig
kunnen maken. Falen wordt dan ook als heel zwaar ingeschat.
4a) Ultimate oorzaak: in de huidige individualistische cultuur wordt veel gefocust op
persoonlijk succes. Daarbij hoort ook academisch succes. Dit kan ervoor zorgen dat jongeren
stress ervaren bij het bepalen van hun studieloopbaan (proximate oorzaak). Oplopende stress
zal op den duur zorgen voor burn-out klachten.
4b) Op welke manier zijn individuele en sociologische perspectieven opgenomen in dit
figuur?
Uiteindelijk zien we klachten terug op individueel niveau, in dit geval bij een jongere. Wel
kan er een trend ontstaan waarbij jongeren gemiddeld (dan hebben we het over een groep en
is het weer meer op sociologisch niveau) meer burn-out klachten hebben. De ultimate oorzaak
is in dit geval een maatschappelijk trend en dus sociologisch. De proximate oorzaak kan
verschillen per individu.
5) Microlevel gaat over individuele verschillen of gedragingen in kleine groepen. Meso
niveau gaat over grotere netwerken, zoals organisaties en gemeenschappen.
Macrolevel gaat juist over systemen die voor iedereen kunnen gelden,
maatschappelijke veranderingen etc.
7. Huisvesting, asielzoekers,
What social factors explain divorce, is een theoretische vraag (beschrijvend gesteld), omdat
we nog steeds opzoek zijn naar een verklaring.
Hoofdstuk 1: Questions
Individueel perspectief: manier van verklaren van menselijk gedrag door te kijken naar
individuele oorzaken (genetische aanleg, zelf-controle, gezondheid etc).
Sociological perspective: menselijke gedrag verklaren door middel van de sociale context die
mensen delen. Sociological imagination: identificeren van sociale oorzaken. Sociologen
bestuderen sociale fenomenen: collectief menselijk gedrag.
Individuele verklaringen schieten soms tekort. Als alleen individuele oorzaken onder gedrag
liggen, zouden individuele behandelingen erg effectief moeten zijn, maar dit is vaak niet zo.
,Er wordt onderscheid gemaakt tussen proximate (factoren die dichtbij zijn bij het fenomeen
die wordt onderzocht) en ultimate (factoren die onderliggend zijn voor de proximate
oorzaken) oorzaken.
Bijvoorbeeld: gepest zijn op school (ultimate) negatief zelfbeeld (proximate)
zwaar overgewicht
Ook wordt er gekeken naar het niveau van verschillen. Microniveau: individuen en hun
gedragingen, middelen en houdingen. Meso niveau: sociale condities die mensen delen in
hun directe omgeving (familie, school, werk). Macroniveau: het hoogste level, namelijk
landen, regio’s in de wereld of religieuze groepen).
Wanneer is iets een sociaal probleem/ publiek probleem? Wanneer het meerdere individuen
beïnvloed en het een probleem is waar men zich zorgen om maakt (het is in conflict met
waarden en normen). Sociale problemen hebben een normatieve lading (doelen of waardes
worden bedreigd en mensen willen dat oplossen). Binnen de sociologie worden sociale
problemen bestudeert als sociale fenomenen (wetenschappelijk, niet normatief of politiek
geladen).
3 stappen: beschrijven, verklaren, toepassen (voorspellingen maken OF sociale interventies
ontwerpen). Het werk moet een maatschappelijke relevantie hebben.
Wetenschappelijke vragen:
Beschrijvende vragen: beschrijven van fenomenen en trends (geen waarom vragen:
hoeveel fietsen zijn er gestolen in Utrecht het afgelopen jaar bv)
Theoretische vragen: zoeken naar een verklaring en/of mechanismen (waarom)
Applicatievragen: voorspellend en/of interventiegericht (bv in hoeverre zorgen de
milieuzones in steden voor een afname in fijnstof in de lucht)
Normatieve vragen: wat zouden we moeten doen? (bv moeten we telefoongebruik om
middelbare scholen verbieden (niet wetenschappelijk, vaak eerder politiek en dus
vermijden als onderzoeker))
Hoe stel je dan een goede vraag? Vraag-ingrediënten: 1) gedrag waarnaar je geïnteresseerd
bent, 2) sociale context, 3) tijd en 4) populatie. Bv: “How high was the male homocide rate in
England in the year 2015?”
Wetenschappelijke relevantie: relevant voor de opbouw van sociologische kennis. Vermijden
van valse theoretische vragen: theoretische vraag die iets probeert te verklaren dat niet
bestaat. Interessante vragen voor sociologen zijn comparative-case question: vraag die
vergelijking van gevallen (zoals meerdere sociale contexten, momenten of populaties) bevat.
Is sociologie niet gewoon common sense? Het american soldier experiment ging hierover: aan
mensen werd gevraagd of mensen uit de stad of het platteland het beter zouden doen als
soldaten? Allebei de verklaringen konden mensen begrijpen en verklaren. Dan is geen van
beiden dus common sense. Vaak verklaren we dingen nadat we horen hoe het zit, maar dat is
niet hoe onderzoek doen werkt.
, Mensen zijn allemaal private sociologists: we proberen dagelijks de sociale wereld te
begrijpen. Academische sociologie: academische instellingen beschrijven en verklaren de
sociale wereld, door coherente theorieën te maken en te testen.
Sociologie is een cumulatieve wetenschap: eerder opgedane kennis wordt gebruikt en
aangevuld in daarna volgende studies.
Hoofdstuk 2: Theories
Propositions/ proposities: universele uitspraken (uitspraak over de causale relatie tussen twee
of meer concepten).
Theorie schema: een middel waarin proposities, condities, hypothesen en observaties
uitgeschreven worden in een coherente set van verbale uitspraken.
Je werkt van onder naar boven:
- O. feit, fenomeen, patroon waar je in geïnteresseerd bent (binnen sociologie een
sociaal fenomeen)
- C. aanname over de specifieke setting die proposities linkt aan observaties en
hypothesen.
- P. + C. geven vaak een potentiële verklaring, daarom wordt het ook wel een
deductive-nomological explanation (verklaring van fenomeen door proposities en
condities te gebruiken).
Als je alleen O. weet, kun je het schema in gaan vullen met aanvullende kennis.
Het opstellen van een hypothese volgt uit de theorie. Dit werkt dus exact de andere kant op:
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Questions..................................................................................2
Hoofdstuk 2: Theories....................................................................................4
Hoorcollege 1................................................................................................. 6
Hoofdstuk 3: Methods....................................................................................6
Hoorcollege 2................................................................................................. 9
Werkgroep 3................................................................................................ 10
Hoofdstuk 4................................................................................................. 10
Hoofdstuk 5................................................................................................. 12
Hoofdstuk 6................................................................................................. 15
Hoofdstuk 7................................................................................................. 17
Hoofdstuk 8................................................................................................. 19
Hoofdstuk 9................................................................................................. 21
Hoofdstuk 10............................................................................................... 24
Hoofdstuk 11............................................................................................... 25
Hoofdstuk 12............................................................................................... 28
Hoofdstuk 13............................................................................................... 30
Vragen voor WG1
Psychologen kijken naar het gedrag van individuen. Sociale psychologen kunnen bijvoorbeeld
wel kijken naar het gedrag van een persoon in de aanwezigheid van andere mensen (denk aan
discriminatie), maar psychologen zullen geen groepen mensen gaan analyseren als geheel.
Sociologen kijken naar gedrag, patronen en processen van groepen (zoals bv. Immigranten).
1) Agressie: agressie kan een individuele oorzaak hebben, denk aan genetische aanleg,
middelengebruik of andere mentale problematiek. Het kan echter ook een sociale
oorzaak hebben, bijvoorbeeld sociale druk, normen of uitdagingen van anderen.
2) De ranking laat zien dat de gelukkigste landen niet per se de landen zijn waar het voor
het gemiddelde individu (denk aan opleidingskansen, inkomen en zorg) het beste is.
Andere landen met een meer collectivistische instelling, waarbij bijvoorbeeld
familiewaardes erg belangrijk zijn, kunnen ook erg gelukkig zijn.
, 3) Dit is een heel individualistisch perpectief, waarbij geluk ook wel gelinkt wordt aan
succes. Succes zou je zelf kunnen bereiken en daarmee zou je dus ook jezelf gelukkig
kunnen maken. Falen wordt dan ook als heel zwaar ingeschat.
4a) Ultimate oorzaak: in de huidige individualistische cultuur wordt veel gefocust op
persoonlijk succes. Daarbij hoort ook academisch succes. Dit kan ervoor zorgen dat jongeren
stress ervaren bij het bepalen van hun studieloopbaan (proximate oorzaak). Oplopende stress
zal op den duur zorgen voor burn-out klachten.
4b) Op welke manier zijn individuele en sociologische perspectieven opgenomen in dit
figuur?
Uiteindelijk zien we klachten terug op individueel niveau, in dit geval bij een jongere. Wel
kan er een trend ontstaan waarbij jongeren gemiddeld (dan hebben we het over een groep en
is het weer meer op sociologisch niveau) meer burn-out klachten hebben. De ultimate oorzaak
is in dit geval een maatschappelijk trend en dus sociologisch. De proximate oorzaak kan
verschillen per individu.
5) Microlevel gaat over individuele verschillen of gedragingen in kleine groepen. Meso
niveau gaat over grotere netwerken, zoals organisaties en gemeenschappen.
Macrolevel gaat juist over systemen die voor iedereen kunnen gelden,
maatschappelijke veranderingen etc.
7. Huisvesting, asielzoekers,
What social factors explain divorce, is een theoretische vraag (beschrijvend gesteld), omdat
we nog steeds opzoek zijn naar een verklaring.
Hoofdstuk 1: Questions
Individueel perspectief: manier van verklaren van menselijk gedrag door te kijken naar
individuele oorzaken (genetische aanleg, zelf-controle, gezondheid etc).
Sociological perspective: menselijke gedrag verklaren door middel van de sociale context die
mensen delen. Sociological imagination: identificeren van sociale oorzaken. Sociologen
bestuderen sociale fenomenen: collectief menselijk gedrag.
Individuele verklaringen schieten soms tekort. Als alleen individuele oorzaken onder gedrag
liggen, zouden individuele behandelingen erg effectief moeten zijn, maar dit is vaak niet zo.
,Er wordt onderscheid gemaakt tussen proximate (factoren die dichtbij zijn bij het fenomeen
die wordt onderzocht) en ultimate (factoren die onderliggend zijn voor de proximate
oorzaken) oorzaken.
Bijvoorbeeld: gepest zijn op school (ultimate) negatief zelfbeeld (proximate)
zwaar overgewicht
Ook wordt er gekeken naar het niveau van verschillen. Microniveau: individuen en hun
gedragingen, middelen en houdingen. Meso niveau: sociale condities die mensen delen in
hun directe omgeving (familie, school, werk). Macroniveau: het hoogste level, namelijk
landen, regio’s in de wereld of religieuze groepen).
Wanneer is iets een sociaal probleem/ publiek probleem? Wanneer het meerdere individuen
beïnvloed en het een probleem is waar men zich zorgen om maakt (het is in conflict met
waarden en normen). Sociale problemen hebben een normatieve lading (doelen of waardes
worden bedreigd en mensen willen dat oplossen). Binnen de sociologie worden sociale
problemen bestudeert als sociale fenomenen (wetenschappelijk, niet normatief of politiek
geladen).
3 stappen: beschrijven, verklaren, toepassen (voorspellingen maken OF sociale interventies
ontwerpen). Het werk moet een maatschappelijke relevantie hebben.
Wetenschappelijke vragen:
Beschrijvende vragen: beschrijven van fenomenen en trends (geen waarom vragen:
hoeveel fietsen zijn er gestolen in Utrecht het afgelopen jaar bv)
Theoretische vragen: zoeken naar een verklaring en/of mechanismen (waarom)
Applicatievragen: voorspellend en/of interventiegericht (bv in hoeverre zorgen de
milieuzones in steden voor een afname in fijnstof in de lucht)
Normatieve vragen: wat zouden we moeten doen? (bv moeten we telefoongebruik om
middelbare scholen verbieden (niet wetenschappelijk, vaak eerder politiek en dus
vermijden als onderzoeker))
Hoe stel je dan een goede vraag? Vraag-ingrediënten: 1) gedrag waarnaar je geïnteresseerd
bent, 2) sociale context, 3) tijd en 4) populatie. Bv: “How high was the male homocide rate in
England in the year 2015?”
Wetenschappelijke relevantie: relevant voor de opbouw van sociologische kennis. Vermijden
van valse theoretische vragen: theoretische vraag die iets probeert te verklaren dat niet
bestaat. Interessante vragen voor sociologen zijn comparative-case question: vraag die
vergelijking van gevallen (zoals meerdere sociale contexten, momenten of populaties) bevat.
Is sociologie niet gewoon common sense? Het american soldier experiment ging hierover: aan
mensen werd gevraagd of mensen uit de stad of het platteland het beter zouden doen als
soldaten? Allebei de verklaringen konden mensen begrijpen en verklaren. Dan is geen van
beiden dus common sense. Vaak verklaren we dingen nadat we horen hoe het zit, maar dat is
niet hoe onderzoek doen werkt.
, Mensen zijn allemaal private sociologists: we proberen dagelijks de sociale wereld te
begrijpen. Academische sociologie: academische instellingen beschrijven en verklaren de
sociale wereld, door coherente theorieën te maken en te testen.
Sociologie is een cumulatieve wetenschap: eerder opgedane kennis wordt gebruikt en
aangevuld in daarna volgende studies.
Hoofdstuk 2: Theories
Propositions/ proposities: universele uitspraken (uitspraak over de causale relatie tussen twee
of meer concepten).
Theorie schema: een middel waarin proposities, condities, hypothesen en observaties
uitgeschreven worden in een coherente set van verbale uitspraken.
Je werkt van onder naar boven:
- O. feit, fenomeen, patroon waar je in geïnteresseerd bent (binnen sociologie een
sociaal fenomeen)
- C. aanname over de specifieke setting die proposities linkt aan observaties en
hypothesen.
- P. + C. geven vaak een potentiële verklaring, daarom wordt het ook wel een
deductive-nomological explanation (verklaring van fenomeen door proposities en
condities te gebruiken).
Als je alleen O. weet, kun je het schema in gaan vullen met aanvullende kennis.
Het opstellen van een hypothese volgt uit de theorie. Dit werkt dus exact de andere kant op: