In dit hoofdstuk wordt het keuzeprobleem van de derde economische actor, de overheid,
besproken. Na gezinnen (consumenten) en producenten is het nu de overheid die keuzes
moet maken over haar middelen en doelstellingen. De overheid heeft tal van taken, maar
haar middelen zijn beperkt. De begroting vormt het instrument om keuzes te maken en
prioriteiten te stellen. Daarnaast worden de verschillende economische systemen
besproken waarbinnen overheden functioneren.
1 De Staatsstructuur
Voor 1830 maakte België deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden. Na de
onafhankelijkheid in 1830 werd een grondwet opgesteld met twee basisprincipes: België als
unitaire staat en de parlementaire democratie als staatsvorm.
De unitaire staat betekende dat België als één geheel bestuurd werd, ondanks de
taalkundige verschillen tussen noord en zuid. In de parlementaire democratie verkoos de
bevolking het parlement (wetgevende macht), dat de wetten goedkeurt. De regering en de
koning vormen de uitvoerende macht.
Na zes staatshervormingen is België een federale staat geworden, met naast de federale
overheid ook gewesten en gemeenschappen:
→ Gemeenschappen: Vlaamse, Franse en Duitstalige gemeenschap – bevoegd voor
persoonsgebonden materies zoals onderwijs en cultuur.
→ Gewesten: Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk Gewest – bevoegd voor
grondgebonden materies zoals ruimtelijke ordening.
In België hebben wetten (federaal) en decreten (gewesten en gemeenschappen) dezelfde
juridische waarde. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vaardigt ordonnanties uit, die onder
toezicht staan van de federale overheid.
Naast deze niveaus bestaan er provincies (10, behalve Brussel) en 565 gemeenten.
Gemeenten behandelen lokale materies of voeren taken uit die door hogere niveaus zijn
opgelegd.
De overheid in enge zin bestaat uit al deze bestuursniveaus samen. Daarnaast zijn er
instellingen die door de overheid worden aangestuurd, zoals de sociale zekerheid en
overheidsbedrijven.
Elke bestuurslaag stelt een eigen begroting op. Deze worden samengebracht in twee
entiteiten:
1
, → Entiteit I: Federale overheid + sociale zekerheid
→ Entiteit II: Lokale overheden (gemeenschappen, gewesten, provincies, gemeenten)
2 De taken van de overheid
De overheid vervult drie functies:
• Allocatiefunctie = tussenkomen in vrije marktwerking
• Distributiefunctie = herverdelen van de welvaart
• Stabilisatiefunctie = economische schommelingen beperken
2.1 De allocatiefunctie van de overheid
Overheid:
- Produceert zelf goederen
- Beïnvloedt productie door bedrijven
Reden van ingrijpen: marktimperfecties
- Monopolie-vorming
- Publieke goederen (De lijn, NMBS)
- Externe effecten
- Imperfecte informatie
2.1.1 Monopolievorming
Bij een monopolie heeft één aanbieder marktmacht en kan de prijs boven de marginale kost
zetten. Dit veroorzaakt een welvaartsverlies
(grijze driehoek in de figuur).
Overheidsopties: →
Prijsregulering(max prijs opleggen) →
Concurrentie stimuleren -
Overheidsbedrijf oprichten (zelf produceren)
2