Hoorcollege 1: Van prehistorie naar historie
Dr. Martijn Icks, 8-9-2025
Wat is Oude Geschiedenis?
• Definitie en afbakening:
o Begint met de uitvinding van het schrift (~3400 v.Chr. in
Mesopotamië).
o Einddatum is arbitrair: meestal rond de val van het West-Romeinse
Rijk (~476 n.Chr.).
o Alternatieve einddata:
▪ Ontstaan van de islam (~7e eeuw).
▪ Bekeerling van Constantijn (~4e eeuw).
o Periodes zijn constructen van historici – bedoeld voor ordening.
• Tijdlijn en relativiteit:
o Grote meerderheid van de menselijke geschiedenis speelt zich in de
oudheid af.
o Jaartelling vanuit christelijke traditie: v.Chr. / n.Chr. → tegenwoordig
vaak vervangen door voor / na onze jaartelling.
o Geen jaar 0: van 1 v.Chr. naar 1 n.Chr.
• Regionale focus:
o De “Oude Wereld”: Middellandse Zeegebied + Mesopotamië,
Egypte, Iran, Anatolië.
o Regio’s als China of Zuid-Amerika vallen buiten deze definitie →
minder intensieve culturele interactie.
o Schriftdocumentatie en culturele uitwisseling waren kerncriteria.
• Nederland in de oudheid:
o Geen schriftcultuur voor de komst van de Romeinen.
o Tacitus beschrijft Nederland als een woeste, deels overstroomde
grensregio.
Klassieke Oudheid
• Focus op oude Grieken en Romeinen (~800 v.Chr. – 500 n.Chr.).
• Van Homerus (oudste Griekse literatuur) tot de val van het West-Romeinse
rijk
• “Klassiek” betekent:
o Iets bewonderenswaardigs, voorbeeldigs.
o Europese cultuur keek (en kijkt nog steeds) terug naar deze periode
voor inspiratie (renaissance, democratie, recht, filosofie).
• Voorbeelden:
, o Obama noemt het Parthenon als wieg van de democratie →
symbolisch gebruik van oudheid.
o Atheense democratie = kortstondig (~200 jaar), geen directe
continuïteit naar nu.
o Moderne democratieën hebben eerder wortels in middeleeuwse
instellingen.
Wat doet een oudhistoricus?
• Reconstructie van het verleden op basis van:
o Geschreven bronnen (literatuur, inscripties, papyri).
o Ongeschreven bronnen (objecten, afbeeldingen, gebouwen, DNA).
• Slechts 5–10% van de teksten uit de oudheid is overgeleverd.
• Historisch werk is nooit “af”:
o Nieuwe vondsten (archeologie, tekst).
o Nieuwe vragen (klimaatverandering, gender, slaven).
o Nieuwe perspectieven (dekolonisatie, inclusiviteit).
Bronnen en Kritiek
• Geschreven bronnen:
o Literaire teksten:
▪ Doorgegeven via kloosters (monniken) tot aan de
boekdrukkunst (1450).
▪ Subjectief, standplaatsgebonden, vaak door elite-mannen
geschreven.
▪ Kopieerfouten, selectie op religieuze/politieke gronden.
▪ Belangrijk, maar eenzijdig.
o Inscripties & papyri:
▪ Grafstenen → ook gewone mensen.
▪ Papyri → alledaagse zaken zoals brieven, rechtszaken.
, • Ongeschreven bronnen:
o Objecten: potten, gereedschap, wapens.
o Munten: geven inzicht in economie, handel.
o Afbeeldingen (verbeeldingen): idealiseren vaak
een persoon of ideaal (bijv. standbeeld Alexander
de Grote).
• DNA- en isotopenonderzoek (moderne technieken):
o Inzicht in migratie, afkomst, voeding, mobiliteit.
o Voorbeeld: Meisje van Egtved → eerst gedacht uit Zuid-Duitsland,
later wellicht uit Denemarken → wetenschappelijke discussie.
De Opkomst van de Beschaving
• De prehistorie
o Letterlijk “voorgeschiedenis”
o Mensen leefden in kleine groepen als jager-verzamelaars
o Stenen werktuigen
o Geen grote nederzettingen
o Geen schriftelijke cultuur
o Geen geschiedenis?
• Wat is een beschaving?
o Complexe cultuur met steden, schrift, georganiseerde religie,
specialisatie van arbeid.
o “Onbeschaafd” wordt vaak als negatieve term gebruikt →
waardeoordelen vermijden.
• Homo sapiens bestaan ±200.000 jaar.
o Beschaving pas vanaf ±10.000 v.Chr. → begin landbouw.
o Voorafgaand: nomadische jagers-verzamelaars in kleine groepen
(~200 personen).
• Voorbeelden uit de prehistorie:
, o Vuistbijlen.
o Venusbeeldjes (verering vruchtbaarheid).
o Grottekeningen (bijv. Lascaux).
o Göbekli Tepe (10e millennium v.Chr.,
Turkije): eerste tempelachtige structuren →
vroege religie?
Neolithische Revolutie
• Grootste omwenteling in de menselijke geschiedenis:
o Ook wel: de agrarische revolutie
o Overgang van jagen & verzamelen naar landbouw en veeteelt.
o Nieuwe leefstijl: sedentair, grotere nederzettingen,
voedseloverschotten.
o Specialisatie van arbeid (ambachten, religie, handel).
o Hiërarchie & sociale ongelijkheid nemen toe
• Gevolgen:
o Grotere nederzettingen
o Opkomst specialisten: ambachtslieden, kooplui, priesters, enz.
o Complexere samenleving, vergt meer organisatie
o Uitvinding van het schrift
• Kritische blik op ‘traditioneel’ verhaal:
o Boek: The Dawn of Everything (Graeber & Wengrow).
o Stelt dat complexe structuren soms ook vóór landbouw al
bestonden.
• Plaatsgebondenheid:
o Niet overal ter wereld → op 5+ plekken onafhankelijk ontstaan:
Dr. Martijn Icks, 8-9-2025
Wat is Oude Geschiedenis?
• Definitie en afbakening:
o Begint met de uitvinding van het schrift (~3400 v.Chr. in
Mesopotamië).
o Einddatum is arbitrair: meestal rond de val van het West-Romeinse
Rijk (~476 n.Chr.).
o Alternatieve einddata:
▪ Ontstaan van de islam (~7e eeuw).
▪ Bekeerling van Constantijn (~4e eeuw).
o Periodes zijn constructen van historici – bedoeld voor ordening.
• Tijdlijn en relativiteit:
o Grote meerderheid van de menselijke geschiedenis speelt zich in de
oudheid af.
o Jaartelling vanuit christelijke traditie: v.Chr. / n.Chr. → tegenwoordig
vaak vervangen door voor / na onze jaartelling.
o Geen jaar 0: van 1 v.Chr. naar 1 n.Chr.
• Regionale focus:
o De “Oude Wereld”: Middellandse Zeegebied + Mesopotamië,
Egypte, Iran, Anatolië.
o Regio’s als China of Zuid-Amerika vallen buiten deze definitie →
minder intensieve culturele interactie.
o Schriftdocumentatie en culturele uitwisseling waren kerncriteria.
• Nederland in de oudheid:
o Geen schriftcultuur voor de komst van de Romeinen.
o Tacitus beschrijft Nederland als een woeste, deels overstroomde
grensregio.
Klassieke Oudheid
• Focus op oude Grieken en Romeinen (~800 v.Chr. – 500 n.Chr.).
• Van Homerus (oudste Griekse literatuur) tot de val van het West-Romeinse
rijk
• “Klassiek” betekent:
o Iets bewonderenswaardigs, voorbeeldigs.
o Europese cultuur keek (en kijkt nog steeds) terug naar deze periode
voor inspiratie (renaissance, democratie, recht, filosofie).
• Voorbeelden:
, o Obama noemt het Parthenon als wieg van de democratie →
symbolisch gebruik van oudheid.
o Atheense democratie = kortstondig (~200 jaar), geen directe
continuïteit naar nu.
o Moderne democratieën hebben eerder wortels in middeleeuwse
instellingen.
Wat doet een oudhistoricus?
• Reconstructie van het verleden op basis van:
o Geschreven bronnen (literatuur, inscripties, papyri).
o Ongeschreven bronnen (objecten, afbeeldingen, gebouwen, DNA).
• Slechts 5–10% van de teksten uit de oudheid is overgeleverd.
• Historisch werk is nooit “af”:
o Nieuwe vondsten (archeologie, tekst).
o Nieuwe vragen (klimaatverandering, gender, slaven).
o Nieuwe perspectieven (dekolonisatie, inclusiviteit).
Bronnen en Kritiek
• Geschreven bronnen:
o Literaire teksten:
▪ Doorgegeven via kloosters (monniken) tot aan de
boekdrukkunst (1450).
▪ Subjectief, standplaatsgebonden, vaak door elite-mannen
geschreven.
▪ Kopieerfouten, selectie op religieuze/politieke gronden.
▪ Belangrijk, maar eenzijdig.
o Inscripties & papyri:
▪ Grafstenen → ook gewone mensen.
▪ Papyri → alledaagse zaken zoals brieven, rechtszaken.
, • Ongeschreven bronnen:
o Objecten: potten, gereedschap, wapens.
o Munten: geven inzicht in economie, handel.
o Afbeeldingen (verbeeldingen): idealiseren vaak
een persoon of ideaal (bijv. standbeeld Alexander
de Grote).
• DNA- en isotopenonderzoek (moderne technieken):
o Inzicht in migratie, afkomst, voeding, mobiliteit.
o Voorbeeld: Meisje van Egtved → eerst gedacht uit Zuid-Duitsland,
later wellicht uit Denemarken → wetenschappelijke discussie.
De Opkomst van de Beschaving
• De prehistorie
o Letterlijk “voorgeschiedenis”
o Mensen leefden in kleine groepen als jager-verzamelaars
o Stenen werktuigen
o Geen grote nederzettingen
o Geen schriftelijke cultuur
o Geen geschiedenis?
• Wat is een beschaving?
o Complexe cultuur met steden, schrift, georganiseerde religie,
specialisatie van arbeid.
o “Onbeschaafd” wordt vaak als negatieve term gebruikt →
waardeoordelen vermijden.
• Homo sapiens bestaan ±200.000 jaar.
o Beschaving pas vanaf ±10.000 v.Chr. → begin landbouw.
o Voorafgaand: nomadische jagers-verzamelaars in kleine groepen
(~200 personen).
• Voorbeelden uit de prehistorie:
, o Vuistbijlen.
o Venusbeeldjes (verering vruchtbaarheid).
o Grottekeningen (bijv. Lascaux).
o Göbekli Tepe (10e millennium v.Chr.,
Turkije): eerste tempelachtige structuren →
vroege religie?
Neolithische Revolutie
• Grootste omwenteling in de menselijke geschiedenis:
o Ook wel: de agrarische revolutie
o Overgang van jagen & verzamelen naar landbouw en veeteelt.
o Nieuwe leefstijl: sedentair, grotere nederzettingen,
voedseloverschotten.
o Specialisatie van arbeid (ambachten, religie, handel).
o Hiërarchie & sociale ongelijkheid nemen toe
• Gevolgen:
o Grotere nederzettingen
o Opkomst specialisten: ambachtslieden, kooplui, priesters, enz.
o Complexere samenleving, vergt meer organisatie
o Uitvinding van het schrift
• Kritische blik op ‘traditioneel’ verhaal:
o Boek: The Dawn of Everything (Graeber & Wengrow).
o Stelt dat complexe structuren soms ook vóór landbouw al
bestonden.
• Plaatsgebondenheid:
o Niet overal ter wereld → op 5+ plekken onafhankelijk ontstaan: