H1: het ontstaan van de beschavingen in Egypte en Mesopotamië
Steentijd
De oudste periode van de menselijke geschiedenis, waarin mensen stenen werktuigen
gebruikten.
• Indeling: oude, midden en nieuwe steentijd.
• In de oude/middensteentijd leefden mensen als jagers-verzamelaars en trokken
rond op zoek naar voedsel.
• In de nieuwe steentijd (neolithicum) begonnen mensen langer op één plek te
wonen en hun omgeving meer te beheersen.
Neolithische revolutie
De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt, rond 10.000 v.Chr.
• Mensen begonnen graan te verbouwen en dieren te temmen.
• Hierdoor konden ze op één plaats blijven wonen (sedentair) en ontstonden
dorpen en later steden.
• De landbouw leidde tot voedseloverschotten, specialisatie van arbeid (zoals
ambachtslieden, bestuurders, priesters) en uiteindelijk tot beschavingen.
Regenlandbouw
Landbouw die afhankelijk is van natuurlijke regenval (minimaal ca. 250 mm per jaar).
• Mogelijk in gebieden als Iran, Noord-Irak, Noord-Syrië en de oostelijke
Middellandse Zee.
• Kwetsbaar systeem: een paar droge jaren konden al hongersnood veroorzaken.
• Vergde geen kanalen of dijken, maar hing sterk af van het klimaat.
Irrigatielandbouw
Landbouw waarbij het water kunstmatig wordt aangevoerd via kanalen, dijken of
natuurlijke overstromingen.
• Egypte: natuurlijke irrigatie door de jaarlijkse overstroming van de Nijl (juli–
november).
• Mesopotamië: onregelmatige overstromingen, dus kunstmatige irrigatie was
nodig.
• Voordeel: veel hogere opbrengsten (tot 15× het zaaigoed).
• Zorgde voor samenwerking, organisatie, en uiteindelijk staat en tempelbesturen
die het waterbeheer regelden.
Brons
Een legering van koper en tin, uitgevonden rond 3200 v.Chr.
• Markerend voor de bronstijd (ca. 3200–1200 v.Chr. in het Nabije Oosten).
• Brons werd gebruikt voor wapens, werktuigen en kunstvoorwerpen, sterker dan
steen.
• De komst van brons leidde tot verdere technische en sociale ontwikkeling,
waaronder handel in metalen en ambachtslieden.
, H2: het derde millennium v.Chr.: de vroege bronstijd
Vroege bronstijd
Periode van ongeveer 3000–2000 v.Chr. waarin brons (koper + tin) werd gebruikt voor
werktuigen en wapens.
• Kenmerk: ontstaan van de eerste staten en stedelijke beschavingen in Egypte
en Mesopotamië.
• Voorbeelden: het Oude Rijk in Egypte en de Sumerische stadstaten in Zuid-
Mesopotamië.
Midden bronstijd
Periode van ca. 2000–1600 v.Chr.
• Tijd van bloeiperiodes en vernieuwing: het Middenrijk in Egypte en het Oud-
Babylonische rijk onder Hammurabi.
• Kenmerkend: meer handelscontacten, ontwikkeling van rechtssystemen en
diplomatie.
Late bronstijd
Periode van ca. 1600–1200 v.Chr.
• Grote mogendheden domineerden: Egypte, het Hethitische rijk, Assyrië en
Babylonië (het zogeheten concert der mogendheden).
• Ontwikkeling van strijdwagens, internationale handel en diplomatieke
verdragen.
• Eindigt met de inval van de Zeevolken rond 1200 v.Chr., die veel rijken
verzwakten.
Oude Rijk (Egypte)
Eerste bloeiperiode van Egypte, ca. 2600–2150 v.Chr. (4e en 5e dynastie).
• Hoofdstad: Memphis.
• Bekend van: de bouw van de piramiden (Cheops, Chefren, Mykerinos).
• Kenmerk: sterke koninklijke macht, de farao gezien als goddelijke heerser.
• Einde door verzwakking van de koninklijke macht en machtige gouwvorsten.
Sumeriërs
Het oudste bekende volk in Zuid-Mesopotamië (3e millennium v.Chr.).
• Leefden in stadstaten zoals Ur, Uruk en Nippur.
• Ontwikkelingen:
o Spijkerschrift (oudste bekende schrift).
o Tempel-economie (de tempel als centrum van landbouw, handel en
bestuur).
o Wetenschap: wiskunde, sterrenkunde, geneeskunde.
• Hun cultuur beïnvloedde heel het Nabije Oosten.
,Akkadiërs
Een Semitisch volk dat de Sumeriërs opvolgde.
• Spreken Akkadisch, gebruikten het spijkerschrift.
• Hun rijk ontstond rond 2300 v.Chr. met de stad Akkad als centrum.
• Namen veel over van de Sumerische cultuur (schrift, religie, bestuur), maar
hielden hun eigen taal.
Sargon de Grote
Koning van Akkad (rond 2350 v.Chr.), stichter van het eerste wereldrijk in de
geschiedenis.
• Veroverde bijna heel Mesopotamië en delen van Syrië en Klein-Azië.
• Noemde zichzelf “koning der vier windstreken” (over heerschappij over de hele
wereld).
• Zijn rijk viel uiteen door opstanden en invallen.
Ziqqurat
Een trappentoren van meerdere verdiepingen, gebouwd in Mesopotamische
stadstaten.
• Functioneerde als tempelberg: woonplaats van de stads- of godstempel
bovenop.
• Symboliseerde de verbinding tussen hemel en aarde.
• Bekend voorbeeld: de Ziqqurat van Ur.
, H3: het tweede millennium v.Chr.
Middenrijk (Egypte)
Tweede bloeiperiode van Egypte, ca. 2000–1800 v.Chr. (12e dynastie).
• Hoofdstad: Thebe.
• Periode van herstel van eenheid en welvaart na een tijd van chaos.
• Kenmerken: bloei van literatuur, versterking van bestuur, uitbreiding naar Nubië.
Thebe
Belangrijke stad in zuidelijk Egypte, gelegen aan de Nijl.
• Hoofdstad tijdens het Middenrijk en later het Nieuwe Rijk.
• Centrum van de Amon-cultus (Amon-Ra).
• Rijke tempelstad met veel invloed van priesters.
Assyrië
Rijk in noordelijk Mesopotamië rond de stad Assur, later Nineve.
• Begon als handelsstaat (rond 2000 v.Chr.), later een militaire grootmacht.
• In de Midden-Assyrische periode (1600–1200 v.Chr.) groeide het uit tot een
sterke territoriale staat.
• Belangrijk: legde basis voor het latere Nieuw-Assyrische rijk.
Babylonië
Staat in zuidelijk Mesopotamië rond de stad Babylon.
• Bloeitijd: ca. 1800–1600 v.Chr. (Oud-Babylonische periode).
• Bekend door de koning Hammurabi.
• Wordt later overheerst door Kassieten (Midden-Babylonische periode).
Hammurabi
Koning van Babylon (18e eeuw v.Chr.).
• Bekend van het Wetboek van Hammurabi, een van de oudste wetverzamelingen
ter wereld.
• Regelde straf, handel, huwelijk en eigendom volgens het principe “oog om oog,
tand om tand”.
• Versterkte de centrale macht van Babylon.
Concert der mogendheden
Evenwicht van grootmachten in het Nabije Oosten, ca. 1600–1200 v.Chr.
• Betrokken rijken: Egypte, Hethieten, Assyrië, Babylonië, Mitanni.
• Periode van diplomatie, bondgenootschappen, en handelsuitwisseling.
• Bekend van de Amarna-brieven, correspondentie tussen koningen.
Steentijd
De oudste periode van de menselijke geschiedenis, waarin mensen stenen werktuigen
gebruikten.
• Indeling: oude, midden en nieuwe steentijd.
• In de oude/middensteentijd leefden mensen als jagers-verzamelaars en trokken
rond op zoek naar voedsel.
• In de nieuwe steentijd (neolithicum) begonnen mensen langer op één plek te
wonen en hun omgeving meer te beheersen.
Neolithische revolutie
De overgang van jagen en verzamelen naar landbouw en veeteelt, rond 10.000 v.Chr.
• Mensen begonnen graan te verbouwen en dieren te temmen.
• Hierdoor konden ze op één plaats blijven wonen (sedentair) en ontstonden
dorpen en later steden.
• De landbouw leidde tot voedseloverschotten, specialisatie van arbeid (zoals
ambachtslieden, bestuurders, priesters) en uiteindelijk tot beschavingen.
Regenlandbouw
Landbouw die afhankelijk is van natuurlijke regenval (minimaal ca. 250 mm per jaar).
• Mogelijk in gebieden als Iran, Noord-Irak, Noord-Syrië en de oostelijke
Middellandse Zee.
• Kwetsbaar systeem: een paar droge jaren konden al hongersnood veroorzaken.
• Vergde geen kanalen of dijken, maar hing sterk af van het klimaat.
Irrigatielandbouw
Landbouw waarbij het water kunstmatig wordt aangevoerd via kanalen, dijken of
natuurlijke overstromingen.
• Egypte: natuurlijke irrigatie door de jaarlijkse overstroming van de Nijl (juli–
november).
• Mesopotamië: onregelmatige overstromingen, dus kunstmatige irrigatie was
nodig.
• Voordeel: veel hogere opbrengsten (tot 15× het zaaigoed).
• Zorgde voor samenwerking, organisatie, en uiteindelijk staat en tempelbesturen
die het waterbeheer regelden.
Brons
Een legering van koper en tin, uitgevonden rond 3200 v.Chr.
• Markerend voor de bronstijd (ca. 3200–1200 v.Chr. in het Nabije Oosten).
• Brons werd gebruikt voor wapens, werktuigen en kunstvoorwerpen, sterker dan
steen.
• De komst van brons leidde tot verdere technische en sociale ontwikkeling,
waaronder handel in metalen en ambachtslieden.
, H2: het derde millennium v.Chr.: de vroege bronstijd
Vroege bronstijd
Periode van ongeveer 3000–2000 v.Chr. waarin brons (koper + tin) werd gebruikt voor
werktuigen en wapens.
• Kenmerk: ontstaan van de eerste staten en stedelijke beschavingen in Egypte
en Mesopotamië.
• Voorbeelden: het Oude Rijk in Egypte en de Sumerische stadstaten in Zuid-
Mesopotamië.
Midden bronstijd
Periode van ca. 2000–1600 v.Chr.
• Tijd van bloeiperiodes en vernieuwing: het Middenrijk in Egypte en het Oud-
Babylonische rijk onder Hammurabi.
• Kenmerkend: meer handelscontacten, ontwikkeling van rechtssystemen en
diplomatie.
Late bronstijd
Periode van ca. 1600–1200 v.Chr.
• Grote mogendheden domineerden: Egypte, het Hethitische rijk, Assyrië en
Babylonië (het zogeheten concert der mogendheden).
• Ontwikkeling van strijdwagens, internationale handel en diplomatieke
verdragen.
• Eindigt met de inval van de Zeevolken rond 1200 v.Chr., die veel rijken
verzwakten.
Oude Rijk (Egypte)
Eerste bloeiperiode van Egypte, ca. 2600–2150 v.Chr. (4e en 5e dynastie).
• Hoofdstad: Memphis.
• Bekend van: de bouw van de piramiden (Cheops, Chefren, Mykerinos).
• Kenmerk: sterke koninklijke macht, de farao gezien als goddelijke heerser.
• Einde door verzwakking van de koninklijke macht en machtige gouwvorsten.
Sumeriërs
Het oudste bekende volk in Zuid-Mesopotamië (3e millennium v.Chr.).
• Leefden in stadstaten zoals Ur, Uruk en Nippur.
• Ontwikkelingen:
o Spijkerschrift (oudste bekende schrift).
o Tempel-economie (de tempel als centrum van landbouw, handel en
bestuur).
o Wetenschap: wiskunde, sterrenkunde, geneeskunde.
• Hun cultuur beïnvloedde heel het Nabije Oosten.
,Akkadiërs
Een Semitisch volk dat de Sumeriërs opvolgde.
• Spreken Akkadisch, gebruikten het spijkerschrift.
• Hun rijk ontstond rond 2300 v.Chr. met de stad Akkad als centrum.
• Namen veel over van de Sumerische cultuur (schrift, religie, bestuur), maar
hielden hun eigen taal.
Sargon de Grote
Koning van Akkad (rond 2350 v.Chr.), stichter van het eerste wereldrijk in de
geschiedenis.
• Veroverde bijna heel Mesopotamië en delen van Syrië en Klein-Azië.
• Noemde zichzelf “koning der vier windstreken” (over heerschappij over de hele
wereld).
• Zijn rijk viel uiteen door opstanden en invallen.
Ziqqurat
Een trappentoren van meerdere verdiepingen, gebouwd in Mesopotamische
stadstaten.
• Functioneerde als tempelberg: woonplaats van de stads- of godstempel
bovenop.
• Symboliseerde de verbinding tussen hemel en aarde.
• Bekend voorbeeld: de Ziqqurat van Ur.
, H3: het tweede millennium v.Chr.
Middenrijk (Egypte)
Tweede bloeiperiode van Egypte, ca. 2000–1800 v.Chr. (12e dynastie).
• Hoofdstad: Thebe.
• Periode van herstel van eenheid en welvaart na een tijd van chaos.
• Kenmerken: bloei van literatuur, versterking van bestuur, uitbreiding naar Nubië.
Thebe
Belangrijke stad in zuidelijk Egypte, gelegen aan de Nijl.
• Hoofdstad tijdens het Middenrijk en later het Nieuwe Rijk.
• Centrum van de Amon-cultus (Amon-Ra).
• Rijke tempelstad met veel invloed van priesters.
Assyrië
Rijk in noordelijk Mesopotamië rond de stad Assur, later Nineve.
• Begon als handelsstaat (rond 2000 v.Chr.), later een militaire grootmacht.
• In de Midden-Assyrische periode (1600–1200 v.Chr.) groeide het uit tot een
sterke territoriale staat.
• Belangrijk: legde basis voor het latere Nieuw-Assyrische rijk.
Babylonië
Staat in zuidelijk Mesopotamië rond de stad Babylon.
• Bloeitijd: ca. 1800–1600 v.Chr. (Oud-Babylonische periode).
• Bekend door de koning Hammurabi.
• Wordt later overheerst door Kassieten (Midden-Babylonische periode).
Hammurabi
Koning van Babylon (18e eeuw v.Chr.).
• Bekend van het Wetboek van Hammurabi, een van de oudste wetverzamelingen
ter wereld.
• Regelde straf, handel, huwelijk en eigendom volgens het principe “oog om oog,
tand om tand”.
• Versterkte de centrale macht van Babylon.
Concert der mogendheden
Evenwicht van grootmachten in het Nabije Oosten, ca. 1600–1200 v.Chr.
• Betrokken rijken: Egypte, Hethieten, Assyrië, Babylonië, Mitanni.
• Periode van diplomatie, bondgenootschappen, en handelsuitwisseling.
• Bekend van de Amarna-brieven, correspondentie tussen koningen.