Yana Tulen
Risicotaxatie-instrument
Voor deze notitie heb ik gekozen om informatie te verzamelen over de “Child
pornography offender risk tool (CPORT)”. Dit risicotaxatie-instrument wordt gebruikt om
seksuele recidive te voorspellen (Helmus et al., 2023). De populatie van de CPORT bestaat uit
volwassen mannelijke delinquenten die zijn veroordeeld voor ten minste één type CSEM-
delict, wettelijk aangeduid als kinderpornografiedelict (Azizian et al., 2024). Er wordt hierbij
geen onderscheid gemaakt in het type delict, wel wordt er in de CPORT een vraag gesteld met
betrekking tot de voorkeur voor jongens of meisjes in het kinderpornografische materiaal. Dit
antwoord kan een voorkeur aantonen, wat vervolgens weer een eventueel onderscheid in het
type delict kan aantonen (Black, 2018). Vanwege verschillende redenen is het van belang dat
CSEM-delinquenten een specifiek risicotaxatie-instrument hebben. Zo is uit onderzoek
gebleken dat CSEM-delinquenten vaak andere demografische en psychologische kenmerken
hebben dan contactplegers. Daarnaast hebben CSEM-delinquenten over het algemeen lagere
seksuele recidivepercentages dan contactplegers (Helmus et al., 2023).
Hoe zit het instrument in elkaar?
Helmus et al. (2023) leggen uit dat de CPORT bestaat uit zeven dichotome items die
met “ja” of “nee” moeten worden beantwoord. De totale score kan dus variëren van 0 tot en
met 7. Vraag 1 gaat over de leeftijd op het moment van het delict, waarbij er gevraagd wordt
of iemand 35 jaar of jonger was. Jongere daders hebben over het algemeen een hoger recidive
risico, waardoor de CPORT mannen onder de 35 jaar beschouwt als hoger risico (Black,
2018). De tweede vraag kijkt naar de criminele geschiedenis van de dader. Dit is relevant,
omdat eerdere delicten (seksueel of niet-seksueel) een sterke voorspeller zijn voor toekomstig
crimineel gedrag (Black, 2018). Vraag 3 behandelt eerdere schending(en) van voorwaarden
van een voorwaardelijke vrijlating, wat ook wordt gezien als risicofactor voor recidive.
Daarnaast wordt er in vraag 4 gekeken naar eerder contact met seksuele delicten, waarbij
duidelijk wordt of een dader alleen interesse heeft in CSEM, of hierin ook verder is gegaan en
hierop heeft geacteerd. Vraag 5 gaat over een aanwijzing van seksuele interesse in kinderen;
denk hierbij aan een diagnose of bekentenis. Vraag 6 focust op de daadwerkelijke
kinderporno, of er meer sprake is van afbeeldingen van jongens of van meisjes. Meer content
van jongens wordt geassocieerd met een verhoogd recidiverisico (Seto & Eke, 2015). Ten
slotte gaat vraag 7 over of er meer afbeeldingen zijn gevonden van jongens of meisjes in
ander kindermateriaal (zie Tabel 1 voor een duidelijk overzicht van alle vragen). Ook bij