UU H&G Notities en
samenvatting
Deeltentamen 1 en 2
Deeltentamen 1
Mentale processen
Mentale processen: gedrag wordt door mentale processen bepaald.
We moeten meten om te weten; is het meetbaar? Door bv. Zweetreactie,
tranen kan je emotie meten
Waarneming. ‘Change blindness’
Helmholtz keek naar verschillen in gedrag bij een bijna dezelfde situatie
(teen/heup stimulatie reactietijd. Zenuwgeleiding kost tijd. 50m/s)
Donders keek ook naar verschillen in reactietijd pp. 2/4 letters 40ms per
letter.
Eric Kandel was nobelprijswinnaar Eric Kandel was nobelprijswinnaar
voor zijn onderzoek naar hersenverandering tijdens het leren.
Klassiek Conditioneren (‘tentamen vraag’)
Klassiek conditioneren is een vorm van leren waarbij een neutrale prikkel
(stimulus) wordt gekoppeld aan een betekenisvolle stimulus, zodat deze
na verloop van tijd dezelfde respons oproept. Dit principe werd ontdekt
door de Russische fysioloog Ivan Pavlov, die merkte dat honden gingen
kwijlen bij het horen van een bel als die herhaaldelijk samenklonk met het
aanbieden van voedsel. Het proces laat zien dat gedrag kan veranderen
wanneer een stimulus herhaaldelijk samenvalt met een bepaalde
gebeurtenis.
Operant/instrumenteel
Operant conditioneren is leren via beloning en straf: gedrag dat wordt
bekrachtigd (reinforcement) komt vaker voor, terwijl ongewenst gedrag
afneemt door straf. Het is een procedureel proces dat vooral draait om
vrijwillige handelingen en
het aanpassen van gedrag
op basis van de gevolgen.
Far transfer (studievraag):
Trainen in één soort taak
,zorgt er voor dat je beter wordt in een andere taak. Veel vaker niet
gevonden, twijfelachter. Meestal niet. Bv. idee dat je intelligenter wordt
door gamen. Leren!
Nature vs nurture
Leren=biologisch, Gedrag=psychologisch
Nurture=/psychologisch
Nurture= leren van omgevingsinvloeden
Hebben genen invloed op gedrag? Niet aan te tonen bij mensen. Bij
ziektes wel, dat staat al bij geboorte vast (bv huntington). Geen oorzakelijk
verband.
Mate van verband tussen genen en gedrag is wel aan te tonen. Soms is
het verband zo sterk dat de relatie onverbiddelijk lijkt.
Dna(gen) -> RNA -> Eiwit
Eiwitten: dienen de functie van (zenuwcellen): enzym, receptor,
boodschapper-stof
Huntington gen zit op chromosoom 4.
Genen x environment
Nature x nurture
Genen
De mens heeft 23 paar chromosomen. Bij de 23e heb je XX of XY.
o 22x autosomalen
o 1x geslachts
Y-chromosoom telt meer info dan gedacht
o XY hoeft niet direct voor man te zorgen, is alleen zo bij de mens.
Sex-linked. Op geslachtschromosomen (!) belangrijk
o Bv rood-groen kleurenblindheid
o LCR activeert aflezen twee(!) eerstvolgende genen.
o Rood groen groen
o Als rood kapot is wordt alleen groen groen afgelezen
o Komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.
Y bevat relatief zeer weinig info. Vrouwen hebben dubbel X
dus 0,5 kans.
o Als vrouw ben je pas kleurenblind als je beide ouders een kapot X-
gen hebben
Sex-limited genen (op de autosomale chromosomen)
o Beide geslachten hebben ze, niet speciaal mannelijk of vrouwelijk.
Hetzelfde.
, o In 1 geslacht komen ze tot expressie, bij de ander niet. Je geeft ze
wel door. Verklaart verschil tussen man en vrouw.
Bv testosteron
borstontwikkeling
Epigenetica bestudeert overerfbare veranderingen in genexpressie die
plaatsvinden zonder het DNA zelf te veranderen.
o Geen gerichte veranderingen in genen. Als je iets nieuws leert zal de
dna-code zich niet veranderen en dus ook niet doorgeven.
o Mannelijke fruitvliegen leren wanneer vrouwen niet ontvankelijk zijn
o In principe is de dna-code universeel
o De ervaring verandert het chromosoom wel. Het is geen permanente
verandering, wel langduring. Je geeft het vrijwel niet door. Grootste
deel wordt gestript zodat het kind op 0 begint.
o Dit is geen mutatie, dit is epigenetica. Veranderd de expressie.
o Methyl en acethyl zijn belangrijkste mechanismen epigenetica.
Evolutie
o Grootste deel mutatie is slecht of neutraal en doet niks
o Klein deel mutatie zorgt voor verbeteringen in functioneren
organisme.
o Mutaties zijn niet doelgericht, geheel random.
o Onze aapachtige voorouders zijn ergens gescheiden waarbij de soort
langzaam naar de mens veranderde.
o Bepaalde hersengebieden van de mens zie je ook bij andere
diersoorten terug.
Muizen delen 85%
Wormen 40%
Druiven 25%
o Soms kunnen kleine dna-veranderingen zorgen voor grote
veranderingen in eigenschappen.
Van zenuwcel naar zien en bewegen
Fases
- Van het oog naar de hersenen
- Rustpotentiaal
- Depolarisatie
- Hoe meet je het?
- Actiepotentiaal- van zien naar bewegen
Kunnen zien
- Ogen- thalamus (A, middenste deel)- Visuele cortex (B, Achterste
deel)
samenvatting
Deeltentamen 1 en 2
Deeltentamen 1
Mentale processen
Mentale processen: gedrag wordt door mentale processen bepaald.
We moeten meten om te weten; is het meetbaar? Door bv. Zweetreactie,
tranen kan je emotie meten
Waarneming. ‘Change blindness’
Helmholtz keek naar verschillen in gedrag bij een bijna dezelfde situatie
(teen/heup stimulatie reactietijd. Zenuwgeleiding kost tijd. 50m/s)
Donders keek ook naar verschillen in reactietijd pp. 2/4 letters 40ms per
letter.
Eric Kandel was nobelprijswinnaar Eric Kandel was nobelprijswinnaar
voor zijn onderzoek naar hersenverandering tijdens het leren.
Klassiek Conditioneren (‘tentamen vraag’)
Klassiek conditioneren is een vorm van leren waarbij een neutrale prikkel
(stimulus) wordt gekoppeld aan een betekenisvolle stimulus, zodat deze
na verloop van tijd dezelfde respons oproept. Dit principe werd ontdekt
door de Russische fysioloog Ivan Pavlov, die merkte dat honden gingen
kwijlen bij het horen van een bel als die herhaaldelijk samenklonk met het
aanbieden van voedsel. Het proces laat zien dat gedrag kan veranderen
wanneer een stimulus herhaaldelijk samenvalt met een bepaalde
gebeurtenis.
Operant/instrumenteel
Operant conditioneren is leren via beloning en straf: gedrag dat wordt
bekrachtigd (reinforcement) komt vaker voor, terwijl ongewenst gedrag
afneemt door straf. Het is een procedureel proces dat vooral draait om
vrijwillige handelingen en
het aanpassen van gedrag
op basis van de gevolgen.
Far transfer (studievraag):
Trainen in één soort taak
,zorgt er voor dat je beter wordt in een andere taak. Veel vaker niet
gevonden, twijfelachter. Meestal niet. Bv. idee dat je intelligenter wordt
door gamen. Leren!
Nature vs nurture
Leren=biologisch, Gedrag=psychologisch
Nurture=/psychologisch
Nurture= leren van omgevingsinvloeden
Hebben genen invloed op gedrag? Niet aan te tonen bij mensen. Bij
ziektes wel, dat staat al bij geboorte vast (bv huntington). Geen oorzakelijk
verband.
Mate van verband tussen genen en gedrag is wel aan te tonen. Soms is
het verband zo sterk dat de relatie onverbiddelijk lijkt.
Dna(gen) -> RNA -> Eiwit
Eiwitten: dienen de functie van (zenuwcellen): enzym, receptor,
boodschapper-stof
Huntington gen zit op chromosoom 4.
Genen x environment
Nature x nurture
Genen
De mens heeft 23 paar chromosomen. Bij de 23e heb je XX of XY.
o 22x autosomalen
o 1x geslachts
Y-chromosoom telt meer info dan gedacht
o XY hoeft niet direct voor man te zorgen, is alleen zo bij de mens.
Sex-linked. Op geslachtschromosomen (!) belangrijk
o Bv rood-groen kleurenblindheid
o LCR activeert aflezen twee(!) eerstvolgende genen.
o Rood groen groen
o Als rood kapot is wordt alleen groen groen afgelezen
o Komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen.
Y bevat relatief zeer weinig info. Vrouwen hebben dubbel X
dus 0,5 kans.
o Als vrouw ben je pas kleurenblind als je beide ouders een kapot X-
gen hebben
Sex-limited genen (op de autosomale chromosomen)
o Beide geslachten hebben ze, niet speciaal mannelijk of vrouwelijk.
Hetzelfde.
, o In 1 geslacht komen ze tot expressie, bij de ander niet. Je geeft ze
wel door. Verklaart verschil tussen man en vrouw.
Bv testosteron
borstontwikkeling
Epigenetica bestudeert overerfbare veranderingen in genexpressie die
plaatsvinden zonder het DNA zelf te veranderen.
o Geen gerichte veranderingen in genen. Als je iets nieuws leert zal de
dna-code zich niet veranderen en dus ook niet doorgeven.
o Mannelijke fruitvliegen leren wanneer vrouwen niet ontvankelijk zijn
o In principe is de dna-code universeel
o De ervaring verandert het chromosoom wel. Het is geen permanente
verandering, wel langduring. Je geeft het vrijwel niet door. Grootste
deel wordt gestript zodat het kind op 0 begint.
o Dit is geen mutatie, dit is epigenetica. Veranderd de expressie.
o Methyl en acethyl zijn belangrijkste mechanismen epigenetica.
Evolutie
o Grootste deel mutatie is slecht of neutraal en doet niks
o Klein deel mutatie zorgt voor verbeteringen in functioneren
organisme.
o Mutaties zijn niet doelgericht, geheel random.
o Onze aapachtige voorouders zijn ergens gescheiden waarbij de soort
langzaam naar de mens veranderde.
o Bepaalde hersengebieden van de mens zie je ook bij andere
diersoorten terug.
Muizen delen 85%
Wormen 40%
Druiven 25%
o Soms kunnen kleine dna-veranderingen zorgen voor grote
veranderingen in eigenschappen.
Van zenuwcel naar zien en bewegen
Fases
- Van het oog naar de hersenen
- Rustpotentiaal
- Depolarisatie
- Hoe meet je het?
- Actiepotentiaal- van zien naar bewegen
Kunnen zien
- Ogen- thalamus (A, middenste deel)- Visuele cortex (B, Achterste
deel)