Lijstjes parasito
1. Wat zijn de parasitaire oorzaken van koliek bij het paard? Geef ook de behandeling.
Anoplocephala perfoliata, dit is een lintworm die zich op ileocecale klep vestigt en
zorgt voor functieverlies wat leidt tot een darminvaginatie met als gevolg koliek.
Cyclus: proglottiden worden afgescheiden via de mest. Er kunnen eitjes worden
aangetroffen in de mest indien de proglottiden openscheuren. Eitjes hebben een
piriform apparaat (chitine uitstulping) species-specifiek. De eitjes worden
vervolgens opgenomen door de humusmijt (oribatide mijt) die voorkomen in de
humusrijke bodem. In de humusmijt wordt er cysticeroïd gevormd. De humusmijt
met cysticercoïd wordt door het paard opgenomen. Bijvoorbeeld door grazen. In
de darm van het paard ontwikkelt de cysticercoïd tot een adulte lintworm. Deze
adulte lintworm gaat weer eitjes en proglottiden produceren die dan weer via de
mest in de omgeving komen. Zo is de cirkel weer rond.
Er is geen leeftijdsimmuniteit. Er is een opstapeling van de wormen nodig voordat
je symptomen ziet, dus vandaar dat het vaker bij oudere paarden wordt gezien.
Behandeling met PRAZIQUANTEL
(Er is ook nog Anoplocephala magna bij het paard, maar deze worm zit in het
distale deel van de dunne darm en veroorzaakt geen koliek)
Strongylus vulgaris : bij veulens op einde van het 1e weideseizoen en jaarlingen na
de winter
Eitjes van Strongylus vulgaris ontwikkelen niet in de winter, er dan beperkte
overleving op de weide (zitten bijv in paardendrol). De prepatente fase is 6/7
maanden.
Cyclus: het paard neemt L3 larven op door het grazen larven gaan naar de
dunne darm waarna ze migreren naar de submucosa van de dikke darm hier
vindt vervelling tot L4 plaats vanaf 1 maand zitten de larven thv a. mesenterica
cranialis vanaf 4 maanden zitten ze op het endotheel en gaan woekeren
waardoor er een aneurisma kan ontstaan larven gaan dan vervellen tot L5 in
de mucosa van de dikke darm vanaf 6/7 maanden gaan ze naar het dikke darm
lumen om daar adult te worden en weer eitjes te produceren.
Aangezien een paard niet graast bij haar mest hebben de L3 larven translatie
nodig om weer een volgend paard te kunnen infecteren. Dit is er in 2 vormen:
actief (kost energie en is daarom beperkt) of passief (larven worden
meegenomen naar een andere plek door bijv een stortbui of via mestkevers).
In een droge lente is er harde mest waardoor de translatie wordt vertraagd
lage infectiedruk aan het begin van het seizoen + timing van de pathologie zal
verlaten.
In een vochtige lente gaat de infectiedruk omhoog doordat er makkelijke
translatie is waardoor dus ook de pathologie eerder zal zijn.
Symptomen van S. vulgaris:
Vanaf 1-4 maanden krijg je enteritis (met ulcers door plug-feeding) met kans op
een aneurisma (anoxie in de darm geeft contractie en invaginatie). Vanaf 4
maanden krijg je koliek (door thrombi in mesenteriale bloedvaten en toxische
, producten van de larven zelf) en na 9 maanden is de arterie volledig hersteld.
Hiernaast zie je ook koorts, anorexie en vermagering.
Kleine strongyliden zijn histiofaag, komen vnl voor bij jonge paarden, hebben
prepatente fase van 2-3 maanden, pathologie door knobbelvorming in de
darmwand en reactiverende larven en hebben hetzelfde biotoop als de grote
strongyliden.
Wintercyathostominosis: door reactiverende larven in maart/juni; vermagering,
doffe vacht en diarree.
Zomercyathostominosis: door adulten in de darm in sept/okt
late zomer: aug/sep --> hoge infectiedruk van de grote strongyliden en kleine
strongyliden zijn dan met veel --> hoge infectiedruk op zelfde moment. Dus dan is
er koliek door zowel grote als kleine strongyliden.
Behandeling: Op einde van het seizoen behandelen met IVERMECTINE dit is dan
actief op de adulten populatie van de grote strongyliden en op de hypobiotische
larven van de kleine strongyliden paard een beetje opkuisen.
Parascaris equorum : koliek bij zeer jonge veulens die nog niet op de weide zijn
geweest, is bijna een stalprobleem. Spoelwormen worden gekend door hun zeer
resistente eitjes, ze bevatten namelijk een lipide laag en de wand is erg dik
waardoor ze zelfs weerstandig zijn aan uitdroging. Dit is ook de reden dat je de
eitjes overal kan aantreffen.
Cyclus: Parascaris equorum komt voor in de dunne darm bij het veulen door
opname van eitjes met L2 larven. Vanuit de darm gaan de L2 larven via het
portaalstelsel naar de lever hierna migreren ze naar het rechter hart komen
ze in a. pulmonalis longen alveolen doorboren via het mucocilliair apparaat
naar de mondholte. Hier worden ze weer ingeslikt en komen ze weer in de darm
terecht.
Er is geen paratenische gastheer. Wel is er zeer sterke leeftijdsimmuniteit vanaf 6
maanden, er is daarom een patente infectie bij het veulen. Er is veulen-op-veulen
transmissie eitjes van veulens uit jaar 1 zijn bron van besmetting voor veulens
van het jaar erop. Deze veulen-op-veulen transmissie komt dus door de sterke
leeftijdsimmuniteit en door de hoge weerstand van de eitjes. Kenmerkend voor
de spoelwormen is dat ze met veel zijn, dit kan een obstructie geven van de darm
wat dus kan leiden tot koliek. Hiernaast kan er zelfs een darmperforatie optreden
met acute peritonitis en zelfs shock en sterfte tot gevolg.
Behandeling: regelmatig behandelen met BENZIMIDAZOLE + mestballen
verwijderen uit de weide. Hiernaast kan de diagnose worden gesteld met behulp
van flotatie doordat de eitjes de infectieuze L2 larven bevatten.
2. Noem de typische parasieten bij de duif
1. Wat zijn de parasitaire oorzaken van koliek bij het paard? Geef ook de behandeling.
Anoplocephala perfoliata, dit is een lintworm die zich op ileocecale klep vestigt en
zorgt voor functieverlies wat leidt tot een darminvaginatie met als gevolg koliek.
Cyclus: proglottiden worden afgescheiden via de mest. Er kunnen eitjes worden
aangetroffen in de mest indien de proglottiden openscheuren. Eitjes hebben een
piriform apparaat (chitine uitstulping) species-specifiek. De eitjes worden
vervolgens opgenomen door de humusmijt (oribatide mijt) die voorkomen in de
humusrijke bodem. In de humusmijt wordt er cysticeroïd gevormd. De humusmijt
met cysticercoïd wordt door het paard opgenomen. Bijvoorbeeld door grazen. In
de darm van het paard ontwikkelt de cysticercoïd tot een adulte lintworm. Deze
adulte lintworm gaat weer eitjes en proglottiden produceren die dan weer via de
mest in de omgeving komen. Zo is de cirkel weer rond.
Er is geen leeftijdsimmuniteit. Er is een opstapeling van de wormen nodig voordat
je symptomen ziet, dus vandaar dat het vaker bij oudere paarden wordt gezien.
Behandeling met PRAZIQUANTEL
(Er is ook nog Anoplocephala magna bij het paard, maar deze worm zit in het
distale deel van de dunne darm en veroorzaakt geen koliek)
Strongylus vulgaris : bij veulens op einde van het 1e weideseizoen en jaarlingen na
de winter
Eitjes van Strongylus vulgaris ontwikkelen niet in de winter, er dan beperkte
overleving op de weide (zitten bijv in paardendrol). De prepatente fase is 6/7
maanden.
Cyclus: het paard neemt L3 larven op door het grazen larven gaan naar de
dunne darm waarna ze migreren naar de submucosa van de dikke darm hier
vindt vervelling tot L4 plaats vanaf 1 maand zitten de larven thv a. mesenterica
cranialis vanaf 4 maanden zitten ze op het endotheel en gaan woekeren
waardoor er een aneurisma kan ontstaan larven gaan dan vervellen tot L5 in
de mucosa van de dikke darm vanaf 6/7 maanden gaan ze naar het dikke darm
lumen om daar adult te worden en weer eitjes te produceren.
Aangezien een paard niet graast bij haar mest hebben de L3 larven translatie
nodig om weer een volgend paard te kunnen infecteren. Dit is er in 2 vormen:
actief (kost energie en is daarom beperkt) of passief (larven worden
meegenomen naar een andere plek door bijv een stortbui of via mestkevers).
In een droge lente is er harde mest waardoor de translatie wordt vertraagd
lage infectiedruk aan het begin van het seizoen + timing van de pathologie zal
verlaten.
In een vochtige lente gaat de infectiedruk omhoog doordat er makkelijke
translatie is waardoor dus ook de pathologie eerder zal zijn.
Symptomen van S. vulgaris:
Vanaf 1-4 maanden krijg je enteritis (met ulcers door plug-feeding) met kans op
een aneurisma (anoxie in de darm geeft contractie en invaginatie). Vanaf 4
maanden krijg je koliek (door thrombi in mesenteriale bloedvaten en toxische
, producten van de larven zelf) en na 9 maanden is de arterie volledig hersteld.
Hiernaast zie je ook koorts, anorexie en vermagering.
Kleine strongyliden zijn histiofaag, komen vnl voor bij jonge paarden, hebben
prepatente fase van 2-3 maanden, pathologie door knobbelvorming in de
darmwand en reactiverende larven en hebben hetzelfde biotoop als de grote
strongyliden.
Wintercyathostominosis: door reactiverende larven in maart/juni; vermagering,
doffe vacht en diarree.
Zomercyathostominosis: door adulten in de darm in sept/okt
late zomer: aug/sep --> hoge infectiedruk van de grote strongyliden en kleine
strongyliden zijn dan met veel --> hoge infectiedruk op zelfde moment. Dus dan is
er koliek door zowel grote als kleine strongyliden.
Behandeling: Op einde van het seizoen behandelen met IVERMECTINE dit is dan
actief op de adulten populatie van de grote strongyliden en op de hypobiotische
larven van de kleine strongyliden paard een beetje opkuisen.
Parascaris equorum : koliek bij zeer jonge veulens die nog niet op de weide zijn
geweest, is bijna een stalprobleem. Spoelwormen worden gekend door hun zeer
resistente eitjes, ze bevatten namelijk een lipide laag en de wand is erg dik
waardoor ze zelfs weerstandig zijn aan uitdroging. Dit is ook de reden dat je de
eitjes overal kan aantreffen.
Cyclus: Parascaris equorum komt voor in de dunne darm bij het veulen door
opname van eitjes met L2 larven. Vanuit de darm gaan de L2 larven via het
portaalstelsel naar de lever hierna migreren ze naar het rechter hart komen
ze in a. pulmonalis longen alveolen doorboren via het mucocilliair apparaat
naar de mondholte. Hier worden ze weer ingeslikt en komen ze weer in de darm
terecht.
Er is geen paratenische gastheer. Wel is er zeer sterke leeftijdsimmuniteit vanaf 6
maanden, er is daarom een patente infectie bij het veulen. Er is veulen-op-veulen
transmissie eitjes van veulens uit jaar 1 zijn bron van besmetting voor veulens
van het jaar erop. Deze veulen-op-veulen transmissie komt dus door de sterke
leeftijdsimmuniteit en door de hoge weerstand van de eitjes. Kenmerkend voor
de spoelwormen is dat ze met veel zijn, dit kan een obstructie geven van de darm
wat dus kan leiden tot koliek. Hiernaast kan er zelfs een darmperforatie optreden
met acute peritonitis en zelfs shock en sterfte tot gevolg.
Behandeling: regelmatig behandelen met BENZIMIDAZOLE + mestballen
verwijderen uit de weide. Hiernaast kan de diagnose worden gesteld met behulp
van flotatie doordat de eitjes de infectieuze L2 larven bevatten.
2. Noem de typische parasieten bij de duif