, Toetsdoel 1 - Gaswisseling
Martini 15.3.3
Gaswisseling in de longen vindt plaats door het respiratorische membraan van de alveoli. Dit
membraan bestaat uit: 1. Een alveolair epitheel van de alveolus
2. Een endotheel laag van het capillair
3. De basale lamina van het capillair en de alveolus
Martini 15.3.3
Diffusie door het respiratorische membraan vindt snel plaats door
1. De kleine afstand met het bloed en doordat
2. Zowel zuurstof- als koolstofdioxide moleculen klein en in vet oplosbaar zijn.
De oppervlakten van het respiratorische membraan krijgen gedeoxygeneerd bloed vanuit de
arteriën van de kleine bloedsomloop. De aa. pulmonales komen de longen binnen, vertakken en
volgen de bronchiën en hun vertakkingen naar de longtrechtertjes.
Elk longtrechtertje heeft een arteriole en elk is omgeven door een netwerk van capillairen dat
direct onder het epitheel van het respiratorische membraan ligt. Nadat de gaswisseling doormiddel
van diffusie heeft plaatsgevonden, passeert geoxygeneerd bloed de pulmonaire venules en
vervolgens de pulmonaire venen.
Martini 15.6
De snelheid van gaswisseling wordt bepaald door de partiële druk van de betrokken gassen en de
diffusie van moleculen tussen een gas en een vloeistof.
Martini 15.6.1
De lucht die we inademen bestaat uit een mengsel van gassen. Stikstofmoleculen (N2) zijn het
talrijkst en vormen circa 78,6% van de gasmoleculen in de atmosfeer. Zuurstof-moleculen (O2)
vormen ongeveer 20,9% van de atmosfeer. Het grootste deel van de overgebleven 0,5% bestaat uit
waterstofmoleculen, waarbij koolstofdioxide (CO2) slechts 0,04% bijdraagt. De atmosferische druk
op zeeniveau bedraagt ongeveer 760 mmHg. De bijdrage van elk van de gassen in de lucht is recht
evenredig met de concentratie van het gas. De druk die door één gas wordt uitgeoefend, noem je
de partiële druk (P).
pN2 + pO2 + pH2O + pCO2 = 760 mmHg
Lucht Stikstof, N2 Zuurstof, O2 Waterdamp, H2O Koolstofdioxide, CO2
Ingeademde lucht (droog) 597 (78,6%) 159 (20,9%) 3,7 (0,5%) 0,3 (0.04%)
Lucht alveoli (verzadigd) 573 (75,4%) 100 (13,2%) 47 (6,2%) 40 (5,2%)
Uitgeademde lucht (verzadigd) 569 (74,8%) 116 (15,3%) 47 (6,2%) 28 (3,7%)
Tabel 1: Partiële druk (mmHg) en normale gasconcentratie in de lucht
Martini 15.6.3
Het zuurstofarme bloed dat door de aa. pulmonales wordt vervoerd, heeft een lagere pO2 en een
hogere pCO2 dan de alveolaire lucht. Als gevolg van diffusie tussen de alveolaire lucht en de
alveolaire capillairen stijgt de pO2 van het bloed en daalt de pCO2.
Onder normale omstandigheden heeft de interstitiële vloeistof een pO2 van 40 mmHg en een pCO2
van 45 mmHg. Daardoor diffundeert zuurstof uit de capillairen en koolstof diffundeert naar binnen
totdat de partiële druk van elk van deze gassen in de capillairen gelijk is aan die in de
aangrenzende weefsels (zie figuur 2).
, Martini 15.4
Interne respiratie; de uitwisseling van gassen tussen bloed en lichaamsweefsels
De opname van zuurstof en de afgifte van koolstofdioxide door cellen.
Externe respiratie; de uitwisseling van gassen in de longen
Alle processen die zijn betrokken bij de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen
interstitiële vloeistoffen van het lichaam en het externe milieu.
1. Longventilatie is de fysieke verplaatsing van lucht in en uit de longen.
2. gaswisseling gaat door op twee plaatsen:
a. Over het respiratorische membraan tussen de luchtruimten in de alveoli en de
alveolaire capillairen;
b. Over de wanden van de capillairen tussen bloed en weefsels in het lichaam
3. Transport van zuurstof en koolstofdioxide gaat door tussen de longcapillairen en de capillaire
netten in andere weefsels
Martini 15.3.3
Gaswisseling in de longen vindt plaats door het respiratorische membraan van de alveoli. Dit
membraan bestaat uit: 1. Een alveolair epitheel van de alveolus
2. Een endotheel laag van het capillair
3. De basale lamina van het capillair en de alveolus
Martini 15.3.3
Diffusie door het respiratorische membraan vindt snel plaats door
1. De kleine afstand met het bloed en doordat
2. Zowel zuurstof- als koolstofdioxide moleculen klein en in vet oplosbaar zijn.
De oppervlakten van het respiratorische membraan krijgen gedeoxygeneerd bloed vanuit de
arteriën van de kleine bloedsomloop. De aa. pulmonales komen de longen binnen, vertakken en
volgen de bronchiën en hun vertakkingen naar de longtrechtertjes.
Elk longtrechtertje heeft een arteriole en elk is omgeven door een netwerk van capillairen dat
direct onder het epitheel van het respiratorische membraan ligt. Nadat de gaswisseling doormiddel
van diffusie heeft plaatsgevonden, passeert geoxygeneerd bloed de pulmonaire venules en
vervolgens de pulmonaire venen.
Martini 15.6
De snelheid van gaswisseling wordt bepaald door de partiële druk van de betrokken gassen en de
diffusie van moleculen tussen een gas en een vloeistof.
Martini 15.6.1
De lucht die we inademen bestaat uit een mengsel van gassen. Stikstofmoleculen (N2) zijn het
talrijkst en vormen circa 78,6% van de gasmoleculen in de atmosfeer. Zuurstof-moleculen (O2)
vormen ongeveer 20,9% van de atmosfeer. Het grootste deel van de overgebleven 0,5% bestaat uit
waterstofmoleculen, waarbij koolstofdioxide (CO2) slechts 0,04% bijdraagt. De atmosferische druk
op zeeniveau bedraagt ongeveer 760 mmHg. De bijdrage van elk van de gassen in de lucht is recht
evenredig met de concentratie van het gas. De druk die door één gas wordt uitgeoefend, noem je
de partiële druk (P).
pN2 + pO2 + pH2O + pCO2 = 760 mmHg
Lucht Stikstof, N2 Zuurstof, O2 Waterdamp, H2O Koolstofdioxide, CO2
Ingeademde lucht (droog) 597 (78,6%) 159 (20,9%) 3,7 (0,5%) 0,3 (0.04%)
Lucht alveoli (verzadigd) 573 (75,4%) 100 (13,2%) 47 (6,2%) 40 (5,2%)
Uitgeademde lucht (verzadigd) 569 (74,8%) 116 (15,3%) 47 (6,2%) 28 (3,7%)
Tabel 1: Partiële druk (mmHg) en normale gasconcentratie in de lucht
Martini 15.6.3
Het zuurstofarme bloed dat door de aa. pulmonales wordt vervoerd, heeft een lagere pO2 en een
hogere pCO2 dan de alveolaire lucht. Als gevolg van diffusie tussen de alveolaire lucht en de
alveolaire capillairen stijgt de pO2 van het bloed en daalt de pCO2.
Onder normale omstandigheden heeft de interstitiële vloeistof een pO2 van 40 mmHg en een pCO2
van 45 mmHg. Daardoor diffundeert zuurstof uit de capillairen en koolstof diffundeert naar binnen
totdat de partiële druk van elk van deze gassen in de capillairen gelijk is aan die in de
aangrenzende weefsels (zie figuur 2).
, Martini 15.4
Interne respiratie; de uitwisseling van gassen tussen bloed en lichaamsweefsels
De opname van zuurstof en de afgifte van koolstofdioxide door cellen.
Externe respiratie; de uitwisseling van gassen in de longen
Alle processen die zijn betrokken bij de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide tussen
interstitiële vloeistoffen van het lichaam en het externe milieu.
1. Longventilatie is de fysieke verplaatsing van lucht in en uit de longen.
2. gaswisseling gaat door op twee plaatsen:
a. Over het respiratorische membraan tussen de luchtruimten in de alveoli en de
alveolaire capillairen;
b. Over de wanden van de capillairen tussen bloed en weefsels in het lichaam
3. Transport van zuurstof en koolstofdioxide gaat door tussen de longcapillairen en de capillaire
netten in andere weefsels