Vraag 1: Welke van de onderstaande bronnen heeft in Nederland de
hoogste rangrode?
A. Gewoonterecht
B. Grondwet
C. Eu-verordening
D. Wet in formele zin
Vraag 2: Wat is een voorbeeld van een ongeschreven staatsrecht?
A. Het discriminatieverbod in art. 1 GW.
B. Het gebruik van de Troonrede op Prinsjesdag.
C. De benoeming van minsisters in het Staatsblad.
D. Het kiesrecht in art. 4 GW.
Vraag 3: De regering besluit om nieuwe procedure te gebruiken bij
kabinetsformatie. Er is geen wet die dit regelt. Mag dat?
A. Ja, want formaties zijn ongeschreven staatsrecht en kunnen door
gewoonte worden aangepast.
B. Nee, want het moet in de Grondwet staan.
C. Nee, want alleen de Koning mag de procedure bepalen.
D. Ja, maar alleen als de Raad van State het goedkeurt.
Vraag 4: Wat is het object van de staat?
A. De burgers
B. Het grondgebied en de bevolking.
C. De wetgevende macht
D. De rechterlijke macht
Vraag 5: Welke van de onderstaande kenmerken is een belangrijk kenmerk
van de moderne staat?
A. Volledige vrijheid van burgers zonder regels
B. Soeverein gezag over het eigen grondgebied
C. Onbeperkte macht van de koning
D. Geen internationale verplichtingen
Vraag 6: Een nieuw land wil zichzelf als staat erkennen. Welke criteria
moet het minimaal voldoen?
A. Een koning, een parlement en een grondwet
B. Een permanente bevolking, een grondgebied, een regering en
vermogen om internationale betrekkingen aan te gaan
C. Lidmaatschap van de VN
D. Vrijemarkteconomie
Vraag 7: Wat is het belangrijkste kenmerk van een rechtstaat?
A. Vrijheid van meningsuiting
B. Het hebben van een grondwet
C. De overheid is gebonden aan het recht
D. Er is een parlement
,Vraag 8: Welke van de onderstaande is geen kenmerk van een rechtstaat?
A. Scheiding der machten
B. Legaliteitsbeginsel
C. Onafhankelijke rechtspraak
D. Absolute macht van de regering
Vraag 9: De politie sluit een huis zonder rechterlijke toestemming. Welke
rechtsbeginsel wordt hiermee geschonden?
A. Legaliteitsbeginsel
B. Democratisch beginsel
C. Soevereiniteitsbeginsel
D. Regeerbaarheid
Vraag 10: Wat is een kenmerk van een representatieve democratie?
A. Burgers stemmen direct over alle wetten
B. Burgers kiezen vertegenwoordigers die beslissingen nemen
C. Er is geen grondwet nodig
D. Alleen de Koning beslist
Vraag 11: Welke van de onderstaande opties bevordert directe
democratie?
A. Raad van State
B. Referendum
C. Kiesdrempel
D. Ministerraad
Vraag 12: De Tweede Kamer stelt een wet vast, maar een groep burgers
start een initiatiefwetprocedure. Welke vorm van democratie is hier
relevant?
A. Representatief
B. Direct
C. Constitutioneel
D. Parlementair
Vraag 13: Wat is het primaire doel van grondrechten?
A. Burgers beperken in hun vrijheid
B. Overheid en burgers beschermen tegen willekeur
C. Alleen regels voor overheid creëren
D. Politieke partijen
Vraag 14: Welke van de volgende grondrechten is een klassiek
grondrecht?
A. Recht op onderwijs
B. Recht op gezondheidszorg
C. Recht op sociale voorzieningen
D. Vrijheid van meningsuiting
Vraag 15: De overheid wil een demonstratie verbieden zonder wettelijke
grondslag. Welke grondrecht wordt hierdoor mogelijk geschonden?
, A. Vrijheid van meningsuiting en vergadering
B. Recht op sociale voorzieningen
C. Recht op werk
D. Vrijheid van onderwijs
Vraag 16: Wat is een belangrijk kenmerk van internationaal recht?
A. Het is alleen intern van toepassing
B. Het is niet bindend
C. Het regelt verhoudingen tussen staten en internationale organisaties
D. Het vervangt nationale wetgeving altijd
Vraag 17: Wat is een voorbeeld van een internationale organisatie met
wetgevende bevoegdheid?
A. Europese Unie
B. Verenigde Naties
C. Raad van Europa
D. NAVO
Vraag 18: Nederland ondertekent een verdrag dat strijdig is met een
bestaande nationale wet. Wat geldt volgens de Nederlandse grondwet?
A. Het nationale recht gaat altijd voor
B. Verdragen hebben voorrang boven wetten (art. 94 GW)
C. Alleen EU-verdragen hebben voorrang
D. De rechter mag dit negeren
Vraag 19: Welke rol speelt de regering bij het sluiten van verdragen?
A. Ze kan verdragen eenzijdig afdwingen
B. Alleen de Tweede Kamer sluit verdragen
C. Ze kan geen verdragen sluiten
D. Ze sluit verdragen en legt ze voor aan de Staten-Generaal
Vraag 20: Wat is de invloed van internationale verdragen op Nederlandse
grondrechten?
A. Geen invloed
B. Ze kunnen aanvullende of sterkere bescherming bieden
C. Ze vervangen automatisch de Grondwet
D. Ze gelden alleen voor internationale instellingen
Vraag 21: Een Europees Hof besluit dat een Nederlandse wet in strijd is
met het EVRM. Wat kan de Nederlandse rechter doen?
A. De wet niet toepassen
B. De wet veranderen zonder parlementaire instemming
C. Het oordeel negeren
D. De minister-president vervangen
Vraag 22: Wat is het primaire doel van de Grondwet?
A. Burgers beperken
B. Politieke partijen controleren
C. Alleen wetten vastleggen