Samenvatting pedagogiek, periode 1
Pedagogiek: nadenken over opvoedkundige kwesties.
Professioneel pedagoog: Je wordt geacht een speciaal soort expertise te hebben waaraan je
gezag ontleent (je mag advies geven), maar je dient ook te kunnen verantwoorden waar je je
oordeel op baseert.
3 niveaus van opvoeding:
1. Niveau praktijk: het handelen (van de opvoeder) in een opvoedingssituatie; gedrag
dat kinderen en opvoeders vertonen in de praktijk (handeling)
2. Niveau theorie: toepassen en ontwikkelen van (wetenschap)theorie: je
uitleg/wetenschappelijke kennis.
3. Niveau visie: pedagogische visie, opvattingen over opvoeding en ontwikkeling; wat je
ervan vindt/ je idee erbij/ persoonlijke kijk
Elementen van een pedagogische visie:
- Kindbeeld: opvattingen van de opvoeder over wat een kind is/ nodig heeft/ kan/
wil/ doet/ voelt/ hoe het zich ontwikkelt...
- Opvoedingsdoelen: datgene wat opvoeders nastreven/ willen bereiken met de
opvoeding (bv. Zelfstandigheid, ontplooiing, identiteitsontwikkeling)
- Opvoedingsmiddelen: datgene wat de opvoeder (concreet) inzet om de doelen
te behalen (bv. Straffen, belonen, praten, toneel)
- Voorwaarden (bv. Veiligheid, uitdaging, authenticiteit)
De cultuurhistorische context (CHC): de cultuur, de plaats en de tijd waarin iemand
opgevoed wordt. De context van de opvoeding is in de loop van de jaren flink veranderd.
De cultuurhistorisch context van het gezin:
- Kindbeeld: volwassenen in klein formaat (kinderen die te snel volwassen moeten
worden, geld binnen halen)
- Opvoedingsdoel: aanpassing (aanpassen aan alles) en ontplooiing (doen wat het
kind zelf wil)
- De rol van de overheid in de gezinsopvoeding (bv, bij mishandling, grijpt de overheid
in)
- Onderhandelingshuishouden (kinderen hebben iets te zeggen, nieuwe manier van
leven en van opvoeden)
- Jeugdland (kindvriendelijke wereld) (geen tv’s, geen criminaliteit, geen seksualiteit)
= leefwereld van kinderen, onbezorgd met veel speelgelegenheid, waar ze
ongestoord kunnen ontwikkelen tot volwassenen.
Cultuur pedagogische kwestie:
Wat wil je je kinderen leren uit de cultuur
- Wat willen we in de opvoeding meegeven als het gaat om omgeving?
- Hoe gaan we dat dan doen? En wie? Waar, wanneer en waarom?
- Bijvoorbeeld: Hoelang mag een kind per dag op de IPad?
, Omgang (een menselijke band) is noodzakelijk
1. Een affectieve band (exploratie en ontwikkeling)
2. Wederkerigheid (opvoeden als coproductie)
3. Inleiden in betekenissen (cultuur)
Opvoeden kun je leren! Slechte opvoeding= misbruik/verwaarlozing
IVRK: Internationaal verdrag van de Rechten van het kind, doel van de IVRK:
zelfredzaamheid en betrokkenheid vergroten. (Niveau van theorie)
3 P’s:
- Protection (bescherming)
- Participation (toewijding)
- Provision (bepalend)
Opvoedingsstijlen (Opvoeden is kinderen steun en weerstand bieden zodat zij
evenwichtige en vrije volwassenen kunnen worden)
- Opvoedingsbeeld: bijvoorbeeld
leider/voorbeeld/beschermer/vriend/gesprekspartner
- Opvoedingsstijl: de manier waarop de opvoeder invulling geeft aan de omgang met
het kind
- Gedrag van opvoeders op twee dimensies:
• (Mate van) betrokkenheid
• (Mate van) controle
Veel betrokkenheid Weinig betrokkenheid
Veel controle Autoritatief Autoritair
Weinig controle Toegeeflijk (permissief) Verwaarlozend
Verschillen tussen de opvoeding van vroeger en van nu (CHC):
Vroeger:
- Bevelshuishouding moeder zorgend, vader werkend
- Trouwen
- Geen multiculturele samenleving
Nu:
- Van bevel naar onderhandeling allebei werken en zorgend
- Trouwen is niet vanzelfsprekend
- Multicultureel
- Verschillende samenstellingen gezinnen
Intentioneel opvoeden: iets doen om iets te bereiken. Dus je wilt kinderen iets leren dus je
hebt een plan over hoe je dat gaat doen
Socialisatie: Kinderen leren door mee te doen met een groep
Pedagogiek: nadenken over opvoedkundige kwesties.
Professioneel pedagoog: Je wordt geacht een speciaal soort expertise te hebben waaraan je
gezag ontleent (je mag advies geven), maar je dient ook te kunnen verantwoorden waar je je
oordeel op baseert.
3 niveaus van opvoeding:
1. Niveau praktijk: het handelen (van de opvoeder) in een opvoedingssituatie; gedrag
dat kinderen en opvoeders vertonen in de praktijk (handeling)
2. Niveau theorie: toepassen en ontwikkelen van (wetenschap)theorie: je
uitleg/wetenschappelijke kennis.
3. Niveau visie: pedagogische visie, opvattingen over opvoeding en ontwikkeling; wat je
ervan vindt/ je idee erbij/ persoonlijke kijk
Elementen van een pedagogische visie:
- Kindbeeld: opvattingen van de opvoeder over wat een kind is/ nodig heeft/ kan/
wil/ doet/ voelt/ hoe het zich ontwikkelt...
- Opvoedingsdoelen: datgene wat opvoeders nastreven/ willen bereiken met de
opvoeding (bv. Zelfstandigheid, ontplooiing, identiteitsontwikkeling)
- Opvoedingsmiddelen: datgene wat de opvoeder (concreet) inzet om de doelen
te behalen (bv. Straffen, belonen, praten, toneel)
- Voorwaarden (bv. Veiligheid, uitdaging, authenticiteit)
De cultuurhistorische context (CHC): de cultuur, de plaats en de tijd waarin iemand
opgevoed wordt. De context van de opvoeding is in de loop van de jaren flink veranderd.
De cultuurhistorisch context van het gezin:
- Kindbeeld: volwassenen in klein formaat (kinderen die te snel volwassen moeten
worden, geld binnen halen)
- Opvoedingsdoel: aanpassing (aanpassen aan alles) en ontplooiing (doen wat het
kind zelf wil)
- De rol van de overheid in de gezinsopvoeding (bv, bij mishandling, grijpt de overheid
in)
- Onderhandelingshuishouden (kinderen hebben iets te zeggen, nieuwe manier van
leven en van opvoeden)
- Jeugdland (kindvriendelijke wereld) (geen tv’s, geen criminaliteit, geen seksualiteit)
= leefwereld van kinderen, onbezorgd met veel speelgelegenheid, waar ze
ongestoord kunnen ontwikkelen tot volwassenen.
Cultuur pedagogische kwestie:
Wat wil je je kinderen leren uit de cultuur
- Wat willen we in de opvoeding meegeven als het gaat om omgeving?
- Hoe gaan we dat dan doen? En wie? Waar, wanneer en waarom?
- Bijvoorbeeld: Hoelang mag een kind per dag op de IPad?
, Omgang (een menselijke band) is noodzakelijk
1. Een affectieve band (exploratie en ontwikkeling)
2. Wederkerigheid (opvoeden als coproductie)
3. Inleiden in betekenissen (cultuur)
Opvoeden kun je leren! Slechte opvoeding= misbruik/verwaarlozing
IVRK: Internationaal verdrag van de Rechten van het kind, doel van de IVRK:
zelfredzaamheid en betrokkenheid vergroten. (Niveau van theorie)
3 P’s:
- Protection (bescherming)
- Participation (toewijding)
- Provision (bepalend)
Opvoedingsstijlen (Opvoeden is kinderen steun en weerstand bieden zodat zij
evenwichtige en vrije volwassenen kunnen worden)
- Opvoedingsbeeld: bijvoorbeeld
leider/voorbeeld/beschermer/vriend/gesprekspartner
- Opvoedingsstijl: de manier waarop de opvoeder invulling geeft aan de omgang met
het kind
- Gedrag van opvoeders op twee dimensies:
• (Mate van) betrokkenheid
• (Mate van) controle
Veel betrokkenheid Weinig betrokkenheid
Veel controle Autoritatief Autoritair
Weinig controle Toegeeflijk (permissief) Verwaarlozend
Verschillen tussen de opvoeding van vroeger en van nu (CHC):
Vroeger:
- Bevelshuishouding moeder zorgend, vader werkend
- Trouwen
- Geen multiculturele samenleving
Nu:
- Van bevel naar onderhandeling allebei werken en zorgend
- Trouwen is niet vanzelfsprekend
- Multicultureel
- Verschillende samenstellingen gezinnen
Intentioneel opvoeden: iets doen om iets te bereiken. Dus je wilt kinderen iets leren dus je
hebt een plan over hoe je dat gaat doen
Socialisatie: Kinderen leren door mee te doen met een groep