Oogonderzoek ..................................................................................................................................... 2
Aanvullende anamnese .................................................................................................................... 3
Onderzoek in het licht....................................................................................................................... 3
Onderzoek in het donker ................................................................................................................. 15
Zenuwstelsel/neurologisch onderzoek ................................................................................................ 22
Aanvullende anamnese .................................................................................................................. 22
Gedrag en bewustzijnsniveau ......................................................................................................... 22
Locomotie en houding .................................................................................................................... 22
Kop/schedel .................................................................................................................................. 22
Cerebrale reflexen.......................................................................................................................... 24
Wervelkolom ................................................................................................................................. 24
Ledematen .................................................................................................................................... 29
Spiertonus staande dier.................................................................................................................. 30
Houdingsreacties ........................................................................................................................... 30
Spiertonus liggende dier ................................................................................................................. 31
Spinale reflexen ............................................................................................................................. 32
Pijnperceptie ................................................................................................................................. 35
Urinewegfunctie............................................................................................................................. 36
Locomotie ......................................................................................................................................... 37
Aanvullende anamnese kreupelheid ............................................................................................... 37
Monsteren/’kreupelheidsonderzoek’ ............................................................................................... 37
Examinatie staande dier ................................................................................................................. 39
Examinatie liggende dier ................................................................................................................. 60
Onderzoek van schedel en wervelkolom/’Hoofd en vetebrae’ ........................................................... 80
,Oogonderzoek
Cornea hond!!
Bij de hond en de kat vindt het oogonderzoek plaats van ‘buiten naar binnen’ en van
‘oppervlakkig naar diep’ met twee uitzonderingen. Zie hiernaast de anatomie van het oog.
,Aanvullende anamnese
Leefomstandigheden: denk ook aan traplopen, rondlopende kleine kinderen maken het
voor blinde hond lastiger
Onderzoek in het licht
Fixatie: de hond wordt op tafel gezet. Degene die hem vasthoudt staat aan de linkerzijde
van de hond en laat hem zitten op de tafel. Met de rechterarm over hond hangend strekt
men met de rechterhand de rechtervoorpoot en met de linkerhand de linkervoorpoot op
tafel tot ‘sfinxligging’. De voorpoten laat men hierbij tot aan de carpus over de rand van de
onderzoekstafel hangen. Vervolgens fixeert men met de linkerhand de snuit, vanaf de
onderzijde, daarbij zoekt men met de elleboog steun op de tafel.
Bij alle onderzoeken waarbij je iets dicht bij het oog moet doen, houd dan contact met de
kop door een paar vingers tegen kop te houden terwijl je bv druppels in doet of met pincet
ooglid omdraaien zodat conjunctiva te zien is. Als je goed in oog moet, kan je dan met de
duim en wijsvinger van zelfde hand het oog openen.
Kop en schedel
, Letten op:
- Stand in de ruimte
- Manidbulaire en parotideale lymfeknopen
- Kauwmusculatuur en openen van de bek (bij het openen van de bek wordt de
processus coronoideus naar het oog bewogen).
- Benige delen van de orbita, sinussen en neusholte
Orbitaalstreek
Letten op de aanwezigheid van:
- Zwelling en deformiteiten van weke delen van de orbita
- Huidplooien met trichiasis (haartjes groeien richting/in oog) van neus- en kophuid
- Traanstreep
- Natte (onder) oogleden
Traanfilm en traanproductie
- Letten op de aanwezigheid van: