Inhoudsopgave
1. Druk en hydrostatica....................................................................................... 2
2. Dynamica........................................................................................................ 5
3. Electrodynamica.............................................................................................. 9
4. Electromagnetisme....................................................................................... 11
5. Electrostatica................................................................................................ 15
6. Gaswetten en warmteleer............................................................................. 18
6.1 Gaswetten................................................................................................ 18
6.2 Toestandsveranderingen..........................................................................19
6.3 Warmte.................................................................................................... 20
6.4 Faseovergangen....................................................................................... 20
7. Kinematica.................................................................................................... 23
8. Kernfysica...................................................................................................... 26
8.1 Basisbegrippen van het atoom.................................................................26
8.2 Radioactiviteit.......................................................................................... 26
9. Trillingen en Golven...................................................................................... 30
10. Geluid.......................................................................................................... 35
,1. Druk en hydrostatica
Druk : uitgeoefende kracht per oppervlakte eenheid
kracht F N
p= = , [ p ] = 2 =Pascal=Pa
oppervlakte A m
Hoe groter de oppervlakte, hoe kleiner de druk
De vector van de krachtcomponent (⃗ F ) is de loodrechte component van de
kracht
o Kracht werkt loodrecht op het oppervlak
Bij vaste stoffen : als het oppervlakte kleiner is ontstaat er meer
vervorming
o Denk aan een naald in hout drukken ipv je vinger in hout drukken
o Bij vaste stoffen wordt druk lokaal overgebracht en niet in alle
richtingen zoals bij vloeistoffen en gassen
Atmosferische druk : luchtdruk, de druk die de luchtlaag rond de aarde
uitoefent
De zwaartekracht trekt aan luchtmoleculen waardoor de luchtlaag een
gewicht verkrijgt, dit gewicht voert druk op de aarde uit
o De luchtlaag (dichtheid) neemt af met hoogte vanaf de aarde
exponentieel verband
o Druk is afhankelijk van de dikte van de luchtlaag (afstand aan lucht
wat op je neer drukt) en de ijlheid van de lucht (# moleculen in de
lucht)
Gemiddelde luchtdruk op zeeniveau =
1013 hPa=1013∗102 Pa=1 atm≈ 1 ¯¿ 10 5 Pa
o mmHg gebruikt voor luchtdrukmetingen
Daarom moeten luchtflessen mee voor Mount Everest, er is daar nog maar
1/3 van de luchtdruk over
Hydrostatische druk : druk die een vloeistof uitoefent door de zwaartekracht
phydro =ρvloeistof ∗g∗h
ρ = dichtheid in kg/m3
hoe dieper in de vloeistof (h), hoe hoger de druk lineair verband
phydro werkt in alle richtingen ; onafhankelijk van vorm
o hydrostatische druk paradox : 4 vaten van verschillende vormen
worden gevuld met vloeistof, ze hebben een gelijk bodemoppervlak
en zijn tot dezelfde hoogte gevuld, welke oefent de grootste kracht
uit op de bodem?
Allemaal gelijk want de oppervlakte (A) en hoogte (h) zijn gelijk
ondanks de andere vormen
, Atmosferische druk werkt ook op het vrij vloeistofoppervlak want de
luchtmoleculen drukken op het vloeistofoppervlak
ptot ,∈vloeistof =p atm + ρ∗g∗h
Wet van Pascal : als druk wordt uitgeoefend op een vloeistof plant de druk zich
in alle richtingen onverminderd voor
Dus 100 m onder het oppervlak of 1 m onder het oppervlak, overal geld +
1 atm
Als de druk berekend moet worden op een object in vloeistof dat lucht
bevat, cancelt deze de atmosferische druk op het oppervlak
Ook wel beginsel van Pascal genoemd
Druk in gassen wordt beschreven door de ideale gaswet
pV = nRT
o p = druk in Pa
o V = volume in m3
o n = aantal mol gas in mol
o R = gasconstante (8,314 J/mol*K)
o T = temperatuur in K
Wet van boyle : p1V1 = p2V2
o Omgekeerd evenredig verband tussen druk en volume
Wet van Gay-Lussac
p1 p2
o =
T1 T2
Archimedeskracht : opwaartse stuwkracht op alle ondergedompelde
voorwerpen
F a=ρ vloeistof ∗V voorwerp∗g
Werkt alleen op gedeelte van het voorwerp dat ondergedompeld is
De kracht word uitgevoerd door de vloeistof
Phydro onderaan de box is groter, want h is
groter, dus er is een resulterende kracht
onderaan de doos op de box Fa
phydro links en rechts heffen elkaar op
o Er vind een wedstrijd plaats tussen Fzw en Fa
Fzw vs Fa
, m∗g=ρvw∗V vw∗g vs ρvl∗V vw∗g
ρ vw vs ρ vl
ρ vw< ρvl : drijven
ρ vw=ρ vl : zweven
ρ vw> ρvl : zinken