Pathofysiologie III: Nefrologie
1.DE NIEREN
1.1 Algemeen
Functies van de nier:
Zuivering wateroplosbare toxines uit lichaam
Bewaren zout-waterbalans
Bewaren zuur-base evenwicht
Elektrolytenbalans
Bloeddrukregeling door de activatie van de RAAS as
Endocriene functie: productie erythropoëtine en activatie van
vitamine D
Deze zaken gebeuren in verschillende stappen:
1. Massale filtratie van bloed waarbij de primaire urine gevormd wordt
2. Massale reabsorptie in bloed van nuttige en niet-toxische gefiltreerde
elementen
3. Extra secretie van bepaalde stoffen uit bloed in de urine
4. Fijnregeling van excretie van een aantal elementen (elektrolyten,
water…) waardoor de definitieve urine gevormd wordt.
De functionele eenheid van de nier is het nefron. Deze hebben een eigen
doorbloeding. Er zijn ongeveer 1 à 1,5 miljoen nefronen per nier.
De nierdoorbloeding
Arterieel bloed komt van de arteria renalis. De nierperfusie is 20% van het
hartdebiet, 1200 mL/min. Er is minder dan 10% zuurstofextractie.
Perfusieweerstand in de nier is het resultaat van myogene tonus en
neurogene invloed. De metabole invloed is verwaarloosbaar. De myogene
tonus is normaal laag, met als resultaat dat de perfusie in rust maximaal
is. De tonus neemt toe als de bloeddruk stijgt. De autoregulatie van de
nierdoorbloeding berust hierop, zodat de doorbloeding constant blijft
binnen grenzen van de bloeddruk. De nier zit in een stevig kapsel en het is
dus belangrijk dat de intrarenale druk niet toeneemt bij bloeddrukstijging.
Door de autoregulatie blijft de doorbloeding en dus de nierfunctie
behouden bij een (beperkt) verlaagde bloeddruk.
De neurogene invloed is de belangrijkste determinant van de renale
doorbloeding. In rust is deze verwaarloosbaar -> de doorbloeding is groot.
De nierarteriolen zijn orthosympatisch geïnnerveerd, met alfa en beta
receptoren.
Verhoogde OS activiteit -> alfa, er is vasoconstrictie en de
doorbloeding vermindert
1
, Stimuleren van beta -> verhoogde renine vrijstelling, secundaire
arteriolaire vasoconstrictie door angiotensine II en verhoogde zout
en waterretentie door aldosteron. (tot 80%). Het opgespaarde
debiet van 1L/min kan verdeeld worden over andere vaatgebieden.
Dit gebeurt in verschillende situaties.
Intrarenale arteriële bloedvaten vertakken in afferente arteriolen
(1/nefron) die bloed leiden naar de glomerulus. Dit is een capillair netwerk
waar bloed gefilterd wordt. Het filtraat verdwijnt in het nefron, het niet
gefiltreerde bloed gaat naar de efferente arteriole. Het arterieel bloed gaat
dan naar een peritubulair capillair netwerk waar voedingsstoffen en
metabolieten worden uitgewisseld. Het zuurstofarme veneuze bloed
verzamelt terug in de vena renalis.
Structuur van het nefron
Een nefron bestaat uit:
Glomerulus: capillair netwerk en kapsel van Bowman. Hier gebeurt
de glomerulaire filtratie.
Tubulus: lusvormige buis, bevat:
Proximale tubulus
Lis van Henle (afdalende en stijgende tak)
Distale tubulus
Verzamelbuisjes die urine verzamelen uit verschillende nefronen.
Deze leiden naar de nierkelk.
Macroscopisch uitzicht van de nier
Aan de buitenzijde is er de korrelige cortex. De medulla heeft een
gestreepte structuur door convergerende lissen van Henle en de
verzamelbuisjes die samen nierpyramiden vormen. De urine gaat van de
nierpapillen uit de nierpyramiden naar de nierkelk. Alle nierkelken
2
, verzamelen in het nierbekken, waaruit de urineleider naar de blaas geleid
wordt. De urine verlaat het organisme via de urinebuis.
3
1.DE NIEREN
1.1 Algemeen
Functies van de nier:
Zuivering wateroplosbare toxines uit lichaam
Bewaren zout-waterbalans
Bewaren zuur-base evenwicht
Elektrolytenbalans
Bloeddrukregeling door de activatie van de RAAS as
Endocriene functie: productie erythropoëtine en activatie van
vitamine D
Deze zaken gebeuren in verschillende stappen:
1. Massale filtratie van bloed waarbij de primaire urine gevormd wordt
2. Massale reabsorptie in bloed van nuttige en niet-toxische gefiltreerde
elementen
3. Extra secretie van bepaalde stoffen uit bloed in de urine
4. Fijnregeling van excretie van een aantal elementen (elektrolyten,
water…) waardoor de definitieve urine gevormd wordt.
De functionele eenheid van de nier is het nefron. Deze hebben een eigen
doorbloeding. Er zijn ongeveer 1 à 1,5 miljoen nefronen per nier.
De nierdoorbloeding
Arterieel bloed komt van de arteria renalis. De nierperfusie is 20% van het
hartdebiet, 1200 mL/min. Er is minder dan 10% zuurstofextractie.
Perfusieweerstand in de nier is het resultaat van myogene tonus en
neurogene invloed. De metabole invloed is verwaarloosbaar. De myogene
tonus is normaal laag, met als resultaat dat de perfusie in rust maximaal
is. De tonus neemt toe als de bloeddruk stijgt. De autoregulatie van de
nierdoorbloeding berust hierop, zodat de doorbloeding constant blijft
binnen grenzen van de bloeddruk. De nier zit in een stevig kapsel en het is
dus belangrijk dat de intrarenale druk niet toeneemt bij bloeddrukstijging.
Door de autoregulatie blijft de doorbloeding en dus de nierfunctie
behouden bij een (beperkt) verlaagde bloeddruk.
De neurogene invloed is de belangrijkste determinant van de renale
doorbloeding. In rust is deze verwaarloosbaar -> de doorbloeding is groot.
De nierarteriolen zijn orthosympatisch geïnnerveerd, met alfa en beta
receptoren.
Verhoogde OS activiteit -> alfa, er is vasoconstrictie en de
doorbloeding vermindert
1
, Stimuleren van beta -> verhoogde renine vrijstelling, secundaire
arteriolaire vasoconstrictie door angiotensine II en verhoogde zout
en waterretentie door aldosteron. (tot 80%). Het opgespaarde
debiet van 1L/min kan verdeeld worden over andere vaatgebieden.
Dit gebeurt in verschillende situaties.
Intrarenale arteriële bloedvaten vertakken in afferente arteriolen
(1/nefron) die bloed leiden naar de glomerulus. Dit is een capillair netwerk
waar bloed gefilterd wordt. Het filtraat verdwijnt in het nefron, het niet
gefiltreerde bloed gaat naar de efferente arteriole. Het arterieel bloed gaat
dan naar een peritubulair capillair netwerk waar voedingsstoffen en
metabolieten worden uitgewisseld. Het zuurstofarme veneuze bloed
verzamelt terug in de vena renalis.
Structuur van het nefron
Een nefron bestaat uit:
Glomerulus: capillair netwerk en kapsel van Bowman. Hier gebeurt
de glomerulaire filtratie.
Tubulus: lusvormige buis, bevat:
Proximale tubulus
Lis van Henle (afdalende en stijgende tak)
Distale tubulus
Verzamelbuisjes die urine verzamelen uit verschillende nefronen.
Deze leiden naar de nierkelk.
Macroscopisch uitzicht van de nier
Aan de buitenzijde is er de korrelige cortex. De medulla heeft een
gestreepte structuur door convergerende lissen van Henle en de
verzamelbuisjes die samen nierpyramiden vormen. De urine gaat van de
nierpapillen uit de nierpyramiden naar de nierkelk. Alle nierkelken
2
, verzamelen in het nierbekken, waaruit de urineleider naar de blaas geleid
wordt. De urine verlaat het organisme via de urinebuis.
3