Ontwikkelingsleer
Hoorcollege 1 – Inleiding en methoden
1.1 Wat is ontwikkelingspsychologie?
Ontwikkeling is de systematische verandering en continuïteit van een individu tussen
de conceptie en de dood (van de wieg tot het graf). Deze veranderingen
zijn systematisch, ordelijk, relatief duurzaam en van patronen voorzien.
Systematische verandering en continuïteit omvatten drie brede gebieden:
• Lichamelijke ontwikkeling: groei van het lichaam, werking van organen en
hersenen, veranderingen in de motoriek.
• Cognitieve ontwikkeling: veranderingen en continuïteit in perceptie, taal, leren,
geheugen, probleemoplossing en andere mentale processen.
• Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in motieven, emoties,
persoonlijkheidskenmerken, interpersoonlijke vaardigheden, relaties, rollen in
gezin en samenleving.
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie van:
• Intrapersoonlijke veranderingen: veranderingen binnen personen gedurende de
levensloop.
o Een kind dat eerst alleen in het hier en nu denkt, leert oorzaak-
gevolgredeneringen maken: dit zijn intrapersoonlijke veranderingen.
• Interpersoonlijke verschillen: verschillen en overeenkomsten tussen personen.
o Twee kinderen van 4 jaar ontwikkelen zich in verschillend tempo: kind A
spreekt in lange zinnen met grote woordenschat, kind B in korte zinnen
met moeite in klanken: dit zijn interpersoonlijke verschillen.
Het doel is om deze veranderingen en verschillen te beschrijven, verklaren en manieren
te vinden om ze zo optimaal mogelijk te veranderen.
Een andere discipline binnen de ontwikkelingsleer is de gerontologie, oftewel de studie
van veroudering en ouderdom.
Ontwikkeling wordt vaak gekoppeld aan fases als de baarmoeder, de kindertijd of de
adolescentie.
Volgens biologen is groei een reeks fysieke veranderingen van conceptie tot
volwassenheid.
Biologische veroudering is de achteruitgang van een levend wezen die uiteindelijk tot
de dood leidt.
1
,Onderzoekers in de ontwikkelingswetenschappen beschouwen veroudering als meer
dan biologische veranderingen. Het omvat fysieke, cognitieve en psychosociale
veranderingen, die positief of negatief kunnen zijn, met verliezen, nieuwe
vaardigheden en continuïteit.
Smalle visie op ontwikkeling vs. Brede visie op ontwikkeling
Smalle visie op ontwikkeling Brede visie op ontwikkeling
Sequentieel: verschillende Niet noodzakelijk gebaseerd op fases die elkaar
stadia/niveaus/fases opvolgen
Unidirectioneel: eerdere
veranderingen zijn een voorwaarde
voor latere
End state (eindstaat): hogere waarde Heeft niet altijd een eindstaat die een hogere
dan de oorspronkelijke staat waarde heeft (bijvoorbeeld persoonlijkheid)
Kwalitatief: structurele Is zowel kwalitatief als kwantitatief (bijvoorbeeld
transformaties taal versus het aantal woorden)
Kan universeel zijn, maar ook verschillen tussen
Universeel: hetzelfde voor iedereen
personen
Biologische groei: onafhankelijk van
Wordt beïnvloed door cultuur en biologie
cultuur
Kan binnen personen in positieve zin veranderd,
Onomkeerbaar in de vooruitgang maar ook beperkt worden, afhankelijk van de
omstandigheden (plastisch)
1.2 Normatieve en niet-normatieve overgangen
Ontwikkelingswetenschap is een multidisciplinaire studie waarin verschillende
disciplines samen worden gebruikt om inzicht te krijgen in de menselijke ontwikkeling.
Ontwikkeling is geen universeel proces met slechts één richting;
verschillende capaciteiten veranderen volgens verschillende patronen in de tijd.
Er wordt gekeken naar:
• Voorspelbare mijlpalen in het mensenleven.
• Individuele verschillen die de levensloop beïnvloeden.
• Overgangen, die worden onderverdeeld in normatieve en niet-normatieve
overgangen.
Normatieve overgangen
• Gebeurtenissen die bijna iedereen meemaakt.
o Voorbeelden: overgang naar de middelbare school, met pensioen
gaan, kinderen krijgen.
• Belangrijke vraag: is ontwikkeling continu of discontinu?
o Continue ontwikkeling: een geleidelijke, vloeiende verandering, zoals
een rechte lijn zonder grote sprongen.
▪ Voorbeeld: een kind leert steeds meer woorden naarmate het
ouder wordt.
2
, o Discontinue ontwikkeling: verandering in duidelijke sprongen of fases.
▪ Voorbeeld: een baby beseft plotseling dat een voorwerp blijft
bestaan, ook als het uitzicht is.
Niet-normatieve overgangen
• Gebeurtenissen die niet iedereen ervaart, met een andere impact dan
normatieve overgangen.
• Voorbeelden: echtscheiding, overlijden van een kind, verlies van een baan.
In de ontwikkelingspsychologie wordt ook gekeken naar welke ontwikkelingen bij
welke leeftijd horen. Leeftijden worden ingedeeld in leeftijdsperioden.
Jongvolwassenheid is een overgangsperiode tussen adolescentie en
volwassenheid, met een leeftijd van 18 tot 25–29 jaar.
Doordat mensen langer studeren, begint het volwassen leven later.
Volgens Arnett zijn de kenmerken van jongvolwassenheid:
• Het ontdekken van de eigen identiteit;
• Een instabiel leven door veranderingen in werk en relaties;
• Gericht zijn op jezelf en vrij zijn van verplichtingen aan anderen;
• Je op sommige gebieden volwassen voelen en op andere niet;
• Geloven dat je mogelijkheden onbeperkt zijn.
Er zijn twee fases van de oude leeftijd:
• Jong oud (60–80 jaar): de persoon is over het algemeen nog relatief gezond en
actief.
• Oud oud (80–100 jaar): er is sprake van toegenomen risico op fysieke en
cognitieve problemen.
3
, 1.4 – Wat ontwikkelt zich wanneer?
• Biologische leeftijd verklaart geen veranderingen, maar correleert soms met
veranderingen.
• Leeftijd is een middel dat veranderingen mogelijk maakt.
• Er is een verschil tussen:
o Variabiliteit: kortdurende verandering die min of meer omkeerbaar is
(bijv. emotie).
o Verandering: min of meer blijvend, zoals persoonlijkheid.
• Variabiliteit kan voorspellen hoe en waarom bepaalde
blijvende verandering optreedt.
• Voorbeeld: iemand voelt zich de ene dag somber en de andere dag opgewekt
(variabiliteit). Als de somberheid steeds vaker voorkomt en aanhoudt, leidt dit
tot een blijvende verandering.
1.5 – Culturele verschillen
• Cultuur is een gedeelde levenswijze met overtuigingen, waarden en activiteiten
passend bij een ontwikkelingsfase.
• Elke leeftijdsgroep heeft een eigen status, rol, privileges en
verantwoordelijkheden (bijv. stemmen, autorijden).
• Culturen verschillen in leeftijdsklassen én in overgangen daartussen:
o Een instapritueel markeert de overgang van de ene status naar de andere
(bijv. naar volwassenheid).
▪ Instaprituelen komen vaker voor in traditionele
samenlevingen dan in moderne industriële samenlevingen
• Elke leeftijdsklasse heeft ook leeftijdsnormen: hoe iemand zich hoort te
gedragen volgens zijn/haar leeftijd.
Voorbeeld: In sommige Afrikaanse culturen ondergaan jongens
een besnijdenisritueel gevolgd door afzondering. Ze leren wat het betekent om
man te zijn. Dit is een instapritueel en markeert de overgang naar volwassenheid.
Wat is het belang van leeftijdsnormen?
1. Leeftijdsnormen beïnvloeden levenskeuzes: ze vormen de basis van
een sociale klok (bijv. “op je 30e zou je moeten trouwen”).
2. Ze bepalen hoe we ons aanpassen aan overgangen: als iets op het ‘verkeerde
moment’ gebeurt (zoals kinderen krijgen), heeft dat meer negatieve invloed dan
wanneer het ‘op tijd’ gebeurt.
Subculturele verschillen
• Binnen een cultuur zijn er subculturele verschillen, bijvoorbeeld
door etniciteit, tradities of sociaaleconomische status (SES).
• SES = je plaats in de samenleving op basis van aanzien, opleiding en inkomen.
• Leeftijdsnormen kunnen verschillen tussen groepen met hoge of lage SES.
o Jongeren uit families met een lagere SES bereiken mijlpalen vaak
eerder en voelen zich eerder volwassen.
4
Hoorcollege 1 – Inleiding en methoden
1.1 Wat is ontwikkelingspsychologie?
Ontwikkeling is de systematische verandering en continuïteit van een individu tussen
de conceptie en de dood (van de wieg tot het graf). Deze veranderingen
zijn systematisch, ordelijk, relatief duurzaam en van patronen voorzien.
Systematische verandering en continuïteit omvatten drie brede gebieden:
• Lichamelijke ontwikkeling: groei van het lichaam, werking van organen en
hersenen, veranderingen in de motoriek.
• Cognitieve ontwikkeling: veranderingen en continuïteit in perceptie, taal, leren,
geheugen, probleemoplossing en andere mentale processen.
• Psychosociale ontwikkeling: veranderingen in motieven, emoties,
persoonlijkheidskenmerken, interpersoonlijke vaardigheden, relaties, rollen in
gezin en samenleving.
Ontwikkelingspsychologie is de wetenschappelijke studie van:
• Intrapersoonlijke veranderingen: veranderingen binnen personen gedurende de
levensloop.
o Een kind dat eerst alleen in het hier en nu denkt, leert oorzaak-
gevolgredeneringen maken: dit zijn intrapersoonlijke veranderingen.
• Interpersoonlijke verschillen: verschillen en overeenkomsten tussen personen.
o Twee kinderen van 4 jaar ontwikkelen zich in verschillend tempo: kind A
spreekt in lange zinnen met grote woordenschat, kind B in korte zinnen
met moeite in klanken: dit zijn interpersoonlijke verschillen.
Het doel is om deze veranderingen en verschillen te beschrijven, verklaren en manieren
te vinden om ze zo optimaal mogelijk te veranderen.
Een andere discipline binnen de ontwikkelingsleer is de gerontologie, oftewel de studie
van veroudering en ouderdom.
Ontwikkeling wordt vaak gekoppeld aan fases als de baarmoeder, de kindertijd of de
adolescentie.
Volgens biologen is groei een reeks fysieke veranderingen van conceptie tot
volwassenheid.
Biologische veroudering is de achteruitgang van een levend wezen die uiteindelijk tot
de dood leidt.
1
,Onderzoekers in de ontwikkelingswetenschappen beschouwen veroudering als meer
dan biologische veranderingen. Het omvat fysieke, cognitieve en psychosociale
veranderingen, die positief of negatief kunnen zijn, met verliezen, nieuwe
vaardigheden en continuïteit.
Smalle visie op ontwikkeling vs. Brede visie op ontwikkeling
Smalle visie op ontwikkeling Brede visie op ontwikkeling
Sequentieel: verschillende Niet noodzakelijk gebaseerd op fases die elkaar
stadia/niveaus/fases opvolgen
Unidirectioneel: eerdere
veranderingen zijn een voorwaarde
voor latere
End state (eindstaat): hogere waarde Heeft niet altijd een eindstaat die een hogere
dan de oorspronkelijke staat waarde heeft (bijvoorbeeld persoonlijkheid)
Kwalitatief: structurele Is zowel kwalitatief als kwantitatief (bijvoorbeeld
transformaties taal versus het aantal woorden)
Kan universeel zijn, maar ook verschillen tussen
Universeel: hetzelfde voor iedereen
personen
Biologische groei: onafhankelijk van
Wordt beïnvloed door cultuur en biologie
cultuur
Kan binnen personen in positieve zin veranderd,
Onomkeerbaar in de vooruitgang maar ook beperkt worden, afhankelijk van de
omstandigheden (plastisch)
1.2 Normatieve en niet-normatieve overgangen
Ontwikkelingswetenschap is een multidisciplinaire studie waarin verschillende
disciplines samen worden gebruikt om inzicht te krijgen in de menselijke ontwikkeling.
Ontwikkeling is geen universeel proces met slechts één richting;
verschillende capaciteiten veranderen volgens verschillende patronen in de tijd.
Er wordt gekeken naar:
• Voorspelbare mijlpalen in het mensenleven.
• Individuele verschillen die de levensloop beïnvloeden.
• Overgangen, die worden onderverdeeld in normatieve en niet-normatieve
overgangen.
Normatieve overgangen
• Gebeurtenissen die bijna iedereen meemaakt.
o Voorbeelden: overgang naar de middelbare school, met pensioen
gaan, kinderen krijgen.
• Belangrijke vraag: is ontwikkeling continu of discontinu?
o Continue ontwikkeling: een geleidelijke, vloeiende verandering, zoals
een rechte lijn zonder grote sprongen.
▪ Voorbeeld: een kind leert steeds meer woorden naarmate het
ouder wordt.
2
, o Discontinue ontwikkeling: verandering in duidelijke sprongen of fases.
▪ Voorbeeld: een baby beseft plotseling dat een voorwerp blijft
bestaan, ook als het uitzicht is.
Niet-normatieve overgangen
• Gebeurtenissen die niet iedereen ervaart, met een andere impact dan
normatieve overgangen.
• Voorbeelden: echtscheiding, overlijden van een kind, verlies van een baan.
In de ontwikkelingspsychologie wordt ook gekeken naar welke ontwikkelingen bij
welke leeftijd horen. Leeftijden worden ingedeeld in leeftijdsperioden.
Jongvolwassenheid is een overgangsperiode tussen adolescentie en
volwassenheid, met een leeftijd van 18 tot 25–29 jaar.
Doordat mensen langer studeren, begint het volwassen leven later.
Volgens Arnett zijn de kenmerken van jongvolwassenheid:
• Het ontdekken van de eigen identiteit;
• Een instabiel leven door veranderingen in werk en relaties;
• Gericht zijn op jezelf en vrij zijn van verplichtingen aan anderen;
• Je op sommige gebieden volwassen voelen en op andere niet;
• Geloven dat je mogelijkheden onbeperkt zijn.
Er zijn twee fases van de oude leeftijd:
• Jong oud (60–80 jaar): de persoon is over het algemeen nog relatief gezond en
actief.
• Oud oud (80–100 jaar): er is sprake van toegenomen risico op fysieke en
cognitieve problemen.
3
, 1.4 – Wat ontwikkelt zich wanneer?
• Biologische leeftijd verklaart geen veranderingen, maar correleert soms met
veranderingen.
• Leeftijd is een middel dat veranderingen mogelijk maakt.
• Er is een verschil tussen:
o Variabiliteit: kortdurende verandering die min of meer omkeerbaar is
(bijv. emotie).
o Verandering: min of meer blijvend, zoals persoonlijkheid.
• Variabiliteit kan voorspellen hoe en waarom bepaalde
blijvende verandering optreedt.
• Voorbeeld: iemand voelt zich de ene dag somber en de andere dag opgewekt
(variabiliteit). Als de somberheid steeds vaker voorkomt en aanhoudt, leidt dit
tot een blijvende verandering.
1.5 – Culturele verschillen
• Cultuur is een gedeelde levenswijze met overtuigingen, waarden en activiteiten
passend bij een ontwikkelingsfase.
• Elke leeftijdsgroep heeft een eigen status, rol, privileges en
verantwoordelijkheden (bijv. stemmen, autorijden).
• Culturen verschillen in leeftijdsklassen én in overgangen daartussen:
o Een instapritueel markeert de overgang van de ene status naar de andere
(bijv. naar volwassenheid).
▪ Instaprituelen komen vaker voor in traditionele
samenlevingen dan in moderne industriële samenlevingen
• Elke leeftijdsklasse heeft ook leeftijdsnormen: hoe iemand zich hoort te
gedragen volgens zijn/haar leeftijd.
Voorbeeld: In sommige Afrikaanse culturen ondergaan jongens
een besnijdenisritueel gevolgd door afzondering. Ze leren wat het betekent om
man te zijn. Dit is een instapritueel en markeert de overgang naar volwassenheid.
Wat is het belang van leeftijdsnormen?
1. Leeftijdsnormen beïnvloeden levenskeuzes: ze vormen de basis van
een sociale klok (bijv. “op je 30e zou je moeten trouwen”).
2. Ze bepalen hoe we ons aanpassen aan overgangen: als iets op het ‘verkeerde
moment’ gebeurt (zoals kinderen krijgen), heeft dat meer negatieve invloed dan
wanneer het ‘op tijd’ gebeurt.
Subculturele verschillen
• Binnen een cultuur zijn er subculturele verschillen, bijvoorbeeld
door etniciteit, tradities of sociaaleconomische status (SES).
• SES = je plaats in de samenleving op basis van aanzien, opleiding en inkomen.
• Leeftijdsnormen kunnen verschillen tussen groepen met hoge of lage SES.
o Jongeren uit families met een lagere SES bereiken mijlpalen vaak
eerder en voelen zich eerder volwassen.
4