Vragen
1. Wat houdt de hiërarchie van proposities in DNA-onderzoeken in?
De hiërarchie van proposities in DNA-onderzoeken verwijst naar de verschillende niveaus
waarop DNA-bewijs kan worden geïnterpreteerd en geëvalueerd. Dit systeem helpt om te
bepalen welke conclusies deskundigen kunnen trekken en welke interpretaties aan de
rechter worden overgelaten. De hiërarchie bestaat uit vier niveaus:
1. Sub-source niveau (sub-bron- niveau)
Vraag: Van wie is het DNA?
Dit niveau richt zich puur op de identificatie van de bron van het DNA.
Voorbeeld: "Het DNA in de bemonstering komt van persoon X."
Dit is het laagste niveau en wordt vaak gebruikt bij DNA-matches.
2. Source niveau (bron-niveau)
Vraag: Welk biologisch materiaal is er gevonden en van wie is het
afkomstig?
Dit niveau gaat verder dan alleen de identificatie en kijkt naar het soort
biologisch materiaal (bloed, speeksel, huidcellen, etc.).
Voorbeeld: "Het bloed op het mes is afkomstig van slachtoffer Y."
De aard van het celmateriaal is van belang om wat meer te kunnen zeggen over het activiteit-
niveau.
3. Activity niveau (activiteit-niveau)
Vraag: Hoe en onder welke omstandigheden is het DNA daar
terechtgekomen? (evt. wanneer)
Dit is een cruciaal niveau, omdat DNA-sporen op meerdere manieren op een
object kunnen belanden (direct contact, indirecte overdracht, contaminatie).
Voorbeeld: "Heeft de verdachte het mes vastgehouden tijdens de aanval?"
Hier worden forensische principes zoals overdracht, persistentie en prevalentie
van DNA in beschouwing genomen.
Soort onderzoek bij bloed bijvoorbeeld: Bloedspatpatroonanalyse
Hier gaat het echt nog om de handeling dus nog geen koppeling aan een juridische defnitie,
zoals is er sprake van mishandeling, doodslag..
Offence niveau (delict-niveau)
Vraag: Heeft de verdachte het misdrijf gepleegd?
Dit niveau behoort uitsluitend tot de rechtbank.
, DNA-deskundigen mogen zich niet uitspreken over de schuldvraag, maar
enkel over de waarschijnlijkheid van bepaalde scenario’s op basis van het
DNA-bewijs.
Voorbeeld: "Heeft de verdachte het slachtoffer gestoken met het mes?"
Waarom is deze hiërarchie belangrijk?
Deskundigen moeten zich beperken tot de niveaus waar zij uitspraken over kunnen
doen (sub-source, source en activity).
De rechter is verantwoordelijk voor de uiteindelijke interpretatie op offence-niveau.
Het helpt om DNA-bewijs correct te interpreteren en te voorkomen dat verkeerde
aannames worden gemaakt (bijvoorbeeld: DNA op een object betekent niet
automatisch dat de persoon het misdrijf heeft gepleegd).
2. Wat zijn valkuilen voor een deskundige die wordt verzocht om te
rapporteren op activiteitenniveau?
Dit niveau is complex omdat het niet alleen vaststelt van wie het DNA afkomstig is
(bronniveau), maar ook hoe en wanneer het DNA op een object terecht is gekomen.
Hieronder volgen enkele belangrijke valkuilen:
Context die je krijgt, te weinig context kan ervoor zorgen dat je zelf als deskunidge gaat
gissen en teveel context kan weer zorgen voor een tunnelvisie en bias
2 Hypothesen moeten elkaar altijd uitsluiten betekent ook dat een derde hypothese niet
mogelijk kan zijn. Je bent als deskundige heel erg gebonden aan de hypotheses die door
het OM worden aangedragen. Als die hypothesen niet volledig zijn dan moet je het als
deskundige daarmee doen want je kan ze niet herformuleren.
Bron en activiteitniveau met elkaar verwarren : Het feit dat DNA van een persoon op een
object zit, betekent niet dat die persoon betrokken was bij de criminele activiteit.
Voorbeeld: DNA op een bivakmuts die werd gebruikt bij een overval betekent niet per se
dat de persoon de overval heeft gepleegd – het DNA kan ook van iemand komen die de
muts eerder heeft gedragen. = Association fallacy
1. Overwaardering van DNA-bewijs
DNA op een object betekent niet automatisch dat de persoon dat object recent heeft
aangeraakt.
DNA kan op meerdere manieren worden overgedragen (direct, indirect, door
contaminatie).
Voorbeeld: DNA op een wapen betekent niet per se dat de verdachte het heeft
gebruikt tijdens een misdrijf.
2. Onjuiste aannames over DNA-overdracht en persistentie
DNA blijft afhankelijk van omgevingsfactoren en materiaal langer of korter aanwezig.
, Er is geen standaardregel voor hoe lang DNA op een object blijft zitten of hoe
waarschijnlijk overdracht is zonder experimenten of contextuele informatie.
Voorbeeld: Een DNA-spoor op kleding kan er al weken of maanden zitten en hoeft
niet van een recent contactmoment te komen.
3. Contaminatie en indirecte overdracht negeren
DNA kan onbedoeld door derden worden overgebracht, zoals hulpverleners of
onderzoekers zelf.
Indirecte transfer kan leiden tot valspositieve associaties tussen een verdachte en een
misdrijf.
Voorbeeld: In de zaak Raveesh Kumra werd DNA van een verdachte op het
slachtoffer gevonden, terwijl die persoon ten tijde van de moord op de IC lag. Het
DNA bleek te zijn overgedragen via de hulpdiensten.
4. Bias door contextuele informatie
Kennis over de zaak (bijvoorbeeld politiedossiers) kan onbewust de interpretatie
beïnvloeden.
"Expectation bias" kan ertoe leiden dat een deskundige eerder een scenario bevestigt
dat aansluit bij het bestaande bewijsbeeld van politie of justitie.
Voorbeeld: Als een deskundige weet dat een verdachte al eerder geweldsdelicten heeft
gepleegd, kan dit (onbewust) de interpretatie van de DNA-sporen beïnvloeden.
5. Associatie-valkuil (‘association fallacy’)
Het feit dat DNA van een persoon op een object zit, betekent niet dat die persoon
betrokken was bij de criminele activiteit.
Voorbeeld: DNA op een bivakmuts die werd gebruikt bij een overval betekent niet per
se dat de persoon de overval heeft gepleegd – het DNA kan ook van iemand komen
die de muts eerder heeft gedragen.
6. Verkeerde interpretatie van mengprofielen
Mengprofielen met DNA van meerdere personen maken het moeilijk om te bepalen
wie welk materiaal heeft achtergelaten.
Een verkeerde interpretatie kan leiden tot foutieve beschuldigingen of uitsluitingen
van verdachten.
Voorbeeld: In de zaak Meredith Kercher (Italië) werd een BH-sluiting met DNA van
meerdere mannen gevonden, waaronder dat van een verdachte. Er was echter sprake
van mogelijk besmette handschoenen van forensisch onderzoekers, wat de
bevindingen in twijfel trok.
7. Verwarring tussen DNA-bron en activiteit
Zelfs als een DNA-match onbetwist is, betekent dit niet automatisch dat de verdachte
een actieve rol heeft gespeeld.