Requisitoir
Officier van Justitie: Diégo Breet
Verdachte: Jeroen Richter
Parketnr: 16/000000-18
Edelachtbaar college,
1. Inleiding
Vandaag behandelen wij een maatschappelijk gevoelige zaak. Wij behandelen vandaag de strafzaak
tegen een verdachte die zijn echtgenote heeft geholpen met het plegen van zelfdoding. Verdachte
vervulde daarmee de uitdrukkelijke doodswens van zijn echtgenote. Over het thema hulp bij zelfdoding
bestaat veel maatschappelijke discussie. Er zijn mensen in de samenleving die verontwaardigd zijn over
het feit dat de verdachte is vervolgd, omdat hij een zuiver motief had. Hij handelde immers uit liefde
voor zijn echtgenote.
Het Openbaar ministerie erkent dat zuivere motief. En toch hebben wij besloten om de verdachte te
vervolgen. Want ondanks de maatschappelijke discussie over dit thema, is de wet heel duidelijk. Het
behulpzaam zijn aan zelfdoding is strafbaar. In deze rechtszaal hebben wij die keuze van de wetgever te
respecteren. In de rechtszaal is geen ruimte voor een politieke discussie. De taak die wij hier hebben, is
het handhaven van de wet.
Ik zal in dit requisitoir eerst kort het juridisch kader voorhouden, daarna bespreek ik het bewijs,
vervolgens zal ik het hebben over de strafbaarheid van het feit en van de verdachte en tot slot zal ik
toekomen aan de strafeis.
2. Juridisch kader
Artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het strafbaar is om een ander opzettelijk
behulpzaam te zijn bij het plegen van zelfdoding of hem daartoe middelen te verschaffen. De opzet moet
zowel gericht zijn op het behulpzaam zijn aan de zelfdoding als op de voltooiing van de zelfdoding.
3. Bewezenverklaring
In de ogen van het Openbaar Ministerie kan wettig overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich
schuldig heeft gemaakt aan hulp bij zelfdoding. De hulp bestond eruit dat de verdachte heeft onderzocht
welke medicijnen tot de dood zouden leiden, dat hij die medicijnen vervolgens heeft verzameld en deze
aan zijn echtgenote heeft verstrekt. Zijn echtgenote heeft de medicijnen vervolgens zelf ingenomen.
Verdachte heeft willens en wetens de medicijnen verzameld en aan haar verstrekt. Verdachte wist dat
zijn echtgenote de medicijnen zou gebruiken om zelfdoding te plegen. Daar was zijn opzet ook op
gericht. Daarmee is voldaan aan het opzetvereiste.
Het belangrijkste bewijsmiddel betreft een WhatsApp-bericht dat door de politie op de mobiele telefoon
van de verdachte is aangetroffen. In dat bericht is onder andere het volgende te lezen:
Officier van Justitie: Diégo Breet
Verdachte: Jeroen Richter
Parketnr: 16/000000-18
Edelachtbaar college,
1. Inleiding
Vandaag behandelen wij een maatschappelijk gevoelige zaak. Wij behandelen vandaag de strafzaak
tegen een verdachte die zijn echtgenote heeft geholpen met het plegen van zelfdoding. Verdachte
vervulde daarmee de uitdrukkelijke doodswens van zijn echtgenote. Over het thema hulp bij zelfdoding
bestaat veel maatschappelijke discussie. Er zijn mensen in de samenleving die verontwaardigd zijn over
het feit dat de verdachte is vervolgd, omdat hij een zuiver motief had. Hij handelde immers uit liefde
voor zijn echtgenote.
Het Openbaar ministerie erkent dat zuivere motief. En toch hebben wij besloten om de verdachte te
vervolgen. Want ondanks de maatschappelijke discussie over dit thema, is de wet heel duidelijk. Het
behulpzaam zijn aan zelfdoding is strafbaar. In deze rechtszaal hebben wij die keuze van de wetgever te
respecteren. In de rechtszaal is geen ruimte voor een politieke discussie. De taak die wij hier hebben, is
het handhaven van de wet.
Ik zal in dit requisitoir eerst kort het juridisch kader voorhouden, daarna bespreek ik het bewijs,
vervolgens zal ik het hebben over de strafbaarheid van het feit en van de verdachte en tot slot zal ik
toekomen aan de strafeis.
2. Juridisch kader
Artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het strafbaar is om een ander opzettelijk
behulpzaam te zijn bij het plegen van zelfdoding of hem daartoe middelen te verschaffen. De opzet moet
zowel gericht zijn op het behulpzaam zijn aan de zelfdoding als op de voltooiing van de zelfdoding.
3. Bewezenverklaring
In de ogen van het Openbaar Ministerie kan wettig overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich
schuldig heeft gemaakt aan hulp bij zelfdoding. De hulp bestond eruit dat de verdachte heeft onderzocht
welke medicijnen tot de dood zouden leiden, dat hij die medicijnen vervolgens heeft verzameld en deze
aan zijn echtgenote heeft verstrekt. Zijn echtgenote heeft de medicijnen vervolgens zelf ingenomen.
Verdachte heeft willens en wetens de medicijnen verzameld en aan haar verstrekt. Verdachte wist dat
zijn echtgenote de medicijnen zou gebruiken om zelfdoding te plegen. Daar was zijn opzet ook op
gericht. Daarmee is voldaan aan het opzetvereiste.
Het belangrijkste bewijsmiddel betreft een WhatsApp-bericht dat door de politie op de mobiele telefoon
van de verdachte is aangetroffen. In dat bericht is onder andere het volgende te lezen: