💡 Deze vragen zijn op eigen inzicht bedacht en ontwikkeld op basis van de
tentamenstof. Verspreiden aan derden is uiteraard verboden. Succes
met oefenen! 🖤
1. Hieronder zie je twee stellingen staan. Welke is/zijn waar?
I: Met een observatie kan je het effect van stemming goed uitfilteren, met
een vragenlijst niet.
II: Bij een vragenlijst kun je goed zorgen voor een uniforme interpretatie van
het construct, bij een observatie niet.
a. I is waar, II is niet waar.
b. I is niet waar, II is waar.
c. I en II zijn waar
d. I en II zijn niet waar
2. Bij een observatie kun je nadelen ervaren vanwege het hawthorne effect.
Leg in je eigen woorden uit wat dit is en wat je eraan kunt doen om het zo
min mogelijk invloed te laten hebben op de resultaten.
3. Verschillende observatiesystemen hebben verschillende inferentieniveaus.
Wat is het inferentieniveau van een macroschaal, zoals de Ainsworth scale?
En wat is het inferentieniveaus van een microschaal zoals de BOSS?
Oefentoets Observeren 1
, a. Zowel de BOSS als Ainsworth scale hebben een hoog inferentieniveau.
b. Zowel de BOSS als Ainsworth scale hebben een laag inferentieniveau.
c. De Ainsworth scale heeft een hoog inferentieniveau, de BOSS een laag
inferentieniveau.
d. De Ainsworth scale heeft een laag inferentieniveau, de BOSS een hoog
inferentieniveau.
4. Lisanne observeert thuis bij een gezin tijdens een maaltijd het gedrag van
de moeder. De moeder heeft drie kinderen, allemaal jongetjes. Lisanne heeft
zelf ook drie jongetjes. Daarom kan ze zich extra inleven in de moeder die ze
observeert. Welke nadeel kan hierdoor wel optreden tijdens het observeren
van Lisanne?
a. observer reactivity
b. coder bias
c. hawthorne effect
d. minder ecological validity
5. Er zijn een aantal verschillen tussen een observatie thuis en in het lab. Met
name de hoeveelheid ecologische validiteit en hoeveelheid ruis verschillen.
Vul in: weinig of veel?
Bij een observatie in het lab is er ____ ecologische validiteit. Thuis is er ____
ecologische validitet. Een observatie thuis heeft _____ ruis. In het lab observeer
je met ____ ruis.
6. Voor college 1 hebben we het artikel ‘’Methodological issues in the direct
observation of parent-child interaction: do observational findings reflect
the natural behavior of participants?’’ van F. Gardner (2000) gelezen. In zijn
artikel bespreekt hij drie mogelijke bedreigingen voor het observeren van
natuurlijk gedrag: 1) observer reactivity, 2) aard van de taak en 3) locatie
van de observatie. Wat concludeert hij uiteindelijk over deze factoren?
a. Observer reactivity is een groot probleem voor de validiteit van
observaties, terwijl de aard van de taak en de locatie geen invloed hebben
op het natuurlijke gedrag.
Oefentoets Observeren 2
, b. De reactiviteit op de observator vormt geen groot gevaar voor de validiteit,
maar de aard van de taak en de locatie kunnen observaties minder
representatief maken voor natuurlijk gedrag.
c. De locatie van de observatie is de enige factor die observaties minder
betrouwbaar maakt; observer reactivity en de aard van de taak hebben
geen effect op de validiteit.
d. Alle drie de factoren beïnvloeden observaties even sterk en maken het
onmogelijk om valide conclusies te trekken over natuurlijk gedrag.
7. Wat is het belangrijkste verschil tussen naturalistische observatie en
systematische directe observatie?
a. Bij naturalistische observatie worden specifieke gedragingen gemeten
volgens een gestandaardiseerde procedure, terwijl bij systematische
directe observatie alle gedragingen breed worden beschreven.
b. Systematische directe observatie gebeurt alleen in een laboratorium,
terwijl naturalistische observatie alleen in natuurlijke omgevingen
plaatsvindt.
c. Naturalistische observatie gebruikt altijd een gestandaardiseerde scoring,
terwijl systematische directe observatie dit niet doet.
d. Naturalistische observatie richt zich op een brede beschrijving van alles
wat er gebeurt, terwijl systematische directe observatie vooraf bepaalde
gedragingen meet volgens een gestandaardiseerde procedure.
8. Benoem de drie doelen die diagnostiek in de klas heeft.
9. Wat bleek uit de studie van Godwin et al., Direct Observation of Teacher and
Student Behavior in School Settings: Trends, Issues and Future Directions,
(2016) over off-task behavior bij leerlingen?
a. On-task behavior nam af gedurende het schooljaar, terwijl off-task
behavior fluctueerde. Meisjes lieten meer on-task behavior zien dan
Oefentoets Observeren 3