Aantekeningen onderzoeksdesigns
HC1
Empirische cyclus
1. Observatie: wat ga je onderzoeken? Onderzoeksvraag opstellen
2. Inductie: wat weet je al van het onderwerp?
3. Deductie: hypothesen opstellen, hoe ga je onderzoeken?
4. Toetsing: onderzoek uitvoeren
5. Evaluatie: antwoord onderzoeksvraag
Ethische aspecten
1. Do no harm
2. Data verzameling (geïnformeerde toestemming)
3. Misleiding
4. Integer handelen (geen plagiaat en fraude plegen)
Soorten validiteit
1. Inhoudsvaliditeit: is het instrument volledig genoeg?
2. Criteriumvaliditeit: komt de uitkomst overeen met de uitkomsten van vergelijkbare externe
instrumenten?
3. Constructvaliditeit: kan je met je instrument de juiste conclusies trekken?
HC2
Externe validiteit = generaliseren
De populatie
Naar andere contexten (ecologische validiteit)
Interne validiteit = derde variabele
Mediërende variabele = verband tussen X en Y
Modererende variabele = sterke en richting van verband tussen X en Y
Confounding variabele = lijkt relatie X en Y te verklaren, terwijl dit eigenlijk niet zo is
Validiteitsbedreigers
1. Selection bias
2. Mortaliteit
3. Locatie/omstandigheden
4. Instrumentatie
5. Kenmerken van de dataverzamelaar
6. Testing (effect)
7. Geschiedenis/speciale gebeurtenis
, 8. Rijping
9. Houding van proefpersoon (Hawthorne/John Henry effect)
10. Regressie naar het gemiddelde
11. Implementatie problemen
Soorten onderzoek
1. Correlationeel onderzoek: aantonen dat er een relatie is. Verband tussen twee of meer
continue variabelen.
2. Vergelijkend onderzoek: effect van verschillende omstandigheden op bepaalde variabelen
meten. Verband tussen twee of meer variabelen, waarvan minstens één categorisch.
3. Causaliteitsonderzoek: oorzaak-gevolg vaststellen.
HC3
Experimenteel onderzoek
Manipuleren van (onafhankelijke variabelen)
Oorzaak-gevolg testen (causale relaties)
Randomisering
Zwak experimenteel design (quasi; geen randomisatie)
o One shot case study
o One-group pretest-posttest design
o Static-groep comparison design
Sterk experimenteel design (equivalente groepen)
o Randomized posttest-only control group design
o Randomized pretest-posttest control group design
o Randomized Solomon four-group design
o Randomized Posttest-Only Control Group Design Using Matched Subjects
o Randomized Pretest-Posttest Control Group Design, Using Matched Subjects
Quasi-onafhankelijke variabele = variabele die niet door de onderzoeker wordt gemanipuleerd, maar
die voor verschillende proefpersonen gewoon anders is, bijv. geslacht; natuurlijk kenmerk van de
deelnemers.
Single subject en validiteit
Kleine rol: kenmerken van onderzoeksdeelnemers, testing, geschiedenis
Grote rol: kenmerken van dataverzamelaar, houding van proefpersonen (Hawthorne),
implementatie problemen
Survey onderzoek
Cross-sectioneel: op één moment, om een indruk te krijgen van de situatie op dat moment.
Longitudinaal: meerdere momenten. Op zoek naar veranderingen over de tijd.
o Trend: elke jaar steekproef van 1e jaars GMW docenten.
o Cohort: elk jaar steekproef bij zelfde groep GMW docenten.
HC1
Empirische cyclus
1. Observatie: wat ga je onderzoeken? Onderzoeksvraag opstellen
2. Inductie: wat weet je al van het onderwerp?
3. Deductie: hypothesen opstellen, hoe ga je onderzoeken?
4. Toetsing: onderzoek uitvoeren
5. Evaluatie: antwoord onderzoeksvraag
Ethische aspecten
1. Do no harm
2. Data verzameling (geïnformeerde toestemming)
3. Misleiding
4. Integer handelen (geen plagiaat en fraude plegen)
Soorten validiteit
1. Inhoudsvaliditeit: is het instrument volledig genoeg?
2. Criteriumvaliditeit: komt de uitkomst overeen met de uitkomsten van vergelijkbare externe
instrumenten?
3. Constructvaliditeit: kan je met je instrument de juiste conclusies trekken?
HC2
Externe validiteit = generaliseren
De populatie
Naar andere contexten (ecologische validiteit)
Interne validiteit = derde variabele
Mediërende variabele = verband tussen X en Y
Modererende variabele = sterke en richting van verband tussen X en Y
Confounding variabele = lijkt relatie X en Y te verklaren, terwijl dit eigenlijk niet zo is
Validiteitsbedreigers
1. Selection bias
2. Mortaliteit
3. Locatie/omstandigheden
4. Instrumentatie
5. Kenmerken van de dataverzamelaar
6. Testing (effect)
7. Geschiedenis/speciale gebeurtenis
, 8. Rijping
9. Houding van proefpersoon (Hawthorne/John Henry effect)
10. Regressie naar het gemiddelde
11. Implementatie problemen
Soorten onderzoek
1. Correlationeel onderzoek: aantonen dat er een relatie is. Verband tussen twee of meer
continue variabelen.
2. Vergelijkend onderzoek: effect van verschillende omstandigheden op bepaalde variabelen
meten. Verband tussen twee of meer variabelen, waarvan minstens één categorisch.
3. Causaliteitsonderzoek: oorzaak-gevolg vaststellen.
HC3
Experimenteel onderzoek
Manipuleren van (onafhankelijke variabelen)
Oorzaak-gevolg testen (causale relaties)
Randomisering
Zwak experimenteel design (quasi; geen randomisatie)
o One shot case study
o One-group pretest-posttest design
o Static-groep comparison design
Sterk experimenteel design (equivalente groepen)
o Randomized posttest-only control group design
o Randomized pretest-posttest control group design
o Randomized Solomon four-group design
o Randomized Posttest-Only Control Group Design Using Matched Subjects
o Randomized Pretest-Posttest Control Group Design, Using Matched Subjects
Quasi-onafhankelijke variabele = variabele die niet door de onderzoeker wordt gemanipuleerd, maar
die voor verschillende proefpersonen gewoon anders is, bijv. geslacht; natuurlijk kenmerk van de
deelnemers.
Single subject en validiteit
Kleine rol: kenmerken van onderzoeksdeelnemers, testing, geschiedenis
Grote rol: kenmerken van dataverzamelaar, houding van proefpersonen (Hawthorne),
implementatie problemen
Survey onderzoek
Cross-sectioneel: op één moment, om een indruk te krijgen van de situatie op dat moment.
Longitudinaal: meerdere momenten. Op zoek naar veranderingen over de tijd.
o Trend: elke jaar steekproef van 1e jaars GMW docenten.
o Cohort: elk jaar steekproef bij zelfde groep GMW docenten.