Hoofdstuk 1: Grondslagen en structuur van het Nederlandse recht
(HRNJ)
Rechtsstaat
- Klassieke rechten: burgers aan de overheid (heeft een burger)
- Sociale rechten: overheid aan de burgers (geeft de overheid)
- Legaliteitseis: altijd een rechtsgeldige reden hebben als er een
overheidsoptreden is waarbij vrijheden of eigendommen van burgers
worden ingeperkt (art. 16 GW)
- Trias politica: rechtsprekend, wetgevend en uitvoerende macht
- Gebondenheid aan de wet
- Onafhankelijke rechtspraak
- Vervolging en bestraffing van wetsovertredingen
- Rechtszekerheid: wetgeving en regels moeten begrijpelijk zijn voor
iedereen, iedereen zou het recht moeten kunnen kennen.
Rechtsbegrip
- Positief recht (algemene, voor verhaalde toepassingen, normen die op een
bepaald tijdstip binnen een bepaald territoriaal gebied gelden en waarvan
de naleving kan worden afgedwongen via de rechter) vs natuurrecht
(rechtsnormen die een universeel karakter hebben en niet gebonden zijn
aan een bepaalde tijdsperiode en een bepaald territorium)
o Wetgeving in materiele zin: algemene bindende regeling die door
een overheidsinstantie is vastgesteld op basis van een haar daartoe
expliciet verleende bevoegdheid
o Wet in formele zin: regeling die door de regering en de Staten-
Generaal gezamenlijk is vastgesteld
Bronnen van recht
- Wetgeving
- Verdragen en besluiten van internationale organisaties
- Jurisprudentie (rechtspraak)
- Ongeschreven recht en rechtsbeginselen
o Gewoonterecht: ongeschreven recht; grote meerderheid volgt een
bepaalde praktijk en is van mening dat er een juridische plicht is om
dat te doen (kan beroep op worden gedaan bij rechter)
o Ongeschreven rechtsbeginselen: buitenwettelijke juridische
uitgangspunten die door de rechter zijn aanvaard als rechtsnorm
Rechtsvinding: het recht vinden en toepassen van het recht op een concreet
geval (subsumptie; concrete geval bekeken vanuit algemene rechtsnorm)
- Voorrangsregels; bijv. hoog gaat voor laag, nieuw gaat voor oud,
bijzondere regels gaan voor algemene etc.
- Interpretatiemethoden
o Grammaticale: letterlijke of gebruikelijke betekenis van een
bepaalde term achterhalen
o Wetshistorische: welke bedoeling wetgever had bij het vaststellen
van de wettelijke regeling
o Systematische: term wordt geplaatst in groter geheel van wettelijke
bepalingen die over hetzelfde thema gaan
o Teleologische/doelgerichte: functie die de bepaling zou moeten
vervullen binnen de huidige maatschappelijke context
o Rechtshistorische: maatschappelijke context waarin de bepaling
destijds tot stand is gekomen
o Anticiperende: vooruitgelopen op de inhoud van toekomstige wet
die op afzienbare termijn in werking zal treden en de huidige zal
vervangen
, o Combinatie: doorgaans wordt er een combinatie van twee +
methoden gebruikt
- Redeneerwijzen
o Analoog: wettelijke bepaling wordt toegepast op een geval waarvan
de bepaling niet bedoeld lijkt te zijn, maar wel gelijkenis toont met
gevallen waarvoor de bepaling bedoelt is
o A contrario: wettelijke bepaling wordt niet toegepast op een geval
omdat de regeling niet is bedoeld voor dergelijke gevallen of omdat
het geval verschilt van gevallen waarvoor de wettelijke bepaling
bedoelt is
Basisbegrippen
- Blote rechtsfeiten: rechtsgevolgen vloeien niet voort uit een menselijke
handeling
- Handelingen met rechtsgevolg (consequentie van menselijk handelen)
- Feitelijke handelingen met rechtsgevolg: rechtsgevolgen zijn niet
nagestreefd door degene die de handeling heeft verricht (je doet iets maar
het gevolg ervan was niet zo bedoeld)
- Rechtshandelingen: wel sprake van een of meerdere beoogde
rechtsgevolgen, wat wil zeggen dat de rechten/plichten van de
rechtspersoon veranderen
- Privaatrechtelijke rechtshandeling: door burgers, bedrijven of
overheidsinstanties verricht
- Publiekrechtelijke rechtshandeling: alleen door overheidsinstanties verricht
- Rechtssubjecten
o Rechtspersoon: juridische constructie waardoor een organisatie kan
deelnemen aan het rechtsverkeer op dezelfde manier als een
natuurlijk persoon (organisaties die rechtspersoonlijkheid bezitten)
o Natuurlijk persoon: ‘gewoon’ mensen
- Publiekrechtelijke rechtspersonen: Nederlandse Staat, provincies en
gemeenten
- Privaatrechtelijke rechtspersonen: verenigingen, stichtingen, bv’s etc.
(organisaties bestaan door bij de notaris een speciale akte op te maken)
Rechtsindelingen
- Nationaal/internationaal recht (binnen NL ontstaan of internationaal)
- Materieel/formeel recht (inhoud van het recht en proces, hoe je het recht
afdwingt, procedure- en procesrecht)
- Publiek/privaatrecht (publiek is over overheid en tussen overheid en
burgers als er een overheidstaak wordt uitgevoerd, privaat tussen burgers
onderling als er geen overheidstaak wordt uitgevoerd)
Hoofdstuk 2: Het gebruik van digitale rechtsbronnen (HRNJ)
Overheid.nl
- Beleid & regelgeving
o Wettenbank (nationale en lokale regelgeving, geconsolideerd:
wijzigingen worden ook daadwerkelijk in de tekst doorgevoerd)
o Bekendmakingen
Staatsblad (wijzigingen in bestaande regelingen)
Staatscourant (alle ontwikkelingen in directe omgeving)
o Parlementaire documenten (bijv. wetsvoorstellen)
o Internetconsultatie (voornemens van nieuwe regelgeving)
o Alle beleid & regelgeving
- Eenvoudig en uitgebreid zoeken (‘in de titel’ of ‘in de tekst’, uitgebreid
meer voor mensen die vertrouwd zijn met wetstechnische info)
Digitalisering
, - Rechterlijke uitspraken hebben codes:
ECLI:landcode:gerechtscode:jaar:nummer
- Op sociale media wil de Rechtspraak interactie op gang brengen en
houden
Hoofdstuk 3: Staatsrecht (HRNJ)
Staatsrecht: hoe kan worden gewaarborgd dat de overheid de juiste besluiten
neemt en haar macht niet misbruikt?
- Staat: een territoriaal afgebakend grondgebied waar mensen wonen over
wie door een overheid gezag wordt uitgeoefend, is een rechtspersoon (zelf
rechten en plichten, kan aansprakelijk zijn)
- Nederlands staatsrecht (waardoor de overheid niet te veel macht heeft)
o Democratie
o Machtenscheiding
o Grondrechten
- Gemeenten en provincies zijn wel een rechtspersoon, overheid NIET
- Democratie
o Parlementaire democratie (gekozen volksvertegenwoordiging)
o Directe en indirecte democratie (wetsvoorstel, referenda kunnen
direct door burgers op gestemd worden is direct, Kamerleden kiezen
is indirect)
- Machtenscheiding
- Grondrechten (mensenrechten)
bron: Provincie
Overijssel
Staten-Generaal: eerste en tweede kamer samen
- Taken: samen met de regering maken van wetgeving, controleren van de
regering (uitvoerende macht)
- Parlementaire onschendbaarheid/immuniteit: vrije meningsuiting in het
parlement
- Fractie: vertegenwoordiging van een politieke partij in de Eerste/Tweede
kamer (groep vertegenwoordigers in de kamer van dezelfde politieke
partij)
- Coalitiefractie: steunen het kabinet (omdat de
ministers/staatssecretarissen van ‘hun’ politieke partijen zijn)
- Oppositie is als de fractie het kabinet niet steunt
, - Kabinetsformatie: verkiezingen van nieuwe ministers en
staatssecretarissen, streven om de meerderheid van de Tweede Kamer
achter zich hebben
- Regeerakkoord: niet juridisch bindende overeenkomst tussen de fracties in
de Tweede Kamer die gewoonlijk samen een meerderheid hebben, waarin
is vastgelegd onder welke voorwaarden zij steun willen geven aan een
kabinet dat deze afspraken zal uitvoeren
Regering en ministers
- Regering bestaat uit de koning en ministers
- Besluit van de regering heet koninklijk besluit
- Koning is onschendbaar, ministers zijn verantwoordelijk (gw= ministeriele
verantwoordelijkheid)
- Minister (staatssecretaris) moet tegenover parlement verantwoorden om
democratische controle mogelijk te maken; politieke ministeriele
verantwoordelijkheid
- Ministers en staatssecretarissen vormen het kabinet
- Ministerraad bestaat uit ministers en minister-president is de voorzitter
van de ministers (benoemingsbesluit door Koning en verantwoordelijke
minister getekend)
- Vertrouwensregel: een minister (of kabinet) dient ontslag aan te bieden als
die het vertrouwen van de meerderheid van de kamer verliest.
Zelfstandige bestuursorganen: overheidsorgaan die niet onder het gezag van
een minister valt en op afstand van de politiek staat omdat het wenselijk is (maar
geen verantwoordelijkheid)
Wettelijke regelingen
- Wetten in formele zin (Tweede Kamer alleen recht van initiatief):
regeringsvoorstellen of initiatiefvoorstellen
1. Ministerraad en ministers
2. Plenaire beraadslaging (voorstel in Tweede Kamer behandeld,
gestemd)
3. Verslag van Tweede Kamer
4. Minister reageert in een nota naar aanleiding van het verslag
5. Evt. nota van wijziging (of recht van amendement door 2 eK)
Bij Eerste Kamer alleen voorleggen en stemmen
- Algemene maatregelen van bestuur (AMvB, art. 89 GW)
o Regering maakt, ministerraad behandeld en Raad van State
adviseert
o Alleen bij grondslag in een wet in formele zin aangegeven wordt
(delegatie: wetgever geeft bevoegdheid in een wet in formele zin
over aan regering)
- Ministeriele regelingen
o Zelf een dergelijke regeling maken indien bevoegd
Rechterlijke macht bestaat uit Hoge Raad, de gerechtshoven en de
rechtbanken en Openbaar Ministerie (vervolging strafbare feiten, uitvoering)
- Rechter is onpartijdig en onafhankelijk, kan alleen door rechterlijke macht
ontslagen worden (overheid kan dus ook geen invloed uitoefenen)
- Andere rechtsprekende instanties (niet onderdeel rechterlijke macht):
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, de Centrale Raad van
Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven
Decentralisatie
- NL is een gedecentraliseerde eenheidsstaat; decentrale overheden zoals
provincies en gemeenten mogen eigen regels maken en besturen, maar de
centrale overheid kan ingrijpen en corrigeren.