Alles onder elkaar
29-01-2024 college 1 de democratische rechtsstaat
Nederland is
• Een democratische rechtsstaat
• In de vorm van een constitutionele monarchie (betreft het staatshoofd van Nederland)
• Ingericht als een gedecentraliseerde eenheidsstaat (betreft de regeringsvorm van
Nederland)
• Met een parlementair stelsel (betreft de spreiding van de rechtgevende en uitvoerende
macht in Nederland)
Staat: organisatie
• Op een bepaald grondgebied
• Die overheidsgezag uitoefent
• Over een bevolking
Geweldsmonopolie en interne en externe soevereiniteit spelen een belangrijke rol
Wat is recht?
-> Het geheel van geldende rechtsregels
Constitutie en de Grondwet
• De constitutie: de staatsinrichting, het geheel van de regels waarin deze staatsinrichting is
uitgedrukt.
• De Grondwet is onderdeel van de constitutie
• De constitutie is dus meer dan alleen de grondwet
• Ook ongeschreven recht kan onderdeel uitmaken van de constitutie
Wat zijn de bronnen van het staatsrecht:
- Grondwet
- Statuut
- Verdragen
- EU-recht
- Provinciewet
- Gemeentewet
- Wet op de Rechterlijke Organisatie
- Kieswet
- Regelementen van Orde van de Tweede Kamer
De vier hoofdvragen van het staatsrecht:
1. Welke bevoegdheid komt toe aan een orgaan?
2. Wat is de reikwijdte van die bevoegdheid? (Wetsartikel)
3. Wat zijn de grenzen van de bevoegdheid?
4. Wat ziet toe op de naleving van de bevoegdheidsgrondslag?
Elementen rechtsstaat:
, - Legaliteitsbeginsel (geldt voor iedereen -> rule of law)
- Grondrechten
- Machtenscheiding
- Onafhankelijke rechter
Het Legaliteitsbeginsel:
• De ‘staat’ treedt alleen op, op basis van een democratisch tot stond gekomen wet.
• Daarbij moet de overheid zich ook aan de wet houden.
• Het legaliteitsbeginsel definiëren we dus als volgt.
‘Ieder overheidsoptreden berust op een daaraan voorafgaande regel’
• Die regel moet wel democratisch tot stand zijn gekomen, dus:
‘Dat die regel gemaakt mag worden, moet staan in de grondwet’
Democratie
- Directe democratie
- Indirecte democratie
- Combinatie (indirecte met bijv. Een referendum)
Eerste Kamer + Tweede Kamer
Nederland als democratische rechtsstaat
Binnen een representatieve democratie is er sprake van een kiesstelsel, waarbij:
1. Verkiezingen regelmatig plaatsvinden
2. Verkiezingen geheim zijn
3. Iedere stem even zwaar weegt
4. Toegang tot verkiezingen algemeen gewaarborgd is
5. Kandidaatstelling transparant geregeld is en algemeen toegankelijk
6. Het tellen met waarborgen omkleed is.
Indien wettelijk vastgelegd, ook referenda.
Machtenscheiding: trias politica
- Wetgevende/controlerende macht (parlement)
- Uitvoerende macht (regering)
- Rechtsprekende macht
, Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechtsprekende macht
Maakt regels (van wetten in Voert de regels uit (van Controleert de uitvoering van
formele zin tot regering tot burgemeester) de regels in concrete gevallen.
gemeenteverordeningen)
Voorbeeld: Voorbeeld: Voorbeeld:
Art. 13b Opiumwet: Bijv. drugspand sluiten Afdeling bestuursrechtspraak
1. De burgemeester is bevoegd van de Raad van State in hoger
tot oplegging van een last beroep:
onder bestuursdwang indien in
een woning of lokaal of op een Dit betekent dat de rechtbank
daarbij behorende erf: terecht heeft geoordeeld dat
a. Een middel als bedoeld in de burgemeester in dit geval
lijst I of II dan wel aangewezen niet in redelijkheid van zijn
krachtens artikel 3a, vijfde lid, bevoegdheid tot sluiting vd
wordt verkocht, afgeleverd of woningen gebruik heeft
verstrekt dan wel daartoe kunnen maken.
aanwezig is;
Onafhankelijke rechtspraak:
Art. 117 lid 1 GW.
05-02-2024 Hoorcollege 2 Nederland als koninkrijk
1.11 Staatsvormen
Onderscheid tussen hoofdvormen
1. Monarchieën vs republieken
2. Eenheidsstaten vs gedecentraliseerde eenheidsstaten
3. Federaties (Duitsland) vs confederaties (EU)
Monarchieën/republiek
• Monarchieën is er sprake van een erfelijke vorm van opvolging van het staatshoofd.
Bijvoorbeeld: Verenigd Koninkrijk en Nederland.
• Republiek vindt de selectie plaats door de kiezers of door speciale instanties of door het
parlement. Bijvoorbeeld: de VS, Duitsland en Frankrijk.
Eenheidsstaat
• Als bevoegdheden en taken in handen zijn van vooral een centrale regering en wetgever.
• ‘Lagere’ overheden zijn gebonden aan besluiten van de centrale overheid en grondwettelijk
niet beschermd zijn tegen een uitholling van hun eigen taken- en bevoegdhedenpakket.
Wanneer er meer wordt overgelaten aan lagere overheden spreken we van decentralisatie: een
eenheidsstaat wordt een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
, • Grondwet en wetgever hebben bevoegdheden opgedragen en overgelaten aan gemeenten
en provincies. Deze oefenen die bevoegdheid uit binnen specifieke grenzen; bij
overschrijding daarvan kan hogerhand worden ingegrepen.
Federale staatsvorm
• Subonderdelen van de overkoepelende staat een grondwettelijk beschermd taken- en
bevoegdhedenpakket hebben: de nationale federale wetgever kan dat niet afnemen of
veranderen, niet zonder instemming van die deelstaten.
• Deelstaten zijn betrokken bij de grondwetswijzigingen
• Tweekamerstelsel, waarbij één parlementskamer de kiezers vertegenwoordigt en de andere
(de Senaat) de deelstaten.
Confederale staatsvorm (is een lossere samenwerkingsvorm)
• Deelstaten hebben hun soevereiniteit behouden, maar hebben gekozen een samenwerking
aan te gaan voor gemeenschappelijke zaken.
Verschil confederatie en federatie:
Confederatie opereert op basis van consensus. De vertegenwoordigers van de staten komen bijeen
in confederaal verband en kunnen op de gebieden waar de confederatie bevoegd is gezamenlijk tot
besluitvorming komen.
Constitutionele monarchie
• Staatshoofd is een koning
• Vastgelegd in de grondwet (constitutie)
• De koning is ook gebonden aan de (Grond)wet
• Lid van de regering
Erfopvolging
− art. 24 GW
− art. 25 GW
-> grondwettelijk gezien komen we er dus nooit onderuit.
• Uitzonderingen:
1. Art. 28 lid 3 GW
2. Art. 29 lid 1 GW
Hoe eindigt het koningschap?
• Art. 27 GW: abdicatiemogelijkheid = afstand van koningschap: regels in voorafgaande
artikelen zijn van overeenkomstige toepassing (start dus weer bij art. 24 GW).
• Art. 28 GW: Toestemmingswet: huwelijk koning en (potentiële) troonopvolgers vereist
toestemming bij wet (Staten-Generaal) -> let op lid 1 en lid 2. Wet in formele zin, geldt voor
de hoogste art. 81 GW. Geen materiële zin want het geldt niet voor iedereen.
• Geen toestemming = afstand koningschap
• Dood door koning
• Ontbreken koningschap
Wet in materiële zin = geldt voor iedereen.
Hoofdfuncties van de koning
29-01-2024 college 1 de democratische rechtsstaat
Nederland is
• Een democratische rechtsstaat
• In de vorm van een constitutionele monarchie (betreft het staatshoofd van Nederland)
• Ingericht als een gedecentraliseerde eenheidsstaat (betreft de regeringsvorm van
Nederland)
• Met een parlementair stelsel (betreft de spreiding van de rechtgevende en uitvoerende
macht in Nederland)
Staat: organisatie
• Op een bepaald grondgebied
• Die overheidsgezag uitoefent
• Over een bevolking
Geweldsmonopolie en interne en externe soevereiniteit spelen een belangrijke rol
Wat is recht?
-> Het geheel van geldende rechtsregels
Constitutie en de Grondwet
• De constitutie: de staatsinrichting, het geheel van de regels waarin deze staatsinrichting is
uitgedrukt.
• De Grondwet is onderdeel van de constitutie
• De constitutie is dus meer dan alleen de grondwet
• Ook ongeschreven recht kan onderdeel uitmaken van de constitutie
Wat zijn de bronnen van het staatsrecht:
- Grondwet
- Statuut
- Verdragen
- EU-recht
- Provinciewet
- Gemeentewet
- Wet op de Rechterlijke Organisatie
- Kieswet
- Regelementen van Orde van de Tweede Kamer
De vier hoofdvragen van het staatsrecht:
1. Welke bevoegdheid komt toe aan een orgaan?
2. Wat is de reikwijdte van die bevoegdheid? (Wetsartikel)
3. Wat zijn de grenzen van de bevoegdheid?
4. Wat ziet toe op de naleving van de bevoegdheidsgrondslag?
Elementen rechtsstaat:
, - Legaliteitsbeginsel (geldt voor iedereen -> rule of law)
- Grondrechten
- Machtenscheiding
- Onafhankelijke rechter
Het Legaliteitsbeginsel:
• De ‘staat’ treedt alleen op, op basis van een democratisch tot stond gekomen wet.
• Daarbij moet de overheid zich ook aan de wet houden.
• Het legaliteitsbeginsel definiëren we dus als volgt.
‘Ieder overheidsoptreden berust op een daaraan voorafgaande regel’
• Die regel moet wel democratisch tot stand zijn gekomen, dus:
‘Dat die regel gemaakt mag worden, moet staan in de grondwet’
Democratie
- Directe democratie
- Indirecte democratie
- Combinatie (indirecte met bijv. Een referendum)
Eerste Kamer + Tweede Kamer
Nederland als democratische rechtsstaat
Binnen een representatieve democratie is er sprake van een kiesstelsel, waarbij:
1. Verkiezingen regelmatig plaatsvinden
2. Verkiezingen geheim zijn
3. Iedere stem even zwaar weegt
4. Toegang tot verkiezingen algemeen gewaarborgd is
5. Kandidaatstelling transparant geregeld is en algemeen toegankelijk
6. Het tellen met waarborgen omkleed is.
Indien wettelijk vastgelegd, ook referenda.
Machtenscheiding: trias politica
- Wetgevende/controlerende macht (parlement)
- Uitvoerende macht (regering)
- Rechtsprekende macht
, Wetgevende macht Uitvoerende macht Rechtsprekende macht
Maakt regels (van wetten in Voert de regels uit (van Controleert de uitvoering van
formele zin tot regering tot burgemeester) de regels in concrete gevallen.
gemeenteverordeningen)
Voorbeeld: Voorbeeld: Voorbeeld:
Art. 13b Opiumwet: Bijv. drugspand sluiten Afdeling bestuursrechtspraak
1. De burgemeester is bevoegd van de Raad van State in hoger
tot oplegging van een last beroep:
onder bestuursdwang indien in
een woning of lokaal of op een Dit betekent dat de rechtbank
daarbij behorende erf: terecht heeft geoordeeld dat
a. Een middel als bedoeld in de burgemeester in dit geval
lijst I of II dan wel aangewezen niet in redelijkheid van zijn
krachtens artikel 3a, vijfde lid, bevoegdheid tot sluiting vd
wordt verkocht, afgeleverd of woningen gebruik heeft
verstrekt dan wel daartoe kunnen maken.
aanwezig is;
Onafhankelijke rechtspraak:
Art. 117 lid 1 GW.
05-02-2024 Hoorcollege 2 Nederland als koninkrijk
1.11 Staatsvormen
Onderscheid tussen hoofdvormen
1. Monarchieën vs republieken
2. Eenheidsstaten vs gedecentraliseerde eenheidsstaten
3. Federaties (Duitsland) vs confederaties (EU)
Monarchieën/republiek
• Monarchieën is er sprake van een erfelijke vorm van opvolging van het staatshoofd.
Bijvoorbeeld: Verenigd Koninkrijk en Nederland.
• Republiek vindt de selectie plaats door de kiezers of door speciale instanties of door het
parlement. Bijvoorbeeld: de VS, Duitsland en Frankrijk.
Eenheidsstaat
• Als bevoegdheden en taken in handen zijn van vooral een centrale regering en wetgever.
• ‘Lagere’ overheden zijn gebonden aan besluiten van de centrale overheid en grondwettelijk
niet beschermd zijn tegen een uitholling van hun eigen taken- en bevoegdhedenpakket.
Wanneer er meer wordt overgelaten aan lagere overheden spreken we van decentralisatie: een
eenheidsstaat wordt een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
, • Grondwet en wetgever hebben bevoegdheden opgedragen en overgelaten aan gemeenten
en provincies. Deze oefenen die bevoegdheid uit binnen specifieke grenzen; bij
overschrijding daarvan kan hogerhand worden ingegrepen.
Federale staatsvorm
• Subonderdelen van de overkoepelende staat een grondwettelijk beschermd taken- en
bevoegdhedenpakket hebben: de nationale federale wetgever kan dat niet afnemen of
veranderen, niet zonder instemming van die deelstaten.
• Deelstaten zijn betrokken bij de grondwetswijzigingen
• Tweekamerstelsel, waarbij één parlementskamer de kiezers vertegenwoordigt en de andere
(de Senaat) de deelstaten.
Confederale staatsvorm (is een lossere samenwerkingsvorm)
• Deelstaten hebben hun soevereiniteit behouden, maar hebben gekozen een samenwerking
aan te gaan voor gemeenschappelijke zaken.
Verschil confederatie en federatie:
Confederatie opereert op basis van consensus. De vertegenwoordigers van de staten komen bijeen
in confederaal verband en kunnen op de gebieden waar de confederatie bevoegd is gezamenlijk tot
besluitvorming komen.
Constitutionele monarchie
• Staatshoofd is een koning
• Vastgelegd in de grondwet (constitutie)
• De koning is ook gebonden aan de (Grond)wet
• Lid van de regering
Erfopvolging
− art. 24 GW
− art. 25 GW
-> grondwettelijk gezien komen we er dus nooit onderuit.
• Uitzonderingen:
1. Art. 28 lid 3 GW
2. Art. 29 lid 1 GW
Hoe eindigt het koningschap?
• Art. 27 GW: abdicatiemogelijkheid = afstand van koningschap: regels in voorafgaande
artikelen zijn van overeenkomstige toepassing (start dus weer bij art. 24 GW).
• Art. 28 GW: Toestemmingswet: huwelijk koning en (potentiële) troonopvolgers vereist
toestemming bij wet (Staten-Generaal) -> let op lid 1 en lid 2. Wet in formele zin, geldt voor
de hoogste art. 81 GW. Geen materiële zin want het geldt niet voor iedereen.
• Geen toestemming = afstand koningschap
• Dood door koning
• Ontbreken koningschap
Wet in materiële zin = geldt voor iedereen.
Hoofdfuncties van de koning