1. Stel jouw patiënt presenteert zich met een scapulaire dyskinesie. Vul de volgende zin aan:
Dit gaat vaak samen met een verkorting van de
A. m. deltoideus
B. m. pectoralis major
C. m. pectoralis minor
D. m. serratus anterior
2. Welke dyskinesie is zichtbaar?
A. Shrugging
B. Anteropositie van het hoofd
C. Winging
D. Inferior tipping
3. Welke structuur bevindt zich in de neutrale stand van de arm NIET in de subacromiale
ruimte?
A. De bursa subacriomalis
B. De supraspinatuspees
C. De lange biceps pees
D. De subscapularispees
4. Welke weerstandstesten van de elleboog kunnen provocaties zijn bij een SLAP-laesie?
A. Flexie en pronatie
B. Extensie en pronatie
C. Extensie en supinatie
D. Flexie en supinatie
5. Wat is GEEN symptoom bij een artrose van het AC-gewricht
A. Lokale drukpijn bij het AC-gewricht
B. Beperking in de horizontale adductie
C. Piano toets fenomeen
D. Startklachten bij bewegen
6. Wat verstaan we onder een SLAP-laesie?
A. Een laesie van het superiore deel van de kraakbeenring op het cavitas glenoidale
, B. Een instabiliteit van de schouder na een luxatie
C. Een ruptuur van het caput longum van de biceps brachii
D. Een laesie van het cavitas glenoidale van de schouder
7. Wat is GEEN kenmerkend symptoom van de aanwezigheid van een anterieure instabiliteit?
A. Onvermogen arm heffen
B. Apprehension bij bewegingen boven het hoofd
C. Klikken van de schouder
D. Gevoel van instabiliteit
8. Welke extreme beweging ligt meestal ten grondslag aan het ontstaan van een anterieure
luxatie van het glenohumerale gewricht?
A. Anteflexie en exorotatie
B. Abductie en exorotatie
C. Abductie en endorotatie
D. Anteflexie en endorotatie
9. Welke stelling is het MINST waarschijnlijk over de (anterieure) schouderluxatie?
A. Een traumatische schouderluxatie is meestal naar anterior
B. Bij jonger dan 25-30 jaar met een schouderluxatie is de recidiefkans hoog
C. Bij jongeren gaat een schouderluxatie vaak gepaard met een cuffruptuur
D. Een bijkomende labrumruptuur kan een Bankart-laesie zijn
10. Met welke van de volgende bewegingen kan je zeker NIET testen of er sprake is van een
GIRD?
A. Abductie
B. Horizontale adductie
C. Endorotatie in 90 gaden abductie
D. Endorotatie in 0 graden abductie
11. Welk ligament maakt GEEN onderdeel uit van het ligamentem deltoideum van de enkel?
A. Pars tibiotalaris lateralis
B. Pars tibiotalaris anterior
C. Pars tibionavicularis
D. Pars tibiocalcanea
12. Casus: een patiënt (40 jaar) meldt zich met ventrale enkelklachten (links en rechts) nadat hij
10 dagen in de bergen heeft gewandeld. De klachten zijn geleidelijk ontstaan en waren
vooral aanwezig bij het bergafwaarts lopen. Nu de patiënt weer in Nederland is, merkt hij dat
hij ook last heeft bij het lopen op vlak terrein; in de fase van de heelstrike tot de footflat.
Waar heeft bovenstaande patiënt vermoedelijk last van?
Dit gaat vaak samen met een verkorting van de
A. m. deltoideus
B. m. pectoralis major
C. m. pectoralis minor
D. m. serratus anterior
2. Welke dyskinesie is zichtbaar?
A. Shrugging
B. Anteropositie van het hoofd
C. Winging
D. Inferior tipping
3. Welke structuur bevindt zich in de neutrale stand van de arm NIET in de subacromiale
ruimte?
A. De bursa subacriomalis
B. De supraspinatuspees
C. De lange biceps pees
D. De subscapularispees
4. Welke weerstandstesten van de elleboog kunnen provocaties zijn bij een SLAP-laesie?
A. Flexie en pronatie
B. Extensie en pronatie
C. Extensie en supinatie
D. Flexie en supinatie
5. Wat is GEEN symptoom bij een artrose van het AC-gewricht
A. Lokale drukpijn bij het AC-gewricht
B. Beperking in de horizontale adductie
C. Piano toets fenomeen
D. Startklachten bij bewegen
6. Wat verstaan we onder een SLAP-laesie?
A. Een laesie van het superiore deel van de kraakbeenring op het cavitas glenoidale
, B. Een instabiliteit van de schouder na een luxatie
C. Een ruptuur van het caput longum van de biceps brachii
D. Een laesie van het cavitas glenoidale van de schouder
7. Wat is GEEN kenmerkend symptoom van de aanwezigheid van een anterieure instabiliteit?
A. Onvermogen arm heffen
B. Apprehension bij bewegingen boven het hoofd
C. Klikken van de schouder
D. Gevoel van instabiliteit
8. Welke extreme beweging ligt meestal ten grondslag aan het ontstaan van een anterieure
luxatie van het glenohumerale gewricht?
A. Anteflexie en exorotatie
B. Abductie en exorotatie
C. Abductie en endorotatie
D. Anteflexie en endorotatie
9. Welke stelling is het MINST waarschijnlijk over de (anterieure) schouderluxatie?
A. Een traumatische schouderluxatie is meestal naar anterior
B. Bij jonger dan 25-30 jaar met een schouderluxatie is de recidiefkans hoog
C. Bij jongeren gaat een schouderluxatie vaak gepaard met een cuffruptuur
D. Een bijkomende labrumruptuur kan een Bankart-laesie zijn
10. Met welke van de volgende bewegingen kan je zeker NIET testen of er sprake is van een
GIRD?
A. Abductie
B. Horizontale adductie
C. Endorotatie in 90 gaden abductie
D. Endorotatie in 0 graden abductie
11. Welk ligament maakt GEEN onderdeel uit van het ligamentem deltoideum van de enkel?
A. Pars tibiotalaris lateralis
B. Pars tibiotalaris anterior
C. Pars tibionavicularis
D. Pars tibiocalcanea
12. Casus: een patiënt (40 jaar) meldt zich met ventrale enkelklachten (links en rechts) nadat hij
10 dagen in de bergen heeft gewandeld. De klachten zijn geleidelijk ontstaan en waren
vooral aanwezig bij het bergafwaarts lopen. Nu de patiënt weer in Nederland is, merkt hij dat
hij ook last heeft bij het lopen op vlak terrein; in de fase van de heelstrike tot de footflat.
Waar heeft bovenstaande patiënt vermoedelijk last van?