1.1 Ademhaling en circulatie
Week 1
MC-B
Leerdoelen
o De termen anatomie, fysiologie en functionele anatomie uit kunnen
leggen
o De anatomische houding kunnen beschrijven
o De medische terminologie van de lichaamsvlakken, doorsneden, plaats
en richting aanduiding kunnen toepassen (bij eenvoudige voorbeelden)
o De betekenis van flexie, extensie, exo- en endorotatie kunnen uitleggen
o De regio’s van het lichaam kunnen benoemen
o Kunnen uitleggen wat de afkortingen n., v., a. en m. betekenen
Anatomie:
‘Ontleedkunde’
Bouw
Fysiologie:
Functie
Functionele anatomie:
Bouw en functie hangen samen
=A+F
Anatomische houding:
Rechtop staand
Gezicht naar voren
, Ogen open
Armen langs lichaam met handpalmen naar voren
Voeten iets uit elkaar
Lichaamsvlakken:
Transversaal vlak (transversale vlak): loopt evenwijdig met het
vloeroppervlak, staat loodrecht op de lichaamsas en verdeelt het
lichaam of delen daarvan in boven en onder.
Sagittaal vlak (mediaanvlak): staat loodrecht op een frontaal vlak en
verdeelt het lichaam of delen in links en rechts.
Frontaal vlak (frontale vlak): loopt evenwijdig aan de lichaamsas en
verdeelt het lichaam of delen daarvan in voor en achter.
,
, Plaatsaanduiding:
Ventraal: aan de buikzijde
Dorsaal: aan de rugzijde/ achterzijde
Anterior: aan de voorkant, voor
Posterior: aan de achterkant, achter
Centraal: in het midden
Perifeer: aan de uiteinden
Craniaal: aan de kant van de schedel/ richting het hoofd
Caudaal: aan de kant van de staart/ richting staartbeen
Superior: hoger, boven
Inferior: lager, benden
Lateraal: aan de zijkant
Mediaal: naar het midden toe
Proximaal: aan de kant van de romp/ richting het middelpunt
Distaal: ver van de romp/ verder van het middelpunt
Sinister: links
Dexter: rechts
Internus: inwendig
Externus: uitwendig
Richting aanduiding:
Week 1
MC-B
Leerdoelen
o De termen anatomie, fysiologie en functionele anatomie uit kunnen
leggen
o De anatomische houding kunnen beschrijven
o De medische terminologie van de lichaamsvlakken, doorsneden, plaats
en richting aanduiding kunnen toepassen (bij eenvoudige voorbeelden)
o De betekenis van flexie, extensie, exo- en endorotatie kunnen uitleggen
o De regio’s van het lichaam kunnen benoemen
o Kunnen uitleggen wat de afkortingen n., v., a. en m. betekenen
Anatomie:
‘Ontleedkunde’
Bouw
Fysiologie:
Functie
Functionele anatomie:
Bouw en functie hangen samen
=A+F
Anatomische houding:
Rechtop staand
Gezicht naar voren
, Ogen open
Armen langs lichaam met handpalmen naar voren
Voeten iets uit elkaar
Lichaamsvlakken:
Transversaal vlak (transversale vlak): loopt evenwijdig met het
vloeroppervlak, staat loodrecht op de lichaamsas en verdeelt het
lichaam of delen daarvan in boven en onder.
Sagittaal vlak (mediaanvlak): staat loodrecht op een frontaal vlak en
verdeelt het lichaam of delen in links en rechts.
Frontaal vlak (frontale vlak): loopt evenwijdig aan de lichaamsas en
verdeelt het lichaam of delen daarvan in voor en achter.
,
, Plaatsaanduiding:
Ventraal: aan de buikzijde
Dorsaal: aan de rugzijde/ achterzijde
Anterior: aan de voorkant, voor
Posterior: aan de achterkant, achter
Centraal: in het midden
Perifeer: aan de uiteinden
Craniaal: aan de kant van de schedel/ richting het hoofd
Caudaal: aan de kant van de staart/ richting staartbeen
Superior: hoger, boven
Inferior: lager, benden
Lateraal: aan de zijkant
Mediaal: naar het midden toe
Proximaal: aan de kant van de romp/ richting het middelpunt
Distaal: ver van de romp/ verder van het middelpunt
Sinister: links
Dexter: rechts
Internus: inwendig
Externus: uitwendig
Richting aanduiding: