Hoofdstuk 1 – Het Recht...............................................................................................2
Hoofdstuk 2 – Rechtsbronnen.......................................................................................3
Hoofdstuk 3 – Volksvertegenwoordiging en regering...................................................3
Hoofdstuk 4 – Democratie en rechtsstaat.....................................................................8
Hoofdstuk 5 – Wetgeving............................................................................................12
Hoofdstuk 6 – Rechtspraak.........................................................................................15
Hoofdstuk 7 – Bestuur.................................................................................................18
Hoofdstuk 8 – Materieel strafrecht..............................................................................22
Hoofdstuk 9 – Strafprocesrecht...................................................................................28
Hoofdstuk 10 – Rechtsbescherming tegen de overheid.............................................36
Hoofdstuk 11 – Privaatrecht algemeen, verbintenissenrecht.....................................40
Hoofdstuk 12 – Verbintenissen uit overeenkomst.......................................................43
Hoofdstuk 13 – Verbintenissen uit de wet...................................................................48
Hoofdstuk 14 – Goederenrecht...................................................................................51
Hoofdstuk 15 – Personen- en familierecht..................................................................55
Hoofdstuk 16 – Erfrecht...............................................................................................60
Hoofdstuk 17 – Rechtspersonenrecht en ondernemingsvormen................................65
Hoofdstuk 18 – Burgerlijk procesrecht.......................................................................72
Hoofdstuk 19 – Internationaal Recht...........................................................................79
,Hoofdstuk 1 – Het Recht
Wat het recht moet bereiken (doel): Een politieke keuze.
Rust en rechtvaardigheid
Bescherming van de zwakken
Conflictbeheersing
Zelfontplooiing
Evenwicht tussen belangen van het individu en de maatschappij
Ordenen van de samenleving
Regels geven om conflicten op te lossen
Rechtsgebieden:
Staatsrecht: Organisatieplaatje van de overheid in ruste. Grondregels voor de
organisatie van de staat. Beschrijving van verschillende organen van de Staat en hun
onderlinge verhoudingen.
Bestuursrecht: Regels over de bestuurstaak van de overheid. Hoe de overheid zich
ten opzichte van burgers moet gedragen. Recht op bezwaar en beroep. Ordenende
taak van de overheid, onderwijs, milieu en gezondheid. Overheid in actie.
Strafrecht: Gedraging schendt zozeer de rechtsorde dat een bestraffende reactie van
de overheid moet volgen. Het Openbaar Ministerie beslist of verdachte moet worden
vervolgd en de rechter kijkt of er voldoende bewijs is.
Burgerlijk recht: Rechtsverhouding tussen burgers onderling.
o Personen- en familierecht: Familierechtelijke verhoudingen in en buiten het
gezin. Dit recht is niet in geld uit te drukken en kan niet worden overgedragen
aan een ander.
o Vermogensrecht: Alle rechten en plichten waaruit een vermogen van een
persoon kan zijn opgebouwd en rechten en plichten die uit vermogensrechten
voortvloeien. Op geld waardeerbare zaken.
Erfrecht: Specifiek onderdeel van het vermogensrecht dat beschrijft
wat er met het vermogen van een overledene gebeurt.
o Rechtspersonenrecht: Organisatie- en ondernemingsvormen die een eigen
leven leiden in het recht. Vermogen van een rechtspersoon staat los van de
privévermogens van oprichters en bestuurders. Een rechtspersoon kan
aankopen doen, zaken in eigendom verwerven, winst maken en verlies lijden.
Rechtspersonen zijn de nv, bv, stichting, vereniging en kerkgenootschap. Het
rechtspersonenrecht geeft oprichtingseisen, organen van de rechtspersoon en
bevoegdheden van de organen.
Publiekrecht: Overheid heeft een eigen taak of positie, staatsrecht, bestuursrecht en
strafrecht. Wetten die de overheid in staat stellen de samenleving te ordenen. De overheid
kan zijn wil door deze bevoegdheden doorzetten ondanks verzet van burgers, omdat zo de
samenleving als geheel gediend kan worden.
Privaatrecht: De overheid heeft geen specifieke taak. Rechtsverhoudingen tussen burgers
onderling of de overheid die als gewoon persoon handelt.
Materieel recht: Rechten en plichten van mensen en instellingen.
Formeel recht: Wat er gedaan kan worden tegen schending van een recht of plicht uit het
materieel recht, procesrecht. Het staatsrecht heeft geen formeel recht.
Nationaal recht: Regels die gelden op het grondgebied van een bepaald land.
Internationaal recht: Rechtsrelaties tussen verschillende staten, vooral verdragen.
Objectief recht: Rechtsregels, zoals we die in wetten en verdragen vinden.
,Subjectief recht: Rechten en bevoegdheden die mensen aan objectieve rechten ontlenen.
Hoofdstuk 2 – Rechtsbronnen
Rechtsbronnen: Plaatsen waar het recht te vinden is. De belangrijkste zijn:
Internationaal verdrag: Komt tot stand via de regels van de Grondwet:
1. Verschillende landen zijn het eens over de inhoud van een verdrag.
2. Ceremonie waarin alle betrokken regeringen het verdrag ondertekenen.
3. Verdrag wordt aan de volksvertegenwoordiging voorgelegd.
4. Volksvertegenwoordiging keurt het verdrag goed.
5. Inhoud wordt verbindend en alle overheidsorganen zijn aan de tekst
gebonden.
6. Verdrag wordt bekrachtigd door het opstellen van een oorkonde waarin wordt
aangegeven dat Nederland partij is bij het verdrag.
7. Oorkonde wordt neergelegd bij een in het verdrag aangegeven instantie.
8. Verdrag wordt algemeen bekendgemaakt door publicatie in het Tractatenblad.
Wet: Verschillende overheidsorganen hebben wetgevende bevoegdheden. De
regering en volksvertegenwoordiging samen is onze hoogste wetgever.
1. Wet in formele zin: Besluit afkomstig van de regering en
volksvertegenwoordiging (Staten-Generaal) samen dat volgens een in de
Grondwet vastgelegde procedure tot stand is gekomen. Wetten in formele zin
bevatten altijd de term wet. Dit maakt de hoofdregels en schept een wettelijk
kader.
2. Wet in materiële zin: Alle algemeen verbindende overheidsvoorschriften,
ongeacht welk wetgevend overheidsorgaan het voorschrift heeft gemaakt.
Uitwerking van de wetten.
Jurisprudentie: Verzameling van alle rechtelijke uitspraken die de rechters hebben
gedaan. Vooral in uitspraken van de Hoge Raad wordt vaak uitleg gegeven over de
betekenis van een bepaalde wet. Uitspraken van Europese rechters zijn bijna net zo
belangrijk als uitspraken van de Hoge Raad, omdat zij steeds meer invloed
uitoefenen op ons recht en het recht aanzienlijk veranderen.
Gewoonte: Gewoonten die ingeburgerd zijn en door veel mensen als recht worden
ervaren zijn ongeschreven rechtsbronnen. In het strafrecht is bijna geen plaats voor
gewoonte.
Benaming regelingen van verschillende overheidsorganen:
Regering en volksvertegenwoordiging samen (Staten-Generaal): Wet
Regering: Algemene maatregel van bestuur
Minister: Ministeriële regeling
Provinciale Staten: Provinciale verordening
Gemeenteraad: Gemeentelijke verordening
Bestuur van het waterschap: Waterschapsverordening
Een wet in formele zin is bijna altijd ook een wet in materiële zin, behalve besluiten die
gericht zijn op één bepaald persoon of één bepaalde zaak.
Hoofdstuk 3 – Volksvertegenwoordiging en regering
Begrippen:
Volksvertegenwoordiging / parlement: Eerste en Tweede Kamer
Fractie: Groep Eerste of Tweede Kamerleden die deel uitmaken van dezelfde
politieke partij
, Commissie: Fractiespecialisten die namens hun fractie het onderwerp van de
commissie bijhouden. Hier worden plenaire vergaderingen van de Kamer voorbereidt
door standpunten uit te wisselen, compromissen te sluiten, wetsvoorstellen te
beoordelen en contact te voeren met de minister.
Regering: Koning en ministers
Kabinet: Ministers en staatssecretarissen (politiek ambtsdragers). Een kabinet draagt
de naam van de minister-president, bijvoorbeeld kabinet-Schoof.
Minister: Geeft politieke leiden aan een ministerie
Staatssecretaris: Werkt onder de minister en geeft leiding aan een deel van het
ministerie
Staatshoofd: Koning of Koningin
Informateur: Begeleidt onderhandelingen van een specifieke coalitie
Formateur: Wordt benoemd als onderhandelingen succesvol zijn en stelt met
fractievoorzitters op basis van het verslag van informateur een regeerakkoord op met
daarin de hoofdlijnen van het te voeren beleid. Formateur vormt ook het kabinet.
Bewindspersonen: Minister-president, ministers en staatssecretarissen
Staat: Samenleving van mensen die wonen op een bepaald stuk grond waar bepaalde
rechtsregels gelden, die zo nodig onder dwang kunnen worden gehandhaafd.
Grondgebied: Grenzen van het grondgebied zijn vastgesteld in internationale
verdragen. Territoriale wateren tot twaalf zeemijlen vanuit de kust en de lucht boven
het grondgebied tot de grens waar vliegtuigen technische gezien kunnen vliegen
horen ook bij het grondgebied. Wateren buiten de territoriale zee en lucht boven de
vliegtuiggrens is internationaal gebied en gebruik daarvan moet in internationale
verdragen worden vastgelegd.
Staatsgezag: Staatsrecht beschrijft de organisatie van het overheidsgezag
Bronnen van staatrecht:
Grondwet: Belangrijkste bron van ons staatrecht is de Grondwet waarin de structuur
van het Nederlands staatsbestel is vastgelegd. De Grondwet waarborgt de
grondrechten en de democratische rechtsstaat.
o Organieke wetten: Wetten die in opdracht van de Grondwet de onderwerpen
met betrekking tot de opbouw en inrichting van het staatsbestel nader regelen.
Gewoonte: Belangrijke rechtsbron in het staatsrecht.
o Vertrouwensleer: Verhouding tussen het kabinet en het parlement. Een
kabinet of minister moet ontslag nemen als de volksvertegenwoordiging geen
vertrouwen meer heeft in zijn beleid.
o Gang van zaken tijdens de kabinetsformatie
Jurisprudentie
Internationale verdragen
Statuut voor het Koninkrijk: Regelt de verhoudingen tussen de verschillende delen
van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa en het Caribisch gebied.
o Aruba, Sint-Maarten en Curaçao zijn zelfstandige landen in het Koninkrijk.
o Bonaire, Saba en Sint-Eustatius zijn openbare lichamen die deel uitmaken
van het staatsbestel van Nederland.
Volksvertegenwoordiging (parlement): De Eerste en Tweede Kamer, worden in de Grondwet
de Staten-Generaal genoemd. Essentieel voor een democratie, omdat beide Kamers het
Nederlandse volk moeten vertegenwoordigen.
Taken
o Wetgevende taak: Kamers maken samen met de regering de belangrijkste
wetten.