staatsneutraliteit, is facilitering - bijvoorbeeld fiscale voordelen - van
geloofsgemeenschappen toegestaan? (5 feb)
H17, De verhouding tussen het interne recht van geloofsgemeenschappen en het
burgerlijk recht
17.1 De regels voor de geloofsgemeenschap
Interne regels geloofsgemeenschap als organisatie zijn vastgelegd in de traditie, een geschreven ‘kerkorde’ en/of in besluiten
van bevoegde organen van de geloofsgemeenschap.
Hoewel de grondslag, het heilige boek of de heilige boeken die in een geloofsgemeenschap als fundamenteel gelden, niet als
juridische teksten kunnen worden beschouwd, bepalen zij wel mede de normen en waarden (toetsingskader handelen) en
daarmee het interne recht binnen de geloofsgemeenschap. Bepalen niet alleen de interne verhoudingen binnen de organisatie
van de geloofsgemeenschap, maar ook wie tot de gemeenschap behoren.
17.2 De rechtspersoonlijkheid van kerkgenootschappen en andere geloofsgemeenschappen
Voor de herkenbaarheid intern en extern en om dit goed te administreren heeft de geloofsgemeenschap rechtspersoonlijkheid
nodig (2:2 BW) daardoor verkrijgt de geloofsgemeenschap een juridisch aanknopingspunt via welke zij de juridische
betrekkingen met de buitenwereld maar ook intern kan laten lopen.
Vormen kerkgenootschappen een eigen categorie rechtspersonen of behoren ze tot de publiek- of privaatrechtelijke
rechtspersonen? Zie 2:2 BW
In Boek 2 BW staan de kerkgenootschappen in artikel 2:2 BW tussen de publiekrechtelijke RP van 2:1 BW en de
privaatrechtelijke RP van 2:3 BW in
Kerkgenootschappen zijn niet publiekrechtelijk: hebben geen publiekrechtelijke rechtsbevoegdheden en zijn niet door
de staat ingesteld privaatrechtelijke RP
17.3 De juridische status van het interne recht van rechtspersoonlijkheid bezittende geloofsgemeenschappen
Er is geen verplichting voor het kerkgenootschap om het interne recht in een al dan niet notarieel document vast te leggen. Bij
het kerkelijk ‘statuut’ wordt niet zoals bij verenigingen en stichtingen onderscheid gemaakt tussen statuten en reglementen. 1
M.b.t. de organisatorische inrichting hebben geloofsgemeenschappen een grote vrijheid De vrijheid van godsdienst die
geloofsgemeenschappen genieten geeft hen echter niet de keus om de wettelijke regels voor de vereniging of stichting, als zij
deze rechtsvorm kiezen, te negeren.
Geloofsgemeenschappen in die rechtspersoonsvormen doen er derhalve goed aan de regels die zij fundamenteel van belang
achten in de statuten (objectief recht) vast te leggen. Ook de godsdienstige grondslag kan in de statuten worden neergelegd.
Statutaire bepalingen tellen juridisch volledig mee.
De verhoudingen tussen de leden en de geloofsgemeenschap-rechtspersoon worden beheerst door de interne regelgeving
(kerkelijk statuut of verenigingsstatuten). Deze relaties zijn niet van contractuele, maar van rechtspersonenrechtelijke aard.
Daarop is als zodanig dus niet het vermogensrecht van toepassing.
Geloofsgemeenschap mag regels over rechten en verplichtingen stellen die zij i.v.m. het bewaren van het geloof en van de
gemeenschap noodzakelijk acht. De enige grens is dat geloofsgemeenschap t.o.v. leden niet in strijd handelt met de r&b.
Voor opleggen verbintenissen in kerkelijk verband ook expliciete bepaling in kerkelijk statuut hiervoor vereist (art. 2:34a BW).
Moge naar intern recht de band op andere gronden kunnen berusten, naar privaatrecht (vermogensrecht) moet dit berusten op
wederzijdse instemming. Is die er niet, dan kan het kerkgenootschap niet de nakoming van de voor de leden geldende
verplichtingen afdwingen.
Positie van geestelijke functionarissen:
In statuut is voor elk orgaan aangegeven hoe het wordt samengesteld en welke bevoegdheden het orgaan heeft. Bij
kerkgenootschappen bestaat tav de inrichting een zeer grote vrijheid op dit punt: regels betreffende de aanstelling, de taken, de
rechtspositie en de beëindiging van de taken van de voorganger (en eventuele andere liturgische functionarissen) in hun interne
regelingen invullen naar eigen theologische opvatting.
Grenzen van het interne recht:
2:2 lid 2 eerste zin BW ‘voor zover dit niet in strijd is met de wet’ fundamentele beginselen van het NL recht. 9 EVRM.
Intern recht geloofsgemeenschappen-rp heeft in NL geen (civiel-)juridische effecten buiten de organisatorische verhoudingen.
Hoewel systematisch gezien het interne recht juridisch alleen effect kan hebben op het terrein van de interne verhoudingen,
zullen in de realiteit de interne regels veel meer gebieden bestrijken, omdat de godsdienst zich ook over die gebieden uitstrekt
(bijv. personen- en familierecht). Deze regels mogen echter ook niet in strijd komen met het dwingende recht.
,De gelding van het interne recht van de geloofsgemeenschap-rechtspersoon neemt een einde op het ogenblik dat een lid van de
geloofsgemeenschap zich aan die gemeenschap onttrekt.
17.4 Gelding van burgerlijk recht ‘binnen’ de geloofsgemeenschap?
Wanneer spreekt men van regels die gelden ‘binnen de geloofsgemeenschap’? relaties van de rp tot de leden en tot
functionarissen + relaties tussen leden en/of functionarissen onderling + uitoefening bevoegdheden organen, commissies enz.
Verbintenissen en overeenkomsten in het kader van de geloofsgemeenschap:
Uit het interne recht kan voortvloeien dat er sprake is van verbintenissen leden tegenover de rp of van verbintenissen rp t.o.v.
functionarissen (bijv. bij voorgangers). Voor de afdwingbaarheid van kerkelijke verplichtingen heeft de kerk en de voorganger
dus, als de nood aan de man komt, het burgerlijk recht en de burgerlijke rechter nodig.
Burgerlijke recht ook van toepassing bij:
- Betaalde krachten die werkzaam zijn voor de instandhouding van de gemeenschap en haar vermogen, maar die geen
liturgische rol vervullen; denk hier aan de koster, de tuinman en de huishoudster.
- Contracten (schenkings-, bruikleenovk) tussen bij de rp betrokkenen ouderling en met de rp ihkv geloofsgemeenschap
Het rechtspersonenrecht en de onrechtmatige daad (OD):
Bij een conflict binnen een geloofsgemeenschap (in welke rp-vorm ook) is er een privaatrechtelijke grondslag wanneer er een
beroep op de nietigheid of vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan van de rp wordt gedaan door een belanghebbende,
of wanneer een vordering uit OD wordt ingesteld (art. 6:162 BW).
2:8 en artikel 2:15 BW belangrijk (R&B).
De R&B binnen geloofsgemeenschappen wordt volgens auteur in principe bepaald door de normen die binnen de groep
gelden. Zij wordt derhalve niet (alleen) afgemeten aan de algemene maatschappelijke opvattingen, al zullen die in de
meeste geloofsgemeenschappen vaak ook gelding hebben
Als het conflict puur zakelijk is en er in feite geen relatie is met het lidmaatschap van de geloofsgemeenschap, ligt dat
anders. Dan gelden de maatschappelijke opvattingen zonder meer.
17.5 Ten slotte
Kerkgenootschappen (en andere rp-vormen) functioneren niet alleen intern maar ook extern en komen op die manier iig in
aanraking met het burgerlijk recht: normen van maatschappelijk verkeer. In dat maatschappelijke/economische rechtsverkeer is
het kerkgenootschap net als andere rp (bijv. verenigingen en stichtingen) gelijkgesteld met natuurlijke personen. 2
Nashville, kerkasiel en de vrijheid van godsdienst
Overheid mag zich niet bemoeien met de manier waarop je je geloof belijdt en je dus ook geen (geloofs)wetten voorschrijven.
Daarom mogen religieuze gemeenschappen zelf bepalen hoe zij zich organiseren.
Scheiding van kerk en staat:
- Gelovigen en geloofsgemeenschappen zijn vrij hun geloof te belijden zonder interventie van de overheid,
- Geloofsgemeenschappen hebben geen formele stem in besluitvorming overheid, dus bijv. geen vetorecht op wetgeving
- Geloofsgemeenschappen worden gelijk behandeld door de overheid
Kerkasiel:
Neutrale staat: wil zeggen dat de Staat geloofsgemeenschappen niet discrimineert.
Betekent NIET dat de Staat onverschillig is inzake religie uit NL traditie én wetgeving blijkt juist een positieve grondhouding
staat jegens religie in het algemeen: bijv. fiscale faciliteiten. Achtergrond dergelijke regelgeving: overheid mag zich niet
bemoeien met de godsdienst.
Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (KVS):
Door die achtergrond zijn er nauwelijks wettelijke voorschriften voor oprichting van een kerkgenootschap. KVS maakte hiervan
gebruik. Rechter besliste echter dat KVS geen religie herbergt omdat het de ernst en coherentie van een geloof of religie mist.
Nashvilleverklaring:
Er zijn wetten die de vrijheid van gelovigen mogen beperken, bijv. strafrecht, verkeersregels en veiligheidsvoorschriften.
Anders bij de vraag of geloofsuitingen (zoals Nashvilleverklaring) door de beugel kunnen: samenloop van 2 vrijheden, namelijk
meningsuiting en godsdienst. Uitgangspunt: gelovigen mogen in principe hun geloofsovertuiging uitdragen in zowel woord als
geschrift, maar kan ontaarden in strafbaar feit zoals belediging of discriminatie groep mensen. Context en zorgvuldigheid zijn
hierbij cruciaal.
Evolutie:
,De vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat zijn geen onveranderlijke grootheden. Hun uitleg en reikwijdte
evolueren mee met de maatschappelijke ontwikkelingen.
C-336/19, ARREST VAN HET HOF – RITUELE SLACHTINGEN
Verzoek om prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder c), van verordening (EG) nr.
1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB 2009, L 303, blz. 1) en de
geldigheid van deze bepaling in het licht van de artikelen 10, 20, 21 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de
Europese Unie (hierna: „Handvest”).
r.o. 14: beroep ingesteld tot vernietiging van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde decreet, op grond dat dit decreet met
name in strijd is met artikel 4, lid 4, en artikel 26, lid 2, van verordening nr. 1099/2009, doordat het de joodse en islamitische
gelovigen de waarborg ontneemt dat het vereiste van voorafgaande verdoving niet geldt voor rituele slachtingen. Volgens
verzoekers in het hoofdgeding belet dit decreet namelijk al deze gelovigen, en niet slechts een minderheid onder hen, hun
geloof te belijden door hun niet toe te staan om zich vlees te verschaffen dat afkomstig is van dieren die volgens hun religieuze
voorschriften zijn geslacht. Deze voorschriften verzetten zich namelijk tegen de techniek van omkeerbare bedwelming.
r.o. 18: De speciale slachtmethoden die vereist zijn voor religieuze riten en de naleving van religieuze voedselvoorschriften
vallen volgens verzoekers in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van de vrijheid van godsdienst en kunnen worden
beschouwd als een belijdenis in het openbaar van een godsdienstige overtuiging idzv 9 EVRM en 10, lid 1, van het Handvest.
r.o. 41: Zoals blijkt uit overweging 4 van deze verordening weerspiegelt het in die bepaling neergelegde beginsel van
voorafgaande bedwelming het dierenwelzijn als waarde van de Unie, zoals thans verankerd in 13 VWEU, volgens hetwelk de
Unie en de lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie ten volle rekening houden met hetgeen vereist
is voor het welzijn van dieren.
r.o. 43: Vervolgens bepaalt 4, lid 4, van verordening nr. 1099/2009 dat het beginsel van voorafgaande bedwelming niet geldt
indien dieren worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor religieuze riten, mits het slachten plaatsvindt in
een slachthuis. Die bepaling, gelezen in het licht van overweging 18 van deze verordening, staat ritueel slachten – waarbij het
dier zonder voorafgaande bedwelming wordt gedood – weliswaar toe, maar deze vorm van slachten is in de Unie slechts bij
wijze van uitzondering toegestaan om te verzekeren dat de vrijheid van godsdienst wordt geëerbiedigd, aangezien daarbij pijn, 3
spanning of lijden van het dier niet even efficiënt kan worden verzacht als bij het slachten met voorafgaande bedwelming.
Overeenkomstig 2 onder f van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 20 ervan, is die bedwelming noodzakelijk
om het dier in een toestand van bewusteloosheid en gevoelsverlies te brengen die zijn lijden aanzienlijk kan beperken
r.o. 45: dat „het van belang [is] dat de uitzondering op het bedwelmen voorafgaand aan het slachten gehandhaafd blijft”, maar
dat de lidstaten hierbij „een bepaalde mate van subsidiariteit” behouden. Derhalve mochten de lidstaten o.g.v. 26, lid 1, van
verordening nr. 1099/2009 alle nationale voorschriften handhaven die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening
reeds van toepassing waren en strekten tot een uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden
r.o. 46: Ten slotte is in 26 lid 4 van verordening nr. 1099/2009 bepaald dat de lidstaten niet mogen verbieden of verhinderen dat
producten van dierlijke oorsprong van in een andere lidstaat geslachte dieren op hun grondgebied in het verkeer worden
gebracht op grond van het feit dat de betrokken dieren niet gedood zijn in overeenstemming met hun nationale voorschriften
die strekken tot uitgebreidere bescherming van dieren bij het doden.
r.o. 57: Volgens de rechtspraak van het EHRM is de door 9 EVRM beschermde vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst een
van de fundamenten van een „democratische samenleving” idzv dat verdrag, aangezien het pluralisme, dat onverbrekelijk
samenhangt met een dergelijke samenleving, van die vrijheid afhankelijk is. Zie ook 9 lid 2 EVRM.
r.o. 58 Evenzo moeten volgens 52, lid 1 eerste volzin Handvest beperkingen op de uitoefening van de daarin erkende rechten en
vrijheden bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Volgens de tweede volzin
van deze bepaling kunnen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel aan die rechten en vrijheden slechts beperkingen
worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van
algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
r.o. 61: nationale regeling die de verplichting oplegt om dieren bij rituele slachtingen vooraf te bedwelmen, maar voorschrijft dat
de bedwelming omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier mag leiden, is in overeenstemming met de wezenlijke inhoud van
10 Handvest, aangezien de uit die regeling voortvloeiende inmenging […] beperkt blijft tot één aspect van de specifieke rituele
daad van het slachten en de rituele slacht als zodanig niet verboden is.
, r.o. 66: Vastgesteld moet worden dat een nationale regeling die voorziet in de verplichting om dieren bij rituele slachtingen
vooraf te bedwelmen, maar voorschrijft dat de bedwelming omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier mag leiden, geschikt
is ter verwezenlijking van de […] genoemde doelstelling om het welzijn van dieren te bevorderen.
r.o. 77: het Handvest is, net als het EVRM, een levend instrument dat moet worden geïnterpreteerd in het licht van de huidige
levensomstandigheden en de opvattingen die vandaag de dag in democratische staten heersen, zodat er rekening moet worden
gehouden met de ontwikkeling van de waarden en opvattingen in de lidstaten, zowel op maatschappelijk als op normatief
gebied. Het dierenwelzijn, een waarde waaraan de hedendaagse democratische samenlevingen sinds enkele jaren steeds meer
belang hechten, kan in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen in grotere mate in aanmerking worden genomen in het
kader van het ritueel slachten en aldus mede rechtvaardigen dat een regeling als in het hoofdgeding evenredig is.
r.o. 81: Gelet op wat voorafgaat, moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat 26 lid 2 eerste alinea, onder c),
van verordening nr. 1099/2009, gelezen in het licht van 13 VWEU en 10 lid 1 Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich
niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor rituele slachtingen een verdovingsmethode oplegt die omkeerbaar is en
niet tot de dood van het dier kan leiden.
ECLI:NL:RBDHA:2020:5469 – aanbevelen vrouwenbesnijdenis
Feiten:
Opruiing en aanzetten tot gewelddadig gedrag tegen vrouwen door een webcollege te geven en daarbij de tekst “de besnijdenis
is verplicht voor de mannen en aanbevolen voor de vrouwen. Het is niet verplicht voor vrouwen. De wijsheid die hier achter is dat
de penis wordt gereinigd van de onreinheden wat zich op de voorhuid bevindt en bij de vrouw worden haar lusten minder" voor
te dragen, welk college op de website van een moskee is geplaatst en aldaar kon worden geraadpleegd.
Rechtsregel:
Uitspraak is in het openbaar gedaan want door de moskee zijn geen bijzondere eisen gesteld aan wie wel of geen toegang kreeg
tot het online cursusmateriaal. Opzet verdachte was ook op openbaarheid, want de video is op internet geplaatst
(openbaarheidseis 131 en 137d Sr).
Door te stellen dat achter vrouwenbesnijdenis de wijsheid zit om lustgevoelens te verminderen, ligt naar het oordeel van de
rechtbank de aanmoediging besloten om vrouwen op grond van hun geslacht geweld aan te doen in de vorm van besnijdenis.
4
Geen schending 10 EVRM, nu de inbreuk bij wet is voorzien, het verbod een legitiem doel dient (voorkomen van mishandelingen
van vrouwen door besnijdenis van hun geslachtsdeel) en de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving. Er is
sprake van een dwingende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en er is voldaan aan de proportionaliteitseis.
Oordeel rb: in dit geval kan het recht op vrijheid van (godsdienst en) meningsuiting niet opwegen tegen het recht van vrouwen
op bescherming tegen geweld en discriminatie. De rechtbank acht de veroordeling van de verdachte niet onevenredig aan het
beoogde doel en daarmee in een democratische samenleving noodzakelijk als bedoel in 10 lid 2 EVRM.
ECLI:NL:GHDHA:2023:130 – aanbevelen vrouwenbesnijdenis
Hoger beroep van ECLI:NL:RBDHA:2020:5469.
Opruiing, criteria: strafbaar feit waartoe is opgeruid (inhoud) + strekking uiting is zodanig dat uitvoering gedraging waartoe is
opgeruid een strafbaar feit oplevert + context waarin de uiting is gedaan + opzet.
Aanzetten tot geweld, criteria: inhoud en strekking bewoordingen uiting + de context waarin deze uiting is geopenbaard. +
opzet.
Inhoud en strekking:
- Uiting is een aanbeveling van vrouwenbesnijdenis.
- Verdachte heeft geen afstand genomen van citaat, maar heeft deze ook niet goedgekeurd of nader uitgelegd. I.t.t.
andere besproken leefregels (bijv. knippen snor, met praktische aanwijzingen).
Context:
- Verdachte verklaart op zitting tegen vrouwenbesnijdenis te zijn en hof ziet geen reden om anders te denken.
- Deskundige ter zitting: niet noodzakelijk om bij uiten van een op zich afkeurenswaardige aanbeveling, hier zelf expliciet
afstand van te nemen + toehoorders begrijpen dat niet de eigen opvatting docent wordt weergegeven + woorden
‘vrouwenbesnijdenis is aanbevolen’ impliceren voor de toehoorders niet dat deze aanbeveling opgevolgd moet worden.
Conclusie: verdachte had geen opzet tot aanzetten tot strafbaar feit of gewelddadig optreden jegens personen. Ook
geen voorwaardelijk opzet, aanmerkelijke kans niet aanvaard