14e druk
Samenvattingen per Hoofdstuk
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Functionele organisatie van het menselijk lichaam en besturing van het
“milieu interieur” ............................................................................................................. 4
Extracellulaire vloeistof – het “interieure milieu” ...................................................................... 5
Homeostase – het behouden van een bijna constant intern milieu ............................................ 6
Controlesystemen van het lichaam ........................................................................................... 9
Hoofdstuk 2: De cel en diens functies .............................................................................. 13
Celstructuur ........................................................................................................................... 15
Cytoplasma en de organellen ................................................................................................. 16
Functionele systemen van de cel ............................................................................................ 21
Locomotie van cellen ............................................................................................................. 25
Hoofdstuk 4: transport van stoffen door celmembranen .................................................. 27
Diffusie .................................................................................................................................. 27
Gating van eiwitkanalen ......................................................................................................... 29
Osmose – netto diffusie van water .......................................................................................... 30
Actief transport van stoffen door membranen ........................................................................ 32
Hoofdstuk 5 – Membraanpotentialen & actiepotentialen ................................................ 36
Basisfysica van membraanpotentialen .................................................................................... 36
Rustmembraanpotentiaal van neuronen ................................................................................. 39
Actiepotentiaal van neuronen ................................................................................................ 40
Speciale kenmerken signaaloverdracht in zenuwbanen ........................................................... 44
Hoofdstuk 6 – Contractie van skeletspieren ..................................................................... 47
Fysiologische anatomie van skeletspieren ............................................................................... 48
Algemeen mechanisme van spiercontractie ............................................................................ 49
Moleculair mechanisme van spiercontractie ........................................................................... 50
Energieverbruik van spiercontractie........................................................................................ 52
Kenmerken van volledige spiercontractie ................................................................................ 53
Ploon Hellendoorn – PMG 1
,Hoofdstuk 7 – Excitatie van skeletspieren ........................................................................ 57
Neuromusculaire overgang (junction) en overdracht (transmissie) van impulsen van
zenuwuiteinden naar skeletspiervezels ................................................................................... 57
Spieractiepotentiaal ............................................................................................................... 59
Excitatie-contractie koppeling................................................................................................. 60
Hoofdstuk 8 – Excitatie & contractie glad spierweefsel .................................................... 63
Contractiemechanisme van gladde spieren ............................................................................. 63
Regulatie van contractie door calciumionen ............................................................................ 65
Zenuw- en hormonale controle van contractie van gladde spieren ........................................... 67
Hoofdstuk 9 – Hartspier: Pomp en kleppen ...................................................................... 70
Fysiologie van de hartspier ..................................................................................................... 70
Cardiale Cyclus ....................................................................................................................... 74
Regulatie van de hartpompfunctie .......................................................................................... 79
Stukje uitleg van huidtherapie: ............................................................................................... 83
Hoofdstuk 16 – Microcirculatie en lymfestelsel ................................................................ 84
Structuur microcirculatie en capillaire systeem ....................................................................... 84
Uitwisseling water, voedingsstoffen etc. tussen bloed en interstitium ...................................... 86
Filtratie van vloeistof door capillairen ..................................................................................... 88
Het lymfatisch systeem .......................................................................................................... 92
Hoofdstuk 34 – Afweersysteem bij infectie ...................................................................... 96
Leukocyten (witte bloedcellen – WBC) .................................................................................... 96
Neutrofielen & macrofagen – verdediging tegen infecties ........................................................ 98
Monocyte-macrofaag celsysteem (reticulo-endotheliaal system) ............................................. 99
Inflammatie – rol van neutrofielen en macrofagen ................................................................ 101
Eosinofielen ......................................................................................................................... 103
Basofielen............................................................................................................................ 103
Leukopenie .......................................................................................................................... 104
Leukemie ............................................................................................................................. 105
Hoofdstuk 35 – Afweersystem: immuniteit en allergieën ............................................... 106
Verworven adaptieve immuniteit ......................................................................................... 106
Specifieke eigenschappen B-lymfocytensysteem – humorale immuniteit en antilichamen ..................... 109
Specifieke eigenschappen T-lymfocytensysteem ...................................................................................... 112
Tolerantie verworven immuunsysteem voor lichaamseigen weefsels ...................................................... 113
Ploon Hellendoorn – PMG 2
, Allergie en hypersensitiviteit ................................................................................................ 115
Hoofdstuk 36 – Bloedtypen: transfusie; weefsel- en orgaantransplantatie ..................... 117
O-A-B bloedgroepen ............................................................................................................ 117
Rh Bloedgroepen ................................................................................................................. 119
Transfusiereacties door niet-overeenkomende bloedgroepen................................................ 120
Weefsel- en orgaantransplantatie en immuunreacties ........................................................... 121
Ploon Hellendoorn – PMG 3
, Hoofdstuk 1: Functionele organisatie van het menselijk
lichaam en besturing van het “milieu interieur”
Humane fysiologie: de wetenschap die fysieke en chemische mechanismes verklaart, die
verantwoordelijk zijn voor het ontstaan, de ontwikkeling en de progressie van leven.
Verdeeld in de volgende categorieën: viraal, bacterieel, cellulair, plantaardig, invertebrae,
vertebrae, mammal, humaan etc.
De wetenschap van de humane fysiologie: specifieke karakteristieken en mechanismen van
het menselijk lichaam dat het een levend wezen maken. Complex controlesysteem:
• Honger laat ons zoeken naar eten
• Angst laat ons zoeken naar shelter
• Sensatie van koude laat ons zoeken naar warmte
• Andere krachten laten ons gezelschap zoeken en reproduceren
Het feit dat we sensitieve, voelende en kennisrijke wezens zijn, is onderdeel van de
automatische cyclus van het leven. Dit laat ons bestaan onder een grote variatie aan
condities die ander het leven onmogelijk zouden maken.
Humane fysiologie verbindt de basiswetenschap aan geneeskunde met de integratie van
multipele functies van de cellen, weefsels en organen tot het functioneren van een levend
mens. Dit verlangt communicatie en coördinatie door een breed scala aan
besturingssystemen die opereren op ieder niveau- van de genen die moleculaire synthese
programmeren tot aan complexe nerveuze en hormonale systemen die functies coördineren
van cellen, weefsels en organen door het hele lichaam. Het is dus veel meer dan een
optelling van het onderdelen. En leven in gezondheid, zowel in ziekte, is afhankelijk van het
functioneren hiervan. Naast de normale fysiologie wordt ook de pathofysiologie (ziekteleer)
behandeld, die de basis voert voor klinische geneeskunde.
Cellen zijn de levende eenheden van het lichaam
De basis van het lichaam is de cel. Elk weefsel of orgaan is een aggregaat van vele
(verschillende) cellen bij elkaar gehouden door een intercellulaire structuur. Elke cel is erop
aangepast om een of meerdere specifieke functies uit te voeren. Totaal 35-40 miljard cellen.
Bijvoorbeeld: de meest voorkomende rode bloedcellen, bestaande uit ±25 miljard in elk
persoon, vervoeren zuurstof vanaf de longen naar de organen.
Cellen verschillen vaak van elkaar, maar hebben allemaal bepaalde overeenkomende
basiskarakteristieken. Bijvoorbeeld: zuurstof reageert met koolhydraten, vetten en eiwitten
om energie vrij te laten komen, wat een vereiste is voor alle cellen om te functioneren.
Verder zijn de algemene chemische mechanismen voor vet veranderen van voedingsstoffen
Ploon Hellendoorn – PMG 4