100% de satisfacción garantizada Inmediatamente disponible después del pago Tanto en línea como en PDF No estas atado a nada 4.2 TrustPilot
logo-home
Resumen

Samenvatting Hoorcolleges Goederenrecht jaar 2

Puntuación
-
Vendido
-
Páginas
45
Subido en
10-02-2025
Escrito en
2024/2025

Alle aantekeningen van de hoorcolleges van Goederenrecht, ik heb zelf een 8,7 gehaald op het tentamen!

Institución
Grado











Ups! No podemos cargar tu documento ahora. Inténtalo de nuevo o contacta con soporte.

Libro relacionado

Escuela, estudio y materia

Institución
Estudio
Grado

Información del documento

¿Un libro?
Subido en
10 de febrero de 2025
Número de páginas
45
Escrito en
2024/2025
Tipo
Resumen

Temas

Vista previa del contenido

HC 1
Eigendom
Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon over een zaak kan hebben, art. 5:1 BW. Een zaak is al het stoffelijke dat
vatbaar is voor menselijke beheersing (art. 3:2 BW). Dieren zijn geen zaken, maar worden juridisch wel gelijkgesteld hieraan, de
regels van de zaken zijn wel op dieren van toepassing. Het begrip eigendom wordt exclusief gebruikt voor zaken, niet voor
vermogensrechten. Erfpacht is bijvoorbeeld een vermogensrecht, men is dan geen eigenaar, maar rechthebbende.


Verkrijging van eigendom van roerende zaken
Goederen kunnen worden verkregen onder algemene titel, of onder bijzondere titel (art. 3:80 lid 1 en 2
BW). Een koop is een vorm van verkrijging onder bijzondere titel, net als verjaring. Onder algemene titel
valt bijvoorbeeld erfverkrijging. Bij bijzondere titel moeten de goederen steeds goed worden
overgedragen, bij algemene titel gaat het eigendom altijd meteen volledig over, is niet steeds een nieuwe
handeling voor vereist.
Art. 5:24 → onroerende zaken hebben altijd een eigenaar, als deze niet te achterhalen is, dan is de
Nederlandse staat de eigenaar.

Overige wijzen van verkrijging onder bijzondere titel (art. 3:80 lid 3 BW)
1.​ Toe-eigening / inbezitneming (art. 5:4 BW) – speelt alleen bij roerende zaken zonder eigenaar,
de zaak is prijsgegeven, het is dan een res nullius (art. 5:18 BW)
a.​ Inbezitneming (art. 3:113 lid 1 BW) – zich de feitelijke macht verschaffen over een
roerende zaak zonder eigenaar
2.​ Vinderschap (art. 5:5 e.v. BW) – vindt regelmatig plaats, gaat om de eerlijke vinder, de vinder
moet dan wel ter goeder trouw zijn. Alleen bij een roerende zaak, maar het mag niet gaan om
een “schat”.
a.​ De zaak moet onbeheerd zijn, dus niet in de macht van een ander
b.​ De zaak moet onder je worden genomen
c.​ De vinder moet aangifte doen bij de gemeenteambtenaar die daartoe is aangewezen
d.​ De vinder heeft mogelijk ook recht op een vindersloon, een vergoeding
e.​ Als aan deze eisen is voldaan, en er meldt zich geen eigenaar dan wordt de vinder na 1
jaar na de aangifte, eigenaar (eigendomsverkrijging), art. 5:6 BW, dan vervallen ook alle
beperkte rechten die er mogelijk nog op gevestigd waren
3.​ Schatvinding (art. 5:13 BW)
a.​ Het moet gaan om een roerende zaak van aanzienlijke waarde
b.​ De zaak moet zo lang verborgen zijn dat daardoor de opsporing van de eigenaar
onmogelijk is geworden
c.​ Ook hier moet aangifte worden gedaan bij de gemeente
d.​ De schat komt toe aan de ontdekker en de eigenaar van de zaak waarin de schat
wordt aangetroffen (gemeenschappelijke eigendom, titel 3.7 BW), dus de vinder wordt
eigenaar, samen met de persoon van wie de (on)roerende zaak is waarop de schat wordt
ontdekt, beide voor gelijke delen.
e.​ Er zijn best veel categorieën die vallen onder een archeologische vondst, in dat geval
gaat die regel niet op, want volgens de erfgoedwet komt het eigendom dan toe aan de
staat of de gemeente waarin het perceel gelegen is
4.​ Vruchttrekking (art. 3:9 BW jo. 5:1 lid 3 BW)
a.​ Natuurlijke vrucht – was eerst bestanddeel van een andere zaak, maar door afscheiding
wordt het een zelfstandige zaak. De eigenaar van de zaak, wordt in principe ook
eigenaar van de afgescheiden zaak, de vrucht. Hierop zijn wel uitzonderingen:

, i.​ Vruchtgebruiker (art. 5:17 jo. 3:216 BW)
ii.​ Erfpacht (art. 5:89 lid 1 BW)
iii.​ Pachter (art. 7:316)
iv.​ Huurder 7:202 BW
v.​ Eigendomsvoorbehoud 7:9 lid 3 jo. 7:14
b.​ Burgerlijke vrucht (art 3:9 lid 4 BW) – vruchten van goederen worden een zelfstandig
recht door opeisbaarheid, bijvoorbeeld rente. Rente ontvangen van de bankrekening is
een burgerlijke vrucht. Gaat niet om roerende zaken.
5.​ Natrekking (art. 5:14 BW, roerende zaken) – voorheen individuele zaken worden één zaak,
bijvoorbeeld een ketting aanbrengen bij een fiets.
a.​ Verkrijging onder bijzondere titel: wanneer een zaak als bestanddeel wordt toegevoegd
aan een hoofdzaak, gaat de eigendom over naar de eigenaar van de hoofdzaak.
b.​ Wanneer is er sprake van natrekking, hoofdzaak/bestanddeel → waardecriterium: de
waarde van de hoofdzaak is aanzienlijk hoger dan bestanddeel, of uit verkeersopvatting
volgt de conclusie dat er sprake is van een hoofdzaak, maar wat volgt uit die
verkeersopvatting?
i.​ HR Depex/Bergel (verkeersopvatting, art. 3:4 lid 1 BW) → deze uitspraak mag
worden toegepast bij zowel roerende als onroerende zaken. Is de installatie
bestanddeel geworden van de fabriekshal? De Hoge Raad zegt dat er moet
worden gekeken naar of een en ander naar constructief opzicht op elkaar is
afgestemd, dat het echt precies bij elkaar past, dat het specifiek ervoor is
gemaakt, het afstemmingscriterium. Daarnaast moet worden gekeken naar het
incompleetheidscriterium, is de fabriekshal nog steeds geschikt als fabriekshal
bij ontbreken van de apparatuur? Als het zonder de apparatuur geen fabriekshal
meer zou zijn naar algemene opvattingen, kan er worden gezegd dat er sprake is
van een bestanddeel. De functie van de apparatuur in het productieproces in de
fabriekshal is niet relevant / niet van belang.
ii.​ HR Prorail/Stichting Rijswijk – naast een tunnel werden er palen in de grond
gezet, toen stuitten ze op een “groutlichaam”, deze zou er dan uit moeten. Maar
wie is dan eigenaar daarvan? Was dat prorail, die het heeft aangebracht, of is dat
de eigenaar van de grond, omdat het bestanddeel is geworden van de grond? Of
iets bestanddeel is, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Een aard-
of nagelvaste verbinding is niet vereist.
Als iets een tijdelijke functie als hulpconstructie vervult tijdens de bouwfase van
een zaak, en bestemd is om daarna te worden verwijderd, levert dat een
aanwijzing op dat het geen bestanddeel is geworden, dit is het
bestemmingscriterium. Kan in andere omstandigheden natuurlijk anders zijn.
c.​ Art. 3:4 BW → wat is een bestanddeel? Lid 2 → schadecriterium, afscheiding zonder
beschadiging van de betekenis is niet mogelijk. Als hieraan is voldaan, is dat genoeg.
i.​ HR UTB/Glencore, ging over art. 3:4 lid 2, het schadecriterium → kan alleen als
het bestanddeel fysiek is verbonden aan de hoofdzaak, het feit dat er hak- en
breekwerk moet worden gedaan, leidt niet meteen tot de conclusie dat er sprake
is van een bestanddeel. Het gaat erom dat de fysieke gevolgen van afscheiding
van betekenis zijn. Hiervoor zijn de vermogensrechtelijke gevolgen zoals de
waarde van de zaken niet relevant, net als of er nog herstel mogelijk is.
Afscheiding zonder fysieke gevolgen van betekenis is mogelijk, maar daarmee
zijn in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig veel inspanningen of
kosten gemoeid → ook sprake van een bestanddeel door voldoening aan
schadecriterium.

, d.​ Bij onroerende zaken is het waardecriterium niet van toepassing, bij 2 roerende zaken
onderling is deze dus wel van toepassing.
e.​ Dit kan verbintenisrechtelijk niet anders worden bepaald, dit is allemaal dwingend recht.
f.​ Wat nou als er geen sprake is van een hoofdzaak? Art. 5:14 lid 2 BW → dit leidt tot
mede-eigendom van de eigenaren van de oude zaken, evenredig aan de waarde van de
oude zaken, dan is er mede-eigendom van een nieuwe zaak, omdat er geen hoofdzaak
aan te wijzen is. Als er wel weer een aanmerkelijk waardeverschil is, is het mogelijk wel
weer een bestanddeel. Mag niet om zaaksvorming gaan.
6.​ Vermenging – het vermengen van bepaalde stoffen, vloeistoffen, gassen, zand, e.d (roerende
zaken). Art. 5:15 BW, art. 5:14 is van overeenkomstige toepassing.
a.​ Indien er een hoofdzaak is aan te wijzen, is er natrekking. Zo niet, vermenging. Het mag
geen zaaksvorming betreffen, bijvoorbeeld wanneer er cola wordt gemaakt in een
productieproces, dan wordt er een nieuwe zaak gevormd.
b.​ Als er een hoofdzaak aan te wijzen is, wordt de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar
van het bestanddeel, net als bij natrekking. Indien er geen hoofdzaak kan worden
aangewezen ontstaat er een nieuwe zaak in mede-eigendom (art. 5:15 jo. 5:14 lid 2 BW),
wederom evenredig naar de waarde van de oude zaken
i.​ Glencore/Nationale Borg Maatschappij – ging ook weer om de vraag of een zaak
een bestanddeel was geworden, ging om het vermengen van aluminium. Of er
sprake is van een bestanddeel en hoofdzaak, is art. 5:14 lid 3 van toepassing. In
geval van vermenging van gelijksoortige zaken is uitsluitend beslissend of een
van de zaken de andere aanmerkelijk in waarde overtreft. Dit dient niet spoedig
te worden aangenomen (dat het waardeverschil aanmerkelijk is), met het oog op
de mogelijke rechtsgevolgen, het verlies van eigendom. Wanneer dat wel is, is
aan de praktijk.
c.​ Oneigenlijke vermenging: zaken blijven afzonderlijke zaken, maar wie precies eigenaar
van welke zaak is kan niet meer worden bewezen, zoals een berg paperclips, hier speelt
dan het probleem van de bewijsnood
7.​ Zaaksvorming – iemand vormt uit een roerende zaak een nieuwe zaak, door scheppende arbeid,
deze zaak heeft een nieuwe identiteit (art. 5:16 BW). Er is sprake van menselijk handelen,
scheppende arbeid, kan ook een industrieel proces zijn, waarbij er een nieuwe roerende zaak
wordt gevormd uit andere roerende zaken, de oude zaken bestaan niet meer. Of er sprake is van
een nieuwe zaak, hangt af van de verkeersopvattingen
a.​ HR Kuikenbroederij – het kuiken ondergaat, door het ei te verlaten, een zodanige
gedaanteverwisseling, dat er naar verkeersopvattingen een zaak met een nieuwe
identiteit ontstaat. Het eigendomsvoorbehoud op de eieren vervalt daarmee. Kuikens
uitgebroed via een kunstmatig proces in een broederij kunnen naar verkeersopvattingen
ook niet als natuurlijke vruchten van de kippen worden aangemerkt. De fabrikant die de
eieren machinaal laat uitbroeden is zaaksvorming voor zichzelf.
b.​ HR Love love – onder een schip wordt ook verstaan, een schip in aanbouw. Ging over
art. 8:1 lid 6 BW. Was er zaaksvorming of is de aangebrachte apparatuur bestanddeel
geworden van de casco? Er was geen sprake van zaaksvorming, maar van een
hoofdzaak (casco) met bestanddelen, deze zijn opgegaan in de eigendom van de casco.
c.​ Hoofdregel = eigenaar van de oorspronkelijke zaak wordt ook de eigenaar van de nieuwe
zaak. Hierop is 1 uitzondering
i.​ Zaaksvorming voor zichzelf (art. 5:16 lid 2 BW) – degene die de zaak voor
zichzelf vormt of doet vormen, wordt eigenaar, ook als hij dat doet met
andermans zaken. Kan niet als de kosten van vorming te gering zijn. Wanneer is
er dan sprake van vormen of doen vormen?

, d.​ HR Breda/St. Antonius – wordt de opdrachtgever uit de door hem beschikbaar gestelde
materieel eigenaar van de zaak omdat hij “doet vormen voor zichzelf”? Hangt af van
hetgeen uit de rechtsverhouding van partijen voortvloeit in het licht van de
verkeersopvattingen. Bij industriële fabricage is o.a. van belang:
i.​ Is de zaaksvorming geschiedt via gedetailleerde beschrijving? Belangrijke
aanwijzing
ii.​ Wat is het risico van de bruikbaarheid, de verhandelbaarheid of de
winstgevendheid, ligt dat risico bij de opdrachtgever?
iii.​ Risico ter zake van schade bij het fabricageproces? Bij wie ligt dat?
iv.​ Eindproduct was in casu onbruikbaar voor St. Antonius, degene die de
werkzaamheden verrichten
v.​ Niet van belang is de verhouding tussen de productiekosten en de kosten van
het verwerkte materiaal (productiekosten wel relevant voor vormen voor zichzelf,
maar niet bij vormen voor zichzelf door doen vormen)

Oneigenlijke vermenging
Het fysiek vermengen van goederen is eigenlijke vermenging, art. 5:15 BW. Over oneigenlijke
vermenging is geen wetsbepaling, dit is volledig ontwikkeld in de jurisprudentie van de hoge raad.
Oneigenlijke vermenging = de roerende zaken veranderen fysiek gezien niet, maar ze komen in een
omgeving terecht waarin zij niet meer individualiseerbaar zijn. Ze zijn nog wel los te zien en te pakken,
maar je kan niet meer zien welke van wie was. Er is een bewijsnood, er is een probleem met het kunnen
bewijzen van jouw eigendom. Een voorbeeld hiervan is een loods vol met flessen water, die allemaal van
andere eigenaars zijn. Deze eigenaars kunnen dan niet meer aantonen welke van hen zijn.

HR Teixeira de Mattos (1968) – ging over een Nederlandse bank, het ging om aandelen aan
toonder (kan nu niet meer). Er was een kluis met 4 certificaten van aandelen, deze waren niet te
onderscheiden, het waren 4 dezelfde aandeelcertificaten, deze waren door 2 personen
aangeleverd. De bank ging failliet, de curator wilde deze certificaten verkopen, het eigendom was
niet door de 2 eigenaars te bewijzen.
De houder wordt vermoed bezitter te zijn (art. 3:109) en de bezitter wordt vermoed eigenaar te
zijn (art. 3:119 BW), dat zijn de bewijsvermoedens. Tegenbewijs hiertegen is wel toegestaan. De
twee eigenaars konden niet bewijzen welke certificaten van welke eigenaar waren. Als het
tegenbewijs niet geleverd kan worden, de zaken zijn niet te onderscheiden, dan is er een
bewijsprobleem, het bewijsvermoeden keert zich dan tegen de eigenaars van de certificaten, zij
raken in bewijsnood. De eigenaar blijft wel eigenaar, maar de revindicatie (art. 5:2) strandt. De
bank “gold als eigenaar”.

Verkrijging van eigendom van onroerende zaken
Art. 3:80 lid 3, verkrijging onder bijzondere titel, ook van onroerende zaken. Er is bij onroerende zaken
geen sprake van schatvinding, res nullius, toe-eigening, vermenging, zaaksvorming, vruchttrekking.
Natrekking speelt wel een rol van betekenis (art. 5:3, 5:20 en 3:4 voor zover het gaat over
bestanddeelvorming).

Art. 5:20 BW zegt iets over natrekking van de eigendom, niet over bestanddeelvorming. Lid 1 zegt dat de
eigendom van de grond ook veel andere dingen omvat, zoals de bovengrond, de zich onder de
bovengrond bevindende aardlagen (behalve mijnbouw, ondergrondse netwerken van bijvoorbeeld
internetkabels (5:20 lid 2), schat in de bodem (5:13) of bv een kelder van de buurman die eronder
doorloopt (5:20 sub e BW)), het grondwater, gebouwen en werken en met de grond verenigde
beplantingen. De eigenaar van de grond is dan hiervan ook eigenaar, dat is dan verticale natrekking.
$9.67
Accede al documento completo:

100% de satisfacción garantizada
Inmediatamente disponible después del pago
Tanto en línea como en PDF
No estas atado a nada


Documento también disponible en un lote

Conoce al vendedor

Seller avatar
Los indicadores de reputación están sujetos a la cantidad de artículos vendidos por una tarifa y las reseñas que ha recibido por esos documentos. Hay tres niveles: Bronce, Plata y Oro. Cuanto mayor reputación, más podrás confiar en la calidad del trabajo del vendedor.
hedwigluten Vrije Universiteit Amsterdam
Seguir Necesitas iniciar sesión para seguir a otros usuarios o asignaturas
Vendido
80
Miembro desde
2 año
Número de seguidores
12
Documentos
39
Última venta
3 semanas hace

2.6

8 reseñas

5
0
4
1
3
5
2
0
1
2

Recientemente visto por ti

Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes