Samenvatting
H1 Introductie
Recht= besturingssysteem voor menselijk handelen dat operationeel moet zijn zodra er sprake is van
een samenleving van twee of meer personen.
Normen en regels
- Morele normen: voor individu of in de samenleving
- Godsdienstige normen
- Fatsoensnormen: uiterlijke omgangsvormen die als passend worden ervaren (buitenkant)
- Rechtsregels om primaire conflicten in de samenleving te voorkomen/beëindigen. Enkel
normen voor gedragingen waarbij de belangen van anderen betrokken zijn of kunnen zijn.
Objectief recht: samenstel van regels, subjectief recht: persoonlijke bevoegdheid.
Dwingend recht mag niet vanaf geweken worden, aanvullend recht mag dat wel.
Privaatrecht tussen burgers
Personen en familie recht
Vermogensrecht: op geld waardeerbaar
Goederenrecht: persoon//goed (obv dwingende rechten)
Verbintenissenrecht: tussen personen (vaak obv aanvullende rechten)
Handelsrecht: handel en verkeer (vooral in Burgerlijk Wetboek (BW) en Wetboek van
Koophandel (WvK))
Bijzonder is het erfrecht wat zowel familierecht is als vermogensrecht (goederenrecht). Regels
voor erfrecht staan in afzonderlijk deel in het BW (boek 4).
Publiekrecht mtb overheid die handelt in haar functie
Staatsrecht (veelal in Grondwet (Gw)): betrekking op overheidsapparaat en bevoegdheden
Bestuursrecht/administratiefrecht (veelal in Algemene wet bestuursrecht (Awb)): betrekking
op rechtsverhouding tussen overheid en burgers
Strafrecht: gedragsregels die verwerpelijk en ongewenst zijn (veelal in Wetboek van
Strafrecht). Kan een geldboete of vrijheidsstraf zijn met een preventieve doelstelling.
Rechtsbronnen (alle formele geschreven wetten: positief recht)
Gewoonterecht: gedragslijn, maar is onzeker en zwak om als recht te hanteren
Wetten algemene regeling uitgevaardigd door een daartoe bevoegd overheidsorgaan
Formele zin: (wie de wet maakt is bepalend): vanuit regering en Staten-Generaal
Materiële zin: (inhoud wet is bepalend): overheidsbesluit dat voor een onbeperkt
aantal gevallen geldt
Algemene rechtsbeginselen: slagzinnen
Jurisprudentie: rechtspraak door rechters (soms is er geen wet, is hij onduidelijk)
Verdragen: internationale rechtsbron
Bilateraal: twee landen
, Multilateraal: meer landen (vb Verenigde Naties, EU, EVRM (Europees Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden)
Supranationale organisaties: kunnen besluiten nemen die bindend zijn voor lidstaten (VN)
H2 De factor internationale overheid
Europese Unie
Intergouvernementele organisaties: zonder dwingende rechtsmacht. Nadruk op samenwerking. Voor
bindende besluiten is instemming van alle lidstaten nodig (vb VN).
Supranationale organisaties: soevereiniteit deels overgedragen, wel bindende besluiten (vb EU).
Rechtsregels voor EU gelden voor het deel van de EU genaamd EG (Europese gemeenschap).
Voornaamste organen van de EU
De Europese Raad: alle regeringsleiders van de 28 lidstaten van de EU en de voorzitter van
de Europese Commissie. Het is een soort Europese regering en gaat over grote beleidslijnen.
De Raad van Ministers: afhankelijk van onderwerp welke minister, maar uit elk land weer
één minister. Elk land is 6 maanden voorzitter. Indien Comité van Permanente
Vertegenwoordigers eens is over besluit: niet door de Raad van Ministers besproken. Deze
raad is het wetgevende orgaan van de EU.
De Europese Commissie: Bestaande uit 28 leden elke 5 jaar herkozen (obv gelijkheid
rouleren) Ze worden door de lidstaten benoemd, maar handelen niet uit naam van de staat.
Het is een uitvoerende instantie: toezicht naleving gemeenschapsrecht (richtlijnen van de EU
uitgevoerd), betreft regelgeving zelfstandig initiatieven, adviezen en aanbevelingen
publiceren en een eigen beslissingsbevoegdheid.
Het Europees Parlement: gekozen door burgers voor een periode van 5 jaar. Hoeveel
mensen per lidstaat in her parlement zitten is na ratio van omvang en belang van het land.
Het is de volksvertegenwoordiging die de voorstellen van de EC goed of afkeurt. Doet zelf
ook voorstellen en richt zich op vragen over landsgrenzen heen. Ook controleert het de EC
en kan hen dmv een motie van afkeuring collectief tot aftreden dwingen.
Raad en de Commissie mogen verordeningen vaststellen (algemeen verbindend en rechtstreeks
geldig in de lidstaten zonder eerst nationaal recht te worden), richtlijnen vaststellen (niet algemeen
verbindend, lidstaten moeten obv deze richtlijnen hun eigen wetgeving aanpassen) en beschikkingen
afgeven (niet algemeen verbindend, maar beslissing specifiek aan lidstaat/bedrijf/particulier vaak
over ontheffing verbod wat de Raad of Commissie moet afgeven tot het in werking treed).
Het Hof van Justitie (HvJ): rechterlijke orgaan met 28 rechters (van elk lidstaat één per 6 jaar waarbij
elke 3 jaar een president wordt gekozen die voorzitter is).
HvJ: kan ook Raad of Commissie tot de orde roepen. Nationale rechters kunnen een
prejudiciële vraag stellen bij het hof. Dit is een rechtsvraag van een rechter over de uitleg
van een rechtsregel. Het hof doet hier dan een uitspraak over wat gevolgd moet worden.
Gerecht van eerste aanleg: tegen deze uitspraken kan in hoger beroep worden gegaan naar
HvJ.
, H3 De factor nationale overheid
Macht van overheid beperkt door: grondrechten (vrijheidsrechten), legaliteitsbeginsel (elke
bevoegdheid waarbij de vrijheid van de burger wordt beperkt moet berusten op de wet), beginsel
van de democratie, de machtenscheiding.
Centrale overheid wetgevende macht
Staten-Generaal= parlement= 1e + 2e kamer waarbij leden gekozen worden (actief kiesrecht)
of gekozen kunnen worden (passief kiesrecht).
Eerste Kamer: 75 leden/senatoren voor 4 jaar gekozen indirect door burgers. De
burgers stemmen op Procinciale Staten in de provincie plaats en hieruit stellen via
verkiezingen vast wie lid wordt in de Eerste Kamer.
Tweede Kamer: 150 leden/afgevaardigden/parlementariërs voor 4 jaar en worden
landelijke stemverkiezingen gehouden. Aantal leden in Tweede Kamer afhankelijk
van hoeveelheid zetels die weer afhankelijk zijn van totale stemmen/aantal zetels.
Regering (ofwel Kroon genoemd): koning en ministers (enkel ministers excl.
staatssecretarissen= ministerraad), (ministers en staatssecretarissen olv president= kabinet).
Secretaris-generaal: hoogste ambtenaren op een departement, ambtenaren worden ook wel
de 4e macht genoemd vanwege hun grote invloed.
Staatssecretaris: boven de secretaris-generaal, maar ondergeschikt aan de minister. Hij is
verbonden aan een aantal departementen binnen één categorie (vb sociale zaken). Als de
minister gedwongen wordt ontslag te nemen is de staatssec. dat ook. Tegenovergesteld niet.
Centrale overheid uitvoerende macht
Verantwoordelijkheid van regering. Staten-Generaal ziet toe op handelen regering. De regering doet
belangrijkste bestuurshandelingen en de rest gebeurd op lagere niveaus.
Provinciale overheid wetgevende macht
Ligt bij de Provinciale Staten: leden worden gekozen op dezelfde manier als de Tweede Kamer en
zitten een periode van 4 jaar. Het aantal leden is afhankelijk van het aantal inwoners van de
provincie. De regels vanuit de PS zijn verordeningen en mogen niet in strijd zijn met een hogere
regeling. De PS kan zelf regelingen maken, of opgelegd krijgen wat medebewind wordt genoemd.
Provinciale overheid uitvoerende macht
Dit is in handen van de Gedeputeerde Staten (GS). Leden worden gekozen en door PS en zijn dat
voor 4 jaar. GS is verantwoording schuldig aan PS, maar kunnen door een motie van wantrouwen
niet weggestuurd worden door PS.
Zo wel de PS als de GS staat onder voorzitterschap van de Commissaris van de Koning (CvK)
die door de regering wordt benoemd voor 6 jaar. Hij of zij heeft in de PS raadgevende macht
en in de GS raadgevende macht en stemrecht. De Commissaris heeft verantwoordingsplicht
naar PS.
Gemeentelijke overheid wetgevende macht
Overzicht gemeentes vergelijking provincies: Gemeenteraad (Provinciale Staten), College van
Burgermeester en Wethouders (Gedeputeerde Staten), Burgemeester (Commissaris van de Koning).