Staatsrecht
Inleiding staatrechts
Allereerst heeft een staat een aantal kenmerken:
1. Aanwezigheid van een volksgemeenschap
2. Een grondgebied
3. Eén orgaan oefent gezag uit en heeft de hoogste macht
4. Heeft erkenning (andere staten/ organisaties zien de staat ook als staat)
Je hebt ook een aantal bronnen bij het staatsrecht:
Verdragen, EU-recht, Statuur, GW, PW, GemeenteWet, Kieswet, Wet op de
rechterlijke organisatie, Reglementen van Orde etc.
Trias politica houdt in dat de 3 machten verdeeld zijn over organisaties, dit is gebaseerd op
de leer van Montesquieu. De reden van de scheiding der machten:
Als 1 orgaan alle machten heeft werd het riskant, verder was de scheiding
noodzakelijk. Door de machten te verspreiden kan de staatsmacht niet misbruikt
worden, montesquieu heeft volgende machten bedacht:
o Wetgevende macht (H3 GW): regering+ 1e en 2e kamer
o Uitvoerende macht (H2 GW): koning en ministers
o Rechtsprekende macht (H6 GW): rechters
Centrale overheid
De centrale overheid zijn de volgende groepen samen:
De Staten-Generaal: 1e en 2e kamer (art 51 GW j.o. art 54 GW j.o. art 56 GW)
o Beide kamers worden democratisch gekozen voor 4 jaar, ze vormen het hoogste
bestuursorgaan en hebben de wetgevende macht (samen met de regering). Een wet
gaat in zodra de Staten-Generaal deze hebben aangenomen, de bevoegdheden van
de SG zijn in H3 GW vastgelegd.
o Ze hebben passief en actief kiesrecht, zijn door de democratie een parlementaire
democratie. De SG zijn ook wel de volksvertegenwoordigers of het parlement
De regering: koning en alle ministers+ staatssecretarissen (art 42 lid 1 GW en art 45
lid 1 GW)
o De koning, ministers en indien benoemd staatssecretarissen, deze hebben de
uitvoerende macht. We hebben een demissionair kabinet en je hebt de volgende
begrippen: verkenner, informateur, formateur, formatie en regeerakkoord
Kabinet: de minister (en staatssecretarissen) (art 44 lid 1 en 2 GW)
o Heeft de uitvoerende macht. De minister heeft (vaak) een departement, ook wel een
ministerie en hier geeft hij leiding aan. De voorzitter van een ministerraad is een
minister-president (art 45 lid 1 en 2 GW). Een minister heeft niet altijd een
departement (minister zonder portefeuille)
De tweede kamer:
o Heeft 150 leden, parlementariërs (art 51 lid 2 GW).
o Zittingsduur is 4 jaar (art 52 lid 1 GW)
o Gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging (kiesdeler)
o Kiezen zelf een voorzitter (art 61 lid 1 GW)
De eerste kamer:
o 75 leden, senatoren (art 51 lid 3 GW)
o Zittingsduur is 4 jaar (art 51 lid 1 GW)
o Worden indirect gekozen door Provinciale staten (art 55 GW)
, o Kiezen zelf een voorzitter (art 61 lid 1 GW)
De koning
Door de koning is Nederland een constituenele monarchie geworden. De koning heeft een
symbolische functie (sinds 2012).
Hoofdstuk 2 paragraaf 1 GW
Het is een erfelijke vervulde functie: art 24 GW
Art 28 BW: bij wet
Politieke partijen
Politieke partijen spelen een belangrijke rol bij verkiezingen
Zijn verenigingen, leveren bij kiezingen een lijst met verkiesbare deelnemers aan
(kandidatenlijst)
Voorkeursstemmen: je kan voor een bepaalde kandidaat kiezen als voorzitter
Een fractievoorzitter: voorzitter van de partij
Geen last en ruggespraak (art 67 lid 3 GW)
Decentralisatie
Je hebt 3 soorten decentralisatie:
Territoriale decentralisatie
o Binnen grenzen (afgebakend gebied): kort dus een gebied wat je bestuurt
Functionele decentralisatie
o Een bepaalde functie dat een instituut heeft en ermee macht uitoefenen (bv:
OvAdvc, macht over advocaten)
Combinatie
De gedecentraliseerde eenheidsstraat: de verhouding van de overheid en decentrale
overheid
Het overgeven of terugnemen van bevoegdheden
Preventie (voorkomen) of repressieve (achteraf) toetsing
Bevoegdheden
Bevoegdheden van hogere macht kan op verschillende basis worden overgegeven
Autonomie= op basis van eigen bevoegdheid handelen en optreden (zie bv art. 143
en 145 provinciewet)
Medebewind= het uitvoeren van een van hogerhand opgelegde opdracht om een
bepaalde materie binnen de bepaalde grenzen te regelen. Dit is wel met
beperkingen, de hogere wetgever heeft bepaald hoe je regels moet opstellen
Decentrale overheid
Je hebt een onderverdeling in gebieden:
Provincies
1. Provinciale Staten (PS): wetgevende macht
Functie: De Provinciale Staten vormen het parlement van de provincie en
vertegenwoordigen de inwoners. Ze worden elke vier jaar gekozen door de
burgers van de provincie.
Inleiding staatrechts
Allereerst heeft een staat een aantal kenmerken:
1. Aanwezigheid van een volksgemeenschap
2. Een grondgebied
3. Eén orgaan oefent gezag uit en heeft de hoogste macht
4. Heeft erkenning (andere staten/ organisaties zien de staat ook als staat)
Je hebt ook een aantal bronnen bij het staatsrecht:
Verdragen, EU-recht, Statuur, GW, PW, GemeenteWet, Kieswet, Wet op de
rechterlijke organisatie, Reglementen van Orde etc.
Trias politica houdt in dat de 3 machten verdeeld zijn over organisaties, dit is gebaseerd op
de leer van Montesquieu. De reden van de scheiding der machten:
Als 1 orgaan alle machten heeft werd het riskant, verder was de scheiding
noodzakelijk. Door de machten te verspreiden kan de staatsmacht niet misbruikt
worden, montesquieu heeft volgende machten bedacht:
o Wetgevende macht (H3 GW): regering+ 1e en 2e kamer
o Uitvoerende macht (H2 GW): koning en ministers
o Rechtsprekende macht (H6 GW): rechters
Centrale overheid
De centrale overheid zijn de volgende groepen samen:
De Staten-Generaal: 1e en 2e kamer (art 51 GW j.o. art 54 GW j.o. art 56 GW)
o Beide kamers worden democratisch gekozen voor 4 jaar, ze vormen het hoogste
bestuursorgaan en hebben de wetgevende macht (samen met de regering). Een wet
gaat in zodra de Staten-Generaal deze hebben aangenomen, de bevoegdheden van
de SG zijn in H3 GW vastgelegd.
o Ze hebben passief en actief kiesrecht, zijn door de democratie een parlementaire
democratie. De SG zijn ook wel de volksvertegenwoordigers of het parlement
De regering: koning en alle ministers+ staatssecretarissen (art 42 lid 1 GW en art 45
lid 1 GW)
o De koning, ministers en indien benoemd staatssecretarissen, deze hebben de
uitvoerende macht. We hebben een demissionair kabinet en je hebt de volgende
begrippen: verkenner, informateur, formateur, formatie en regeerakkoord
Kabinet: de minister (en staatssecretarissen) (art 44 lid 1 en 2 GW)
o Heeft de uitvoerende macht. De minister heeft (vaak) een departement, ook wel een
ministerie en hier geeft hij leiding aan. De voorzitter van een ministerraad is een
minister-president (art 45 lid 1 en 2 GW). Een minister heeft niet altijd een
departement (minister zonder portefeuille)
De tweede kamer:
o Heeft 150 leden, parlementariërs (art 51 lid 2 GW).
o Zittingsduur is 4 jaar (art 52 lid 1 GW)
o Gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging (kiesdeler)
o Kiezen zelf een voorzitter (art 61 lid 1 GW)
De eerste kamer:
o 75 leden, senatoren (art 51 lid 3 GW)
o Zittingsduur is 4 jaar (art 51 lid 1 GW)
o Worden indirect gekozen door Provinciale staten (art 55 GW)
, o Kiezen zelf een voorzitter (art 61 lid 1 GW)
De koning
Door de koning is Nederland een constituenele monarchie geworden. De koning heeft een
symbolische functie (sinds 2012).
Hoofdstuk 2 paragraaf 1 GW
Het is een erfelijke vervulde functie: art 24 GW
Art 28 BW: bij wet
Politieke partijen
Politieke partijen spelen een belangrijke rol bij verkiezingen
Zijn verenigingen, leveren bij kiezingen een lijst met verkiesbare deelnemers aan
(kandidatenlijst)
Voorkeursstemmen: je kan voor een bepaalde kandidaat kiezen als voorzitter
Een fractievoorzitter: voorzitter van de partij
Geen last en ruggespraak (art 67 lid 3 GW)
Decentralisatie
Je hebt 3 soorten decentralisatie:
Territoriale decentralisatie
o Binnen grenzen (afgebakend gebied): kort dus een gebied wat je bestuurt
Functionele decentralisatie
o Een bepaalde functie dat een instituut heeft en ermee macht uitoefenen (bv:
OvAdvc, macht over advocaten)
Combinatie
De gedecentraliseerde eenheidsstraat: de verhouding van de overheid en decentrale
overheid
Het overgeven of terugnemen van bevoegdheden
Preventie (voorkomen) of repressieve (achteraf) toetsing
Bevoegdheden
Bevoegdheden van hogere macht kan op verschillende basis worden overgegeven
Autonomie= op basis van eigen bevoegdheid handelen en optreden (zie bv art. 143
en 145 provinciewet)
Medebewind= het uitvoeren van een van hogerhand opgelegde opdracht om een
bepaalde materie binnen de bepaalde grenzen te regelen. Dit is wel met
beperkingen, de hogere wetgever heeft bepaald hoe je regels moet opstellen
Decentrale overheid
Je hebt een onderverdeling in gebieden:
Provincies
1. Provinciale Staten (PS): wetgevende macht
Functie: De Provinciale Staten vormen het parlement van de provincie en
vertegenwoordigen de inwoners. Ze worden elke vier jaar gekozen door de
burgers van de provincie.