Oefenen Toepassingsvragen (D-toets)
MIDDELEEUWEN
1. Ridderromans waren zowel verstrooiend als didacCsch als moraliserend. Leg deze uitspraak uit.
Lees de onderstaande hertaling uit de Roman van Walewein.
Heer Walewein reed voort tot hij binnen gehoorafstand van de ridder gekomen was en riep: 'Sta s;l
en spreek wat tegen mij, eer u verder gaat.' De ander echter gaf zijn paard de sporen, deed alsof hij
niets gehoord had, gaf met geen woord antwoord, sprak niet, lachte niet, maar hief de gesel op en
gaf de jonkvrouw vele harde slagen in haar gezicht. Soms stak hij haar daarbij met zijn schild. Toen
Walewein, de goeder;eren ridder, dit zag, werd hij nog kwader dan eerst. Hij gaf zijn paard de sporen
en bedacht dat hij het hem zou vergelden. Toch sprak Walewein eerst nog: 'Ik zoek geen twist: maar
spreek tegen mij, daar doet u goed aan!' De wrede ridder keerde zich om en zei: 'U doet er niet
verstandig aan dezelfde weg te willen gaan die u mij voor u uit ziet berijden. Of meent u soms dat ik
omwille van u zou nalaten deze jonkvrouw te slaan? Vergeet dat maar! Ik zal u zelf snel in grote
schande doen leven, als u nog één woord meer tegen mij zegt dan mij goeddunkt!' Heer Walewein
was verstandig en hoofs van karakter; hij was zeer deugdzaam. Hij antwoordde: 'Vriend, echt, om uw
dreigementen geef ik helemaal niets, noch om het feit dat u me iets zou kunnen aandoen. U moet
echter ophouden de maagd die u hebt mishandeld en meegesleurd, te slaan. Wat heeK zij u misdaan?
Men behoort trouwens geen vrouwen te slaan: van vrouwen komt alle eer voor ons. Hou er mee op en
doe het niet meer. Als u dit niet laat, zult u er spijt van krijgen, ik zeg het u van tevoren. U kunt maar
beter in rust en vrede leven.' (bron: http://koningartur.nl/tekstfragmenten/walewein/index.shtml)
2. Dit fragment komt uit een Arthurroman.
a. Citeer een zin waaruit dit blijkt.
b. Leg uit waarom je deze zin gekozen hebt.
c. Leg aan de hand van twee kenmerken van de Arthurroman uit waarom dit fragment
typerend is voor de Arthurroman. Nummer de kenmerken en ondersteun ze met een
voorbeeld uit het fragment.
RENAISSANCE
3. Bekijk het onderstaande embleem van Jan Luycken
a. Wie wordt er bedoeld met ‘de grote Visser’?
b. Leg het embleem uit. Gebruik hiervoor de drie delen die het embleem bevat. (max 75 wrd).