Klinische Pathologie, 4e druk, H6, Farmacologie
INLEIDING
DOEL VAN HET HOOFDSTUK:
• Beschikbaar maken van geneesmiddeleninformatie op een begrijpelijke manier, zodat
medicijnen beter te zoeken en begrijpen zijn.
ONDERWERPEN IN HET HOOFDSTUK:
1. Farmacokinetiek: Wat doet het lichaam met het geneesmiddel?
2. Farmacodynamiek: Wat doet het geneesmiddel met het lichaam?
3. Het recept: Welke gegevens moeten erop staan?
FARMACON:
• Een stof die ziekten voorkomt, opspoort, geneest, verzacht of aanvult (bijvoorbeeld vaccins,
antibiotica, pijnstillers en bloedproducten).
• Synoniem voor geneesmiddel, hoewel iets beperkter van definitie.
NAMEN VAN GENEESMIDDELEN:
• Generieke naam: Gebaseerd op de werkzame stof.
• Merknaam: Door fabrikant verzonnen, vaak duurder.
ONGEWENSTE EFFECTEN VAN FARMACA:
• Zwak werkende farmaca: Meestal weinig bijwerkingen.
• Sterk werkende farmaca: Vaak ernstige nadelen.
• Mogelijke effecten: Maag-/darmklachten (misselijkheid, diarree), overgevoeligheidsreacties
(rash, anafylactische shock), sufheid, bloedingen (bij antistolling), gewichtstoename (bij
insuline).
TOEDIENINGSVORMEN:
1. Lokale toediening:
o Voorkeur bij aangrijpingspunten in huid of slijmvlies.
o Voorbeelden: Crèmes, zalven, inhalatie, oog- of oordruppels.
2. Algehele toediening:
o Nodig bij verspreide receptoren.
o Meestal via orale, subcutane, intramusculaire, intraveneuze of transdermale toediening.
BELANG VAN JUISTE TOEPASSING:
• Ongewenste effecten zijn afhankelijk van toedieningsvorm en dosering.
• Lokale toediening minimaliseert bijwerkingen; algehele toediening is essentieel voor systemische
werking.
1
INLEIDING
DOEL VAN HET HOOFDSTUK:
• Beschikbaar maken van geneesmiddeleninformatie op een begrijpelijke manier, zodat
medicijnen beter te zoeken en begrijpen zijn.
ONDERWERPEN IN HET HOOFDSTUK:
1. Farmacokinetiek: Wat doet het lichaam met het geneesmiddel?
2. Farmacodynamiek: Wat doet het geneesmiddel met het lichaam?
3. Het recept: Welke gegevens moeten erop staan?
FARMACON:
• Een stof die ziekten voorkomt, opspoort, geneest, verzacht of aanvult (bijvoorbeeld vaccins,
antibiotica, pijnstillers en bloedproducten).
• Synoniem voor geneesmiddel, hoewel iets beperkter van definitie.
NAMEN VAN GENEESMIDDELEN:
• Generieke naam: Gebaseerd op de werkzame stof.
• Merknaam: Door fabrikant verzonnen, vaak duurder.
ONGEWENSTE EFFECTEN VAN FARMACA:
• Zwak werkende farmaca: Meestal weinig bijwerkingen.
• Sterk werkende farmaca: Vaak ernstige nadelen.
• Mogelijke effecten: Maag-/darmklachten (misselijkheid, diarree), overgevoeligheidsreacties
(rash, anafylactische shock), sufheid, bloedingen (bij antistolling), gewichtstoename (bij
insuline).
TOEDIENINGSVORMEN:
1. Lokale toediening:
o Voorkeur bij aangrijpingspunten in huid of slijmvlies.
o Voorbeelden: Crèmes, zalven, inhalatie, oog- of oordruppels.
2. Algehele toediening:
o Nodig bij verspreide receptoren.
o Meestal via orale, subcutane, intramusculaire, intraveneuze of transdermale toediening.
BELANG VAN JUISTE TOEPASSING:
• Ongewenste effecten zijn afhankelijk van toedieningsvorm en dosering.
• Lokale toediening minimaliseert bijwerkingen; algehele toediening is essentieel voor systemische
werking.
1