Inleiding onderwijssociologie
College 1:
Definitie van sociologie
Sociologie is de studie van het menselijke, sociale leven, van menselijke groepen en
maatschappijen.
o Studie van menselijk, sociale leven: hoe mensen met elkaar samenleven
▪ Hoe de sociale omgeving invloed heeft op het gedrag van mensen en
andersom
o Studie van menselijke groepen en maatschappijen
o Zeer breed belangstellingsveld
▪ De sociologie heeft een zeer breed belangstellingsveld, van de analyse van
kortstondige ontmoetingen van mensen op straat tot onderzoek naar globale
sociale processen
Sociologen houden zich vooral bezig met sociale processen, dus wat er gebeurt met en
tussen groepen
› bv thema kansenongelijkheid
Micro-macro processen
• Micro processen = gedrag van individuen
• Macro processen = sociale processen in (grote) groepen, instituties en systemen
Sociologie
› ‘jonge’ wetenschap
› Breed vakgebied
› Uiteenlopende aanpak
› Niet onderscheidend genoeg
› Werkdefinitie: sociologie = de wetenschap van het samenleven
o Centraal uitgangspunt: “alles is contingent, maar daarmee niet arbitrair”
o Een vraagstuk van de sociale orde
o De taken en houding van een socioloog
Onderwijssociologie
Thema’s:
▪ De samenhang tussen onderwijsuitkomsten en sociale groepen (bijv. klasse,
etniciteit, sekse)
▪ Structuur van het onderwijs en kansengelijkheid
▪ Schooluitval
▪ Veiligheid op school (bijv. discriminatie, pesten)
▪ Het curriculum
,Ontstaan sociologie
o Industriële revolutie → overgang van agrarische samenleving naar industriële
samenleving
› Verstedelijking
o Samenleving werd meer open → modernisering van de samenleving
› Rangen werden niet meer bij geboorte bepaald
Modernisering
› Urbanisatie
› Arbeidsdifferentiatie
› Toename productiviteit
› Toename welvaart
› Secularisering
Maar ook:
› Kinderarbeid
› Nieuwe ongelijkheid
Centrale uitgangspunten van sociologie
o “Alles is contingent…”
▪ Contingent = er zijn denkbare alternatieven → het had dus anders kunnen
zijn dan het nu is
▪ “Onze samenleving zoals wij die nu kennen had er ook heel anders uit kunnen
zien”
▪ Basis van de sociologie (1)
▪ Voorbeeld: het hoger onderwijs in Amerika en Nederland
o “… maar daarmee niet arbitrair”
▪ Arbitrair = toevallig
▪ “Hoe onze samenleving er uitziet, is niet toevallig”
▪ Basis van de sociologie (2)
▪ Voorbeeld: het hoger onderwijs in Amerika en Nederland
• In Amerika is geen verzorgingsstaat, daar vinden ze gelijke kansen
minder belangrijk
,Doel van de sociologie
Twee vraagstukken
o Niet-arbitraire contingentie
o .
Het vraagstuk van de niet-arbitraire contingentie
› Welke eigenschappen van een samenleving zijn niet willekeurig? En wat ligt daaraan
ten grondslag?
› “Legitimerende derden” bronnen van non-contingentie
▪ De natuur
▪ De geschiedenis
▪ De samenhang
Het vraagstuk van de sociale orde
› Hoe kan het dat men de sociale orde accepteert?
› Sociale orde
• Geheel van machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties
• Voorspelbaarheid en leefbaarheid
Geen contingentie: uitgaan van vanzelfsprekendheid
Wel contingentie: nadenken over hoe we het goed kunnen organiseren
Hoe blijft de samenleving leefbaar?
Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de rechtstaat en de
sociale orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het allemaal conventies en
constructies zijn?
- Rousseau
Naam sociologie uit het Latijn:
Socio = sociale leven
Logo = wet
, Visie van een socioloog
Augustus Comte → aanhanger positivisme
“sociale orde door wetenschap”
• Filosofische stroming: Positivisme
• Waarneembare feiten als kennisbasis (empirie)
• Sociale wetmatigheden
• Theorieën toetsen aan de werkelijkheid
• Heel veel observeren en toetsen → afleiden wat geldt voor iedereen
(generaliseerbaar)
Jürgen Habermas
“Sociale orde door de rede (communicatie)”
• Filosofische stroming: Verlichting
• Wetenschap verrijkt kennis, geeft geen richting
• Door communicatie kan sociale orde ontstaan
→ met elkaar praten
Niklas Luhmann (1927-1998)
“Sociale orde door het arbitraire te aanvaarden”
• Filosofische stroming: Tegen-verlichting
• Meerderheidsregels en wetten noodzakelijk
• Door geloof in een bestaande orde (bijv. godsdienst) kan sociale orde ontstaan
• We moeten eigenlijk accepteren dat er nooit consensus zal zijn
→ het kan niet dat iedereen het met elkaar eens is, iedereen heeft een eigen mening
• Met elkaar praten helpt daarom niet, want iedereen vindt toch wat anders
• Daarom moeten mensen vertrouwen hebben
Taken van een socioloog
Begrijpen van de samenleving en eventueel veranderen
• Kennis verzamelen (empirisch-analytische taak)
• Bestaande visies in twijfel trekken (kritische taak)
• De belevingswereld van mensen begrijpen (praktische taak)
“The boys problem”
→ Het verschijnsel dat jongens slechter presteren in het onderwijs dan meisjes
› Jongens zouden beter onderwezen kunnen worden door meesters
▪ Probleem: er zijn veel vrouwelijke onderwijzers
• Maar: vroeger vaak mannelijke onderwijzers, toen scoorden jongens ook
slechter
College 1:
Definitie van sociologie
Sociologie is de studie van het menselijke, sociale leven, van menselijke groepen en
maatschappijen.
o Studie van menselijk, sociale leven: hoe mensen met elkaar samenleven
▪ Hoe de sociale omgeving invloed heeft op het gedrag van mensen en
andersom
o Studie van menselijke groepen en maatschappijen
o Zeer breed belangstellingsveld
▪ De sociologie heeft een zeer breed belangstellingsveld, van de analyse van
kortstondige ontmoetingen van mensen op straat tot onderzoek naar globale
sociale processen
Sociologen houden zich vooral bezig met sociale processen, dus wat er gebeurt met en
tussen groepen
› bv thema kansenongelijkheid
Micro-macro processen
• Micro processen = gedrag van individuen
• Macro processen = sociale processen in (grote) groepen, instituties en systemen
Sociologie
› ‘jonge’ wetenschap
› Breed vakgebied
› Uiteenlopende aanpak
› Niet onderscheidend genoeg
› Werkdefinitie: sociologie = de wetenschap van het samenleven
o Centraal uitgangspunt: “alles is contingent, maar daarmee niet arbitrair”
o Een vraagstuk van de sociale orde
o De taken en houding van een socioloog
Onderwijssociologie
Thema’s:
▪ De samenhang tussen onderwijsuitkomsten en sociale groepen (bijv. klasse,
etniciteit, sekse)
▪ Structuur van het onderwijs en kansengelijkheid
▪ Schooluitval
▪ Veiligheid op school (bijv. discriminatie, pesten)
▪ Het curriculum
,Ontstaan sociologie
o Industriële revolutie → overgang van agrarische samenleving naar industriële
samenleving
› Verstedelijking
o Samenleving werd meer open → modernisering van de samenleving
› Rangen werden niet meer bij geboorte bepaald
Modernisering
› Urbanisatie
› Arbeidsdifferentiatie
› Toename productiviteit
› Toename welvaart
› Secularisering
Maar ook:
› Kinderarbeid
› Nieuwe ongelijkheid
Centrale uitgangspunten van sociologie
o “Alles is contingent…”
▪ Contingent = er zijn denkbare alternatieven → het had dus anders kunnen
zijn dan het nu is
▪ “Onze samenleving zoals wij die nu kennen had er ook heel anders uit kunnen
zien”
▪ Basis van de sociologie (1)
▪ Voorbeeld: het hoger onderwijs in Amerika en Nederland
o “… maar daarmee niet arbitrair”
▪ Arbitrair = toevallig
▪ “Hoe onze samenleving er uitziet, is niet toevallig”
▪ Basis van de sociologie (2)
▪ Voorbeeld: het hoger onderwijs in Amerika en Nederland
• In Amerika is geen verzorgingsstaat, daar vinden ze gelijke kansen
minder belangrijk
,Doel van de sociologie
Twee vraagstukken
o Niet-arbitraire contingentie
o .
Het vraagstuk van de niet-arbitraire contingentie
› Welke eigenschappen van een samenleving zijn niet willekeurig? En wat ligt daaraan
ten grondslag?
› “Legitimerende derden” bronnen van non-contingentie
▪ De natuur
▪ De geschiedenis
▪ De samenhang
Het vraagstuk van de sociale orde
› Hoe kan het dat men de sociale orde accepteert?
› Sociale orde
• Geheel van machtsverhoudingen, wetten, regels, gewoonten en instituties
• Voorspelbaarheid en leefbaarheid
Geen contingentie: uitgaan van vanzelfsprekendheid
Wel contingentie: nadenken over hoe we het goed kunnen organiseren
Hoe blijft de samenleving leefbaar?
Hoe kan men de mensen ertoe brengen de wet te eerbiedigen, hoe zijn de rechtstaat en de
sociale orde mogelijk als iedereen zich ervan bewust is dat het allemaal conventies en
constructies zijn?
- Rousseau
Naam sociologie uit het Latijn:
Socio = sociale leven
Logo = wet
, Visie van een socioloog
Augustus Comte → aanhanger positivisme
“sociale orde door wetenschap”
• Filosofische stroming: Positivisme
• Waarneembare feiten als kennisbasis (empirie)
• Sociale wetmatigheden
• Theorieën toetsen aan de werkelijkheid
• Heel veel observeren en toetsen → afleiden wat geldt voor iedereen
(generaliseerbaar)
Jürgen Habermas
“Sociale orde door de rede (communicatie)”
• Filosofische stroming: Verlichting
• Wetenschap verrijkt kennis, geeft geen richting
• Door communicatie kan sociale orde ontstaan
→ met elkaar praten
Niklas Luhmann (1927-1998)
“Sociale orde door het arbitraire te aanvaarden”
• Filosofische stroming: Tegen-verlichting
• Meerderheidsregels en wetten noodzakelijk
• Door geloof in een bestaande orde (bijv. godsdienst) kan sociale orde ontstaan
• We moeten eigenlijk accepteren dat er nooit consensus zal zijn
→ het kan niet dat iedereen het met elkaar eens is, iedereen heeft een eigen mening
• Met elkaar praten helpt daarom niet, want iedereen vindt toch wat anders
• Daarom moeten mensen vertrouwen hebben
Taken van een socioloog
Begrijpen van de samenleving en eventueel veranderen
• Kennis verzamelen (empirisch-analytische taak)
• Bestaande visies in twijfel trekken (kritische taak)
• De belevingswereld van mensen begrijpen (praktische taak)
“The boys problem”
→ Het verschijnsel dat jongens slechter presteren in het onderwijs dan meisjes
› Jongens zouden beter onderwezen kunnen worden door meesters
▪ Probleem: er zijn veel vrouwelijke onderwijzers
• Maar: vroeger vaak mannelijke onderwijzers, toen scoorden jongens ook
slechter