Sociologie Boek samenlevingen 8,9e druk
Samenvatten deze + studiemeister + mindmap maken + chat gpt vragen laten
stellen over samenvatting
Juridische vragen – welke wetten en regels er worden verbroken
Psychologische vragen – hoe iemand zo is geworden, hoe voelt diegene zich
Sociologische vragen (samenleving) – wat vindt de omgeving/ maatschappij dat iemand…?
Interactie: gedrag gericht op andere mensen, je bent bezig met de omgeving. Verbaal - non-verbaal, eenzijdig of
meer gelijk, tussen 2 personen of duizend personen
Cultuur: religie, normen en waarden, plek waar je woont (stad of dorp), vormt zich in bepaalde groepen.
- internaliseren: bij papa mag je schoenen aan bij mama niet. Je hebt het eigen gemaakt.
Interdependentie: onderlinge afhankelijkheid van elkaar. (Economisch, politiek, affectief, cognitief)
- asymmetrische verhoudingen: als iemand afhankelijk is, dan heb je minder macht want je bent afhankelijk van
iemand. Als je niet of nauwelijks afhankelijk bent heb je meer macht, want je bent niet afhankelijk van wat
iemand anders doet.
4 bindingen
Economische bindingen: basis van productiegoederen, geld en middelen, gaat om macht
Politieke bindingen: geweld, fysieke dwang mogen ze toepassen (je moet betalen)
Affectieve bindingen: bij welke groep heb je positieve gevoelens en bij welke groep minder
Cognitieve bindingen: afhankelijkheid die ontstaat uit kennisvorming en kennisoverdracht
(student die wiskunde wil leren, vertrouwt op de lessen van de leraar)
Jachtsamenleving
- klein en overzichtelijk groepje – max 100 mensen die samenleven (die 100 mensen denken veel hetzelfde –
homogeen)
Trokken rond om jagen met hout en botten op dieren (afhankelijk van de natuur voor eten)
- Goeie arbeidsverdeling
- Zelfvoorzienend: autarkie (Voorbeeld expeditie Robinson, kleine groep die samenwoont, je moet zelf eten
sprokkelen)
Agrarische revolutie
- Economisch surplus – op het moment dat je succesvoller wordt in het land/vee onderhouden dat het
opgegeven moment meer op brengt dan dat je zelf nodig hebt.
- Door eigen productie – landbouw en veeteelt (aardappels, koeien) was er een betere voedselvoorraad.
- Mensen gaan daarom in 1 dorp wonen – sedentarisatie
- dit leidde tot bevolkingsgroei
- ook hadden ze werktuigen zoals ploegen
- Grotere arbeidsverdeling specialisatie – mensen specialiseren zich in iets. Bijv. het verbouwen van groentes
op het land
- er ontstaan hiërarchieën, mensen die meer te zeggen hebben over hoe iets moet
- mensen begonnen landschap te veranderen (bomen kappen) dit lijdt tot veranderingen in het ecosysteem
Grote gevolgen agrarische revolutie:
- vaste woonplaatsen en dorpen
- bevolkingsgroei
- voedseloverschot
- privébezit terrein
- sociale ongelijkheid
- verandering milieu
Samenvatten deze + studiemeister + mindmap maken + chat gpt vragen laten
stellen over samenvatting
Juridische vragen – welke wetten en regels er worden verbroken
Psychologische vragen – hoe iemand zo is geworden, hoe voelt diegene zich
Sociologische vragen (samenleving) – wat vindt de omgeving/ maatschappij dat iemand…?
Interactie: gedrag gericht op andere mensen, je bent bezig met de omgeving. Verbaal - non-verbaal, eenzijdig of
meer gelijk, tussen 2 personen of duizend personen
Cultuur: religie, normen en waarden, plek waar je woont (stad of dorp), vormt zich in bepaalde groepen.
- internaliseren: bij papa mag je schoenen aan bij mama niet. Je hebt het eigen gemaakt.
Interdependentie: onderlinge afhankelijkheid van elkaar. (Economisch, politiek, affectief, cognitief)
- asymmetrische verhoudingen: als iemand afhankelijk is, dan heb je minder macht want je bent afhankelijk van
iemand. Als je niet of nauwelijks afhankelijk bent heb je meer macht, want je bent niet afhankelijk van wat
iemand anders doet.
4 bindingen
Economische bindingen: basis van productiegoederen, geld en middelen, gaat om macht
Politieke bindingen: geweld, fysieke dwang mogen ze toepassen (je moet betalen)
Affectieve bindingen: bij welke groep heb je positieve gevoelens en bij welke groep minder
Cognitieve bindingen: afhankelijkheid die ontstaat uit kennisvorming en kennisoverdracht
(student die wiskunde wil leren, vertrouwt op de lessen van de leraar)
Jachtsamenleving
- klein en overzichtelijk groepje – max 100 mensen die samenleven (die 100 mensen denken veel hetzelfde –
homogeen)
Trokken rond om jagen met hout en botten op dieren (afhankelijk van de natuur voor eten)
- Goeie arbeidsverdeling
- Zelfvoorzienend: autarkie (Voorbeeld expeditie Robinson, kleine groep die samenwoont, je moet zelf eten
sprokkelen)
Agrarische revolutie
- Economisch surplus – op het moment dat je succesvoller wordt in het land/vee onderhouden dat het
opgegeven moment meer op brengt dan dat je zelf nodig hebt.
- Door eigen productie – landbouw en veeteelt (aardappels, koeien) was er een betere voedselvoorraad.
- Mensen gaan daarom in 1 dorp wonen – sedentarisatie
- dit leidde tot bevolkingsgroei
- ook hadden ze werktuigen zoals ploegen
- Grotere arbeidsverdeling specialisatie – mensen specialiseren zich in iets. Bijv. het verbouwen van groentes
op het land
- er ontstaan hiërarchieën, mensen die meer te zeggen hebben over hoe iets moet
- mensen begonnen landschap te veranderen (bomen kappen) dit lijdt tot veranderingen in het ecosysteem
Grote gevolgen agrarische revolutie:
- vaste woonplaatsen en dorpen
- bevolkingsgroei
- voedseloverschot
- privébezit terrein
- sociale ongelijkheid
- verandering milieu