In dit document staan alle artikelen van het vak Cultural Diversity (2019/2020). Dit
vak wordt gegeven in blok 3 van het eerste jaar Pedagogische Wetenschappen aan
de Universiteit in Utrecht. Bij alle artikelen zijn de volgende vier vragen beantwoord:
1. Wat is de onderzoeksvraag?
2. Op welke manier wordt deze beantwoord?
3. Welke theorieën en concepten worden er besproken?
4. Wat zijn de belangrijkste resultaten of conclusies?
Deze vier vragen geven een goed overzicht van het hele artikel.
Inhoud
Week 1: Migration and multicultural society.........................................................................................3
BONJOUR EN SCHOLTEN, 2014...........................................................................................................3
CRUL EN SCHNEIDER, 2010.................................................................................................................4
KAĞITÇIBAŞI, 1996..............................................................................................................................5
SUPER EN HARKNESS, 1986................................................................................................................6
Week 2: Culture and identity..................................................................................................................7
HEINRICH, HEINE EN NORENZAYAN, 2010..........................................................................................7
VELEZ-AGOSTO ET AL., 2017...............................................................................................................8
VERKUYTEN, 2006.............................................................................................................................10
Week 3. Parenting support...................................................................................................................12
ROGOFF, 2003..................................................................................................................................12
HARKNESS, SUPER EN VAN TIJEN, 2000............................................................................................13
VAN BEURDEN EN DE HAAN, 2019...................................................................................................14
VAN MOURIK ET AL., 2016................................................................................................................15
YAMAN, MESMAN EN LINTING, 2010...............................................................................................15
Week 4. Street culture..........................................................................................................................17
EL HADIOUI, 2011.............................................................................................................................17
PELS, 2003........................................................................................................................................18
VORONOV EN SINGER, 2002.............................................................................................................19
Week 5. Early childhood education and care.......................................................................................22
HUIJBREGTS, LESEMAN EN TAVECCHIO, 2008..................................................................................22
ROSENTHAL, 2003............................................................................................................................24
ANDRIESSEN EN PHALET, 2002.........................................................................................................26
CUMMINS, 2015...............................................................................................................................26
WUBBELS ET AL., 2006......................................................................................................................28
VERVOORT, SCHOLTE EN SCHEEPERS, 2011.....................................................................................29
1
,Week 7. Radicalization.........................................................................................................................31
LEEMAN EN WARDEKKER, 2013........................................................................................................31
SIECKELINK EN DE RUYTER, 2009......................................................................................................32
SIKKENS ET AL., 2017........................................................................................................................33
Week 8. Youth services and care..........................................................................................................35
FASSAERT, HESSELINK EN VERHOEFF, 2009......................................................................................35
STEVENS EN VOLLEBERGH, 2008......................................................................................................36
VERHULP ET AL., 2017......................................................................................................................37
ZWIRS, 2007......................................................................................................................................39
2
,Week 1: Migration and multicultural society
BONJOUR EN SCHOLTEN, 2014
Bonjour, S. A., & Scholten, P. (2014). The Netherlands. In A. Triandafyllidou, & R. Gropas
(editors), European immigration: a sourcebook. - 2nd edition (pp. 262-271). (Re-
search in migration and ethnic relations series). Farnham: Ashgate. https://www.u-
va.nl/profiel/b/o/s.a.bonjour/s.a.bonjour.html
Geschiedenis van Nederland rond migratie en multiculturalisme. Je moet de ontwikkeling van
verschillende visies op migratie en de participatie van verschillende groepen in de
samenleving weten.
Wat is de onderzoeksvraag?
- Hoe hebben de roerige ontwikkeling van de laatste tien jaar de migratietrends, het beleid
en de debatten in Nederland beïnvloed?
- Hoe zit het met de participatie van migranten in de Nederlandse samenleving?
Op welke manier wordt deze beantwoord?
Dit is een literatuurstudie; een soort review van de literatuur die er al is.
Welke theorieën en concepten worden besproken?
- Gezinsmigratie = het over laten komen van gezinnen. Vaak was dit het geval bij
gastarbeiders. Het komt voort uit het recht tot gezinshereniging/gezinsvorming.
- Arbeidsmigratie = voornamelijk Oost-Europeanen die naar Nederland komen om te
werken.
- Naturalisatie = het toekennen van het staatsburgerschap aan een vreemdeling.
- Arbeidsparticipatie = deelname aan het arbeidsproces.
Wat zijn de belangrijkste resultaten of conclusies?
Migratietrends
Het debat rond migratie en integratie wordt geïntensiveerd door onder andere de moord op
Pim Fortuyn (nul-migratiebeleid) en multiculturalisme is heftiger verworpen dan ergens
anders. Vanaf 1995 is het aantal migranten gestegen, rond 2000 daalde het wat maar sinds
2005 is er weer een stijgende lijn te zien.
- 1995 – gezinsmigratie gastarbeiders.
- 2005 – meer gezinsmigratie en arbeidsmigratie.
De meest voorkomende soorten migratie vandaag de dag zijn arbeidsmigratie,
gezinsmigratie, studentenmigratie (uit India e.d.) en asielzoekers.
Participatie
- Afname arbeidsparticipatie in de crisistijd was bij niet-westerse migranten hoger dan bij
de natives.
- Migranten hebben lagere inkomens en zijn vaker afhankelijk van een uitkering dan de
natives. Tweedegeneratie migranten hebben een betere welvaartssituatie.
- Huisvesting – grote migrantengroepen leven voornamelijk in de grote steden
(Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven). Ze leven daar vaak in
stadsdelen met meer dan 50% niet-westerse migranten.
3
, - Onderwijs – de kloof in het onderwijs tussen migranten en natives is aan het verkleinen.
De kloof die er nog is, is er vaak rond onderwijsuitval en een mindere representatie
migranten in het hoger onderwijs.
- Socioculturele oriëntatie en criminaliteit.
o Antilianen en Surinamers identificeren als Nederlander en spreken Nederlands
thuis.
o Turken en Marokkanen identificeren zich met de eigen community en voornamelijk
Turken hebben een lagere Nederlandse taalvaardigheid.
o Identificatie met Nederland vermeerdert bij de tweedegeneratie migranten.
o Delinquentie is voornamelijk bij Antilianen, Marokkanen en Surinamers hoger.
CRUL EN SCHNEIDER, 2010
Crul, M., & Schneider, J. (2010). Comparative integration context theory: participation and
belonging in new diverse European cities. Ethnic and racial studies, 33, 1249-1268.
https://doi.org/10.1080/01419871003624068
Verschillende integratiecontexten in Europa worden besproken. Het is een aanvulling op het
artikel van Bonjour en gaat verder in op participatie van migranten. De participatie van
migranten kan uitgelegd worden in de verschillen in contexten. Hier komt de comparative
integration context theory uit voort.
Wat is de onderzoeksvraag?
Hoe helpen of belemmeren de verschillende integratiecontexten de tweedegeneratie
migranten bij het participeren in de samenleving?
Op welke manier wordt deze beantwoord?
TIES studie. The Integration of the European Second generation. Dit is een vragenlijst die de
tweedegeneratie migranten onderzoekt in de Europese steden. Daarnaast wordt er gebruik
gemaakt van literatuuronderzoek.
Welke theorieën en concepten worden besproken?
- Comparative integration context theory = participatie en betrokkenheid in nieuwe diverse
Europese steden is sterk afhankelijk van de integratiecontext.
- Gesegmenteerde assimilatietheorie = er is meer dan één manier om te assimileren in de
samenleving.
- Nieuwe assimilatietheorie = de dominante stroom blijft leidend in assimilatie.
- Assimilatie = de aanpassing van individuen aan de dominante cultuur.
- Anderhalf generatie = kinderen die met hun ouders zijn mee-gemigreerd. Ze zijn net
geen tweedegeneratie.
- Tweedegeneratie = kinderen die zijn geboren in het land waar hun ouders naar
gemigreerd zijn. Ze hebben dus geen migratie meegemaakt.
Wat zijn de belangrijkste resultaten of conclusies?
Tweedegeneratie migranten sprekend vaak twee talen vloeiend. Ze hebben twee identiteiten.
Uit de TIES studie blijkt dat tweedegeneratie hoogopgeleiden het meeste interetnische
contact hebben.
Er moet een nieuw perspectief komen op integratie en assimilatie. Daarom wordt de
comparative integration context theory ontwikkelt. Deze theorie stelt dat de context invloed
4