Klinische Pathologie, 4e druk, H1, Diagnostiek en therapie
INLEIDING
Het diagnostische proces begint met het minst ingrijpende onderzoek en verloopt in logische stappen om
een diagnose te stellen en een behandeling te bepalen.
STAPPEN IN HET DIAGNOSTISCHE PROCES
1. Anamnese
o Een gesprek over de ziektegeschiedenis van de patiënt.
o Dit vormt de eerste basis voor het begrijpen van de klachten.
2. Lichamelijk Onderzoek
o Gebruik van de zintuigen van de arts om informatie te verzamelen:
▪ Inspectie: Observeren van uiterlijke kenmerken.
▪ Percussie: Kloppen om geluiden te interpreteren.
▪ Auscultatie: Luisteren naar inwendige geluiden met of zonder stethoscoop.
▪ Palpatie: Voelen en betasten van lichaamsdelen.
3. Differentiaaldiagnose (DD)
o Een lijst van mogelijke aandoeningen, geordend van meest naar minst waarschijnlijk,
gebaseerd op de anamnese en het lichamelijk onderzoek.
4. Aanvullend Onderzoek
o (Bio)chemisch Onderzoek: Bijvoorbeeld bloedonderzoek om biochemische afwijkingen
vast te stellen.
o Beeldvormend Onderzoek: Bijvoorbeeld röntgenfoto’s of MRI’s voor anatomische
afwijkingen.
o Functieonderzoek: Analyse van orgaanfunctionaliteit zoals hart of longen.
DOEL VAN HET PROCES
Het uiteindelijke doel is het stellen van een nauwkeurige diagnose, die dient als basis voor een gerichte en
effectieve therapie.
ANAMNESE
DEFINITIE
Anamnese is het proces waarin de arts informatie verzamelt over de ziektegeschiedenis van een patiënt.
Het bestaat uit twee delen:
1. Speciale Anamnese
o Gericht op de hoofdklacht:
▪ Wat: Beschrijving van de aard van de klacht, zoals pijn, kortademigheid, of een
knobbel.
▪ Waar: Lokalisatie van de klacht, indien mogelijk.
1
, Klinische Pathologie, 4e druk, H1, Diagnostiek en therapie
▪ Wanneer: Verloop van de klacht; begin, duur, continuïteit.
o Voor effectieve communicatie wordt vaak de SBAR-methode gebruikt. Het onderdeel
situation (situatie) komt grotendeels overeen met de speciale anamnese.
2. Algemene Anamnese
o Breder onderzoek naar andere relevante medische en persoonlijke informatie:
▪ Allergieën: Bijvoorbeeld penicilline, jodiumverbindingen of verbandstoffen.
▪ Bekende ziektes: Relevante aandoeningen zoals diabetes of
stollingsstoornissen.
▪ Familieanamnese: Ziekten binnen de directe familie.
▪ Behandelingen: Lijst van gebruikte geneesmiddelen en eerdere operaties.
▪ Contactpersonen: Personen die aanvullende informatie kunnen geven en
geïnformeerd moeten worden over de behandeling.
▪ Drugsgebruik: Gebruik van alcohol, roken, of andere middelen, en de mogelijke
impact op gezondheid.
▪ Eetgewoonten: Laatste maaltijd, vooral belangrijk bij bewusteloosheid of
operaties.
SOORTEN ANAMNESE
• Auto-anamnese: Informatie verstrekt door de patiënt zelf.
• Heteroanamnese: Wanneer de patiënt niet in staat is om gegevens te verstrekken (bijv. bij coma
of dementie), wordt informatie verzameld via familie of verzorgers.
TOEPASSING VAN DE SBAR -METHODE
• De algemene anamnese sluit aan bij de background (achtergrond) in het SBAR-model. Hierin
worden relevante medische gegevens besproken die niet direct met de hoofdklacht te maken
hebben.
LICHAMELIJK ONDERZOEK
Lichamelijk onderzoek omvat verschillende methoden waarmee een arts informatie verzamelt over de
gezondheid van een patiënt. De belangrijkste stappen zijn:
1. INSPECTIE (KIJKEN)
• De patiënt wordt gedeeltelijk uitgekleed om uiterlijke kenmerken zoals kleur (bleek, rood, blauw
of geel) en vormafwijkingen te beoordelen.
• Asymmetrische afwijkingen worden vaak vergeleken met de gezonde kant.
2
INLEIDING
Het diagnostische proces begint met het minst ingrijpende onderzoek en verloopt in logische stappen om
een diagnose te stellen en een behandeling te bepalen.
STAPPEN IN HET DIAGNOSTISCHE PROCES
1. Anamnese
o Een gesprek over de ziektegeschiedenis van de patiënt.
o Dit vormt de eerste basis voor het begrijpen van de klachten.
2. Lichamelijk Onderzoek
o Gebruik van de zintuigen van de arts om informatie te verzamelen:
▪ Inspectie: Observeren van uiterlijke kenmerken.
▪ Percussie: Kloppen om geluiden te interpreteren.
▪ Auscultatie: Luisteren naar inwendige geluiden met of zonder stethoscoop.
▪ Palpatie: Voelen en betasten van lichaamsdelen.
3. Differentiaaldiagnose (DD)
o Een lijst van mogelijke aandoeningen, geordend van meest naar minst waarschijnlijk,
gebaseerd op de anamnese en het lichamelijk onderzoek.
4. Aanvullend Onderzoek
o (Bio)chemisch Onderzoek: Bijvoorbeeld bloedonderzoek om biochemische afwijkingen
vast te stellen.
o Beeldvormend Onderzoek: Bijvoorbeeld röntgenfoto’s of MRI’s voor anatomische
afwijkingen.
o Functieonderzoek: Analyse van orgaanfunctionaliteit zoals hart of longen.
DOEL VAN HET PROCES
Het uiteindelijke doel is het stellen van een nauwkeurige diagnose, die dient als basis voor een gerichte en
effectieve therapie.
ANAMNESE
DEFINITIE
Anamnese is het proces waarin de arts informatie verzamelt over de ziektegeschiedenis van een patiënt.
Het bestaat uit twee delen:
1. Speciale Anamnese
o Gericht op de hoofdklacht:
▪ Wat: Beschrijving van de aard van de klacht, zoals pijn, kortademigheid, of een
knobbel.
▪ Waar: Lokalisatie van de klacht, indien mogelijk.
1
, Klinische Pathologie, 4e druk, H1, Diagnostiek en therapie
▪ Wanneer: Verloop van de klacht; begin, duur, continuïteit.
o Voor effectieve communicatie wordt vaak de SBAR-methode gebruikt. Het onderdeel
situation (situatie) komt grotendeels overeen met de speciale anamnese.
2. Algemene Anamnese
o Breder onderzoek naar andere relevante medische en persoonlijke informatie:
▪ Allergieën: Bijvoorbeeld penicilline, jodiumverbindingen of verbandstoffen.
▪ Bekende ziektes: Relevante aandoeningen zoals diabetes of
stollingsstoornissen.
▪ Familieanamnese: Ziekten binnen de directe familie.
▪ Behandelingen: Lijst van gebruikte geneesmiddelen en eerdere operaties.
▪ Contactpersonen: Personen die aanvullende informatie kunnen geven en
geïnformeerd moeten worden over de behandeling.
▪ Drugsgebruik: Gebruik van alcohol, roken, of andere middelen, en de mogelijke
impact op gezondheid.
▪ Eetgewoonten: Laatste maaltijd, vooral belangrijk bij bewusteloosheid of
operaties.
SOORTEN ANAMNESE
• Auto-anamnese: Informatie verstrekt door de patiënt zelf.
• Heteroanamnese: Wanneer de patiënt niet in staat is om gegevens te verstrekken (bijv. bij coma
of dementie), wordt informatie verzameld via familie of verzorgers.
TOEPASSING VAN DE SBAR -METHODE
• De algemene anamnese sluit aan bij de background (achtergrond) in het SBAR-model. Hierin
worden relevante medische gegevens besproken die niet direct met de hoofdklacht te maken
hebben.
LICHAMELIJK ONDERZOEK
Lichamelijk onderzoek omvat verschillende methoden waarmee een arts informatie verzamelt over de
gezondheid van een patiënt. De belangrijkste stappen zijn:
1. INSPECTIE (KIJKEN)
• De patiënt wordt gedeeltelijk uitgekleed om uiterlijke kenmerken zoals kleur (bleek, rood, blauw
of geel) en vormafwijkingen te beoordelen.
• Asymmetrische afwijkingen worden vaak vergeleken met de gezonde kant.
2