John Bowlby’s hechtingstheorie.
Huilen, geluidjes maken, aankijken en later lachen.
Functie: Aandacht trekken (biologische functie: bescherming krijgen).
Geen uitdrukking van genegenheid, maar dient eerder voor het wekken
van genegenheid bij de ouders. Daarmee krijgt het warmte en troost door
de ouders (hechtingsfiguren).
Gehechtheidstheorie:
Ingebouwd regelsysteem (patronen van gedragingen). Het is een
homeostase, evenwicht.
Gedrag kan aangeleerd worden en afgeleerd worden (komt niet overeen
met de hechtingstheorie).
Gehechtheidstheorie:
Sensitief (schatten zij goed in waar behoeften aan is) – Responsief
(reageren zij adequaat)
De wijze waarop de mensen die het kind opvoeden, met zijn signalen
omgaan. Zijn de ouders consistent?
Oppakken, koestering en geruststelling.
Mary Ainsworths hechtingstype:
Onveilig vermijdend gehecht.
Veilig gehecht.
Onveilig afwerend gehecht.
Gedesorganiseerd gehecht.
Hechtingsproblematiek bij de VGZ:
Verwerkingsproblemen bij ouders.
Cognitieve beperkingen van het kind.
Visuele beperking van het kind.