HS 2 HET LEVEN VAN HET EIGEN LEVEN
Zelfbeschikking = beschikken over, kunnen/mogen bepalen van het eigen lot of
leven
Autonomie = autos:zelf, nomos:wet = jezelf de wet voorschrijven
Voor het beschikken over eigen lot of leven, heb je competenties nodig
Competenties = geheel van kennis en inzicht, vaardigheden en attitudes
bijv. communiceren (ook wel ontwikkelbare vermogens genoemd)
Naar mate je ouder wordt, wordt je competentierepertoire steeds uitgebreider
Competentierepertoire = zowel aantal competenties als het feit dat
verschillende competenties elkaar versterken
Perspectief = zienswijze; de manier waarop iemand in de wereld staat en hoe
diegene van daaruit naar dingen kijkt
Recht op zelfbeschikking / autonomie is een impliciet gemaakt recht, het
wordt ook wel jurisprudentie genoemd; uitspraken van rechters waaruit blijkt
hoe ze denken over de toepassing van bepaalde wetten
3 dimensies:
- eigen normen en wensen van de burger/cliënt staan centraal
- er is sprake van keuzevrijheid
- afweerrecht; patiënt/cliënt heeft het recht een behandeling af te wijzen
Eigen kracht = het vermogen en de macht hebben om over eigen lot of leven te
beschikken
3 sferen:
- persoonlijke sfeer = datgene wat kenmerkend is voor een persoon
- situationele sfeer = waarbinnen de vermogens kunnen worden ingezet;
gedeelte van menselijke wereld dat ook blijft bestaan wanneer het
individu er niet meer is bijv. je huis staat er nog, ook al ben je niet thuis
- interactionele sfeer = interactie tussen mens en wereld
à eigen kracht is dus niet alleen iets van het individu zelf, maar wordt ook
bepaald door sociale netwerk van de persoon
Eigen regievoering; verschillende gedragingen en beïnvloedende factoren:
- basale gedragingen = kerngedrag zoals keuzes maken, initiatief en
verantwoordelijkheid nemen
- versterkende gedragingen = versterken basale gedragingen, zoals
doorzetten, alternatieven kiezen en reflecteren
- interactieve gedragingen = uitkomst binnen eigen regievoering; men
past de situatie aan aan de eigen keuzes of wensen of men past zich aan
aan de situatie
à interne en externe beïnvloedende factoren
, Individuele diversiteit = ieder mens vormt een integraal geheel van diverse
kenmerken, eigenschappen en vaardigheden; dit maakt ieder mens anders
Sociaal netwerk heeft 3 functies:
- steunfunctie = biedt mensen zekerheid dat ze op steun van anderen
kunnen rekenen
- bezigheidsfunctie = sociale netwerk biedt mogelijkheid om samen iets te
ondernemen
- springplankfunctie = zorgt ervoor dat mensen het eigen netwerk verder
kunnen uitbreiden met nieuwe contacten
à sociaal kapitaal = bestaat uit houding, kennis, vaardigheden en
eigenschappen die nodig zijn om een netwerk te kunnen opbouwen en
onderhouden
Ecogram = schematische weergave van een sociaal netwerk van een persoon;
laat de omvang en kwaliteit zien
Genogram = soort ecogram, maar specifiek voor familienetwerk
Sociogram = grafische weergave van een netwerk op basis van een aantal
concrete vragen
Opbrengsten van sociale netwerken:
- gezelschap
- materiele zaken
- praktische ondersteuning
- emotionele steun
- persoonlijke ontwikkeling
à wederkerigheid; het gaat om geven en nemen
HS 3 ONDERSTEUNING BIJ HET LEVEN VAN HET EIGEN LEVEN
Kwaliteit van leven = mensen streven naar een goed leven in eigen ogen; vooral
de ervaren kwaliteit is van belang, 2 factoren die invloed hebben:
- de mate waarin men hinder ondervindt van een beperking of ziekte
- de kwaliteit van het eigen sociale netwerk