Week 1
Het landkaartje van rechtsvragen:
1. Empirisch: vragen om feitelijkheden vast te stellen; regent het
buiten? Is er sprake van schade?
2. Conceptueel: vragen die bedoelt zijn een bepaalt begrip te
definiëren; wat is regen überhaupt? Wat is schade?
3. Interpretatief: type vragen die gericht zijn op het achterhalen van
de betekenis van een begrip in een bepaalde context; telt
immateriële schade ook als schade? Is er i.c. zodoende sprake van
onrechtmatige daad? (In een context toepassen)
4. Normatief: uitspraken over hoe dingen zouden moeten zijn; is het
wenselijke dat immateriële schade mee wordt genomen bij een
onrechtmatige daad? (Zouden moeten, zullen)
Inhoud en opbouw van juridische weerbaarheid onderwijs:
1. Kwalificatie: Interne juridische kennis en vaardigheden
gecombineerd met een breder inzicht in andere wetenschappelijke
disciplines en een sterke professionele houding weet aan te nemen
in maatschappelijke context.
2. Socialisatie: ongeschreven en geschreven gedragsnormen in het
veld begrijpen.
3. Persoonsvorming: ethiek achter het recht. Ontwikkeling van een
eigen professionele identiteit.
T-Shape jurist:
1. Het is nodig om kennis te hebben van een bepaalde discipline
(afspraken, regels waarden en normen). Dit komt overeen met de
staander.
2. Het is nodig om een bredere kennis te hebben van de wetenschap
en van de samenleving. Dit komt overeen met de ligger van de T-
shape.
Week 2
Rechtsrealisme
Regels die maatschappelijke verhouding weerspiegelen
Recht als sociale praktijk
Rechtspositivisme
Regels erkend door bevoegde rechtsautoriteiten
Scheiding recht en moraal.
Rechtsvinding theorie Hart:
Recht als systeem van regels
Rechtsvinding is regelgeleide praktijk
- Gezag van de rechters: secundaire regels, verklaren waarom
rechters beslissingen nemen in juridische geschillen.
, - Toepassing van het recht: primaire regels
Rechter dient het positieve recht toe te passen. In uitzonderlijke
gevallen heeft de rechter discretie.
Syllogisme is een redeneringsvorm:
Algemene regel -> feiten -> conclusie
Grens gevallen waarbij het niet duidelijk is wat voor beslissing de rechter
moet nemen.
Lacunes in het recht door:
Open textuur
Onwetendheid t.a.v. feiten
Onbepaaldheid van doelen.
Rechtsvindingstheorie Llewellyn:
Recht als sociale praktijk
Rechtsvinding impliceert een grote vrijheid
- Rechtsregels zijn behulpzame constructies
Rechter dient een sociaal wenselijke beslissing te nemen.
Redeneringsvorm:
Conclusie -> regels -> feiten
Logische ladder: de rechter is gebonden aan het rechtsmateriaal. Zijn
uitspraak moet hierop aansluiten. Op deze manier maakt de rechter aan
het publiek kenbaar hoe zijn uitspraak aansluit op het bestaande recht.
Zwake rechter: kijkt alleen naar de juridische logische lader.
Moedige recht: kijkt ook naar andere oplossingen die op het bestaande
recht aansluiten.
Ethische theorieën:
1. Utilitarisme: zoveel mogelijk geluk voor iedereen.
Gevolg van een belang, Vb: overheidshandelen en
welvaartsmaximaliteit
Link met rechtsrealisme
In beginsel geen uitzondering
2. Deontologie: de juiste handeling in overeenstemming met de
plicht.
In beginsel geen uitzondering
Kantianisme = deontologie
3. Deugdethiek: de handeling is juist als deze deugdzaam wordt
verricht.
4. Existentie theorie: juiste persoon, juiste handeling, juiste plaats in
de samenleving. Altijd individueel. Altijd opzoek naar een
uitzondering.
Het landkaartje van rechtsvragen:
1. Empirisch: vragen om feitelijkheden vast te stellen; regent het
buiten? Is er sprake van schade?
2. Conceptueel: vragen die bedoelt zijn een bepaalt begrip te
definiëren; wat is regen überhaupt? Wat is schade?
3. Interpretatief: type vragen die gericht zijn op het achterhalen van
de betekenis van een begrip in een bepaalde context; telt
immateriële schade ook als schade? Is er i.c. zodoende sprake van
onrechtmatige daad? (In een context toepassen)
4. Normatief: uitspraken over hoe dingen zouden moeten zijn; is het
wenselijke dat immateriële schade mee wordt genomen bij een
onrechtmatige daad? (Zouden moeten, zullen)
Inhoud en opbouw van juridische weerbaarheid onderwijs:
1. Kwalificatie: Interne juridische kennis en vaardigheden
gecombineerd met een breder inzicht in andere wetenschappelijke
disciplines en een sterke professionele houding weet aan te nemen
in maatschappelijke context.
2. Socialisatie: ongeschreven en geschreven gedragsnormen in het
veld begrijpen.
3. Persoonsvorming: ethiek achter het recht. Ontwikkeling van een
eigen professionele identiteit.
T-Shape jurist:
1. Het is nodig om kennis te hebben van een bepaalde discipline
(afspraken, regels waarden en normen). Dit komt overeen met de
staander.
2. Het is nodig om een bredere kennis te hebben van de wetenschap
en van de samenleving. Dit komt overeen met de ligger van de T-
shape.
Week 2
Rechtsrealisme
Regels die maatschappelijke verhouding weerspiegelen
Recht als sociale praktijk
Rechtspositivisme
Regels erkend door bevoegde rechtsautoriteiten
Scheiding recht en moraal.
Rechtsvinding theorie Hart:
Recht als systeem van regels
Rechtsvinding is regelgeleide praktijk
- Gezag van de rechters: secundaire regels, verklaren waarom
rechters beslissingen nemen in juridische geschillen.
, - Toepassing van het recht: primaire regels
Rechter dient het positieve recht toe te passen. In uitzonderlijke
gevallen heeft de rechter discretie.
Syllogisme is een redeneringsvorm:
Algemene regel -> feiten -> conclusie
Grens gevallen waarbij het niet duidelijk is wat voor beslissing de rechter
moet nemen.
Lacunes in het recht door:
Open textuur
Onwetendheid t.a.v. feiten
Onbepaaldheid van doelen.
Rechtsvindingstheorie Llewellyn:
Recht als sociale praktijk
Rechtsvinding impliceert een grote vrijheid
- Rechtsregels zijn behulpzame constructies
Rechter dient een sociaal wenselijke beslissing te nemen.
Redeneringsvorm:
Conclusie -> regels -> feiten
Logische ladder: de rechter is gebonden aan het rechtsmateriaal. Zijn
uitspraak moet hierop aansluiten. Op deze manier maakt de rechter aan
het publiek kenbaar hoe zijn uitspraak aansluit op het bestaande recht.
Zwake rechter: kijkt alleen naar de juridische logische lader.
Moedige recht: kijkt ook naar andere oplossingen die op het bestaande
recht aansluiten.
Ethische theorieën:
1. Utilitarisme: zoveel mogelijk geluk voor iedereen.
Gevolg van een belang, Vb: overheidshandelen en
welvaartsmaximaliteit
Link met rechtsrealisme
In beginsel geen uitzondering
2. Deontologie: de juiste handeling in overeenstemming met de
plicht.
In beginsel geen uitzondering
Kantianisme = deontologie
3. Deugdethiek: de handeling is juist als deze deugdzaam wordt
verricht.
4. Existentie theorie: juiste persoon, juiste handeling, juiste plaats in
de samenleving. Altijd individueel. Altijd opzoek naar een
uitzondering.