Leerdoel: Wat is een neuron?
James Kalat. Biological Psychology (H2) + filmpjes
Het zenuwstelsel bestaat uit 2 soorten cellen: neuronen en glia. Neuronen ontvangen
informatie en geven het door aan andere cellen.
Neuronen hebben veel gemeen met andere cellen in het lichaam. De oppervlakte van de cel
is het membraam (het deel dat de binnenkant van de cel scheidt van de omgeving buiten de
cel) het bestaat uit 2 lagen vetmoleculen. De meeste chemische stoffen kunnen niet door
het membraam heen, maar bepaalde eiwitkanalen in het membraam laten wel een
gecontroleerde stroom van water, zuurstof, sodium, kalium, calcium, chloride en andere
belangrijke chemicaliën toe.
behalve de rode bloedcellen van zoogdieren hebben alle cellen een celkern (nucleus)
(waarin de chromosomen zitten). Een mitochondrion is het deel waarin de metabolische
activiteit plaatsvindt, het levert de energie die de cel nodig heeft voor alle andere
activiteiten. Ze hebben brandstof en zuurstof nodig om te kunnen functioneren.
ribosomen zijn de plaatsen waar een cel nieuwe eiwitmoleculen maakt. Eiwitten leveren
de cel bouwmaterialen en faciliteren verschillende chemische reacties.
Neuronen hebben i.t.t. andere cellen lange vertakte uiteinden.
- Motorneuronen: bevinden zich in het ruggenmerg en ontvangen prikkels van andere
neuronen door zijn dendrieten en het geleid impulsen langs zijn axon naar een spier
(van brein naar spier).
- Sensorische neuronen: zijn gespecialiseerd om gevoelig te zijn voor een bepaald
soort stimulatie (bv licht, geluid of aanraking) (van zintuig naar brein).
- Interneuronen/intrinsieke neuronen: zijn aan beide kanten verbonden met andere
neuronen (communicatie tussen neuronen).
Dentrieten zijn vertakte vezels die naar het einde toe smaller worden. Aan de dentrieten
zitten synaptische receptoren, waarmee de dentriet informatie ontvangt van andere
neuronen. Hoe groter de oppervlakte van een dentriet is, hoe meer informatie het kan
ontvangen. Sommige hebben ook dendritische stekels die de oppervlakte die beschikbaar is
voor synapsen groter maakt.
Het cellichaam (soma) bevat de celkern, ribosomen en de mitochondria.
De axon is de informatieverzender van een neuron (lange vezel met een constante
diameter), veel axonen zijn bedekt met een isolerend materiaal, myeline, met
onderbrekingen die de knopen van Ranvier worden genoemd. Een axon heeft veel
vertakkingen, die elk opzwollen aan het uiteinde zodat ze een presynaptische terminal
vormen. Op dat punt laat de axon de chemicaliën vrij die worden overgebracht naar een
andere neuronen.
een neuron kan elk aantal dentrieten hebben, maar het heeft slechts één axon (maar die
kan wel veel vertakkingen hebben). Axonen kunnen erg lang zijn (als ze BV van je
ruggenmerg naar je voeten moeten reiken).
- Afferente axon: brengt informatie naar een bepaald deel toe.
, - Efferente axon (‘e’ van ‘exit’): draagt informatie juist weg vanuit een bepaald deel.