Schema omzetbelasting
1. Wie? (ondernemer of niet)
a. Artikel 7 Wet OB:
i. Een ieder;
ii. Economische activiteit/beroep of bedrijf;
iii. Zelfstandig.
2. Wat? (levering van goederen of een dienst)
a. Goederen (artikel 3 Wet OB); of
b. Diensten (Artikel 4 Wet OB)
i. Het gebruik van een bedrijfsgoed als privegoed, wordt hiermee gelijkgesteld,
artikel 4 lid 2 Wet OB.
Vrijstellingen in artikel 11 Wet OB.
Bij vrijstellingen (bv. Huur) kan ook weer worden afgesproken dat wel belasting wordt
betaald. Hiervoor moet de huurder volledig of nagenoeg volledig (>90%) recht op aftrek
hebben, artikel 15 lid 1 sub b onder 5)
3. Waar? (Plaats van de prestatie)
a. Levering van goederen artikel 5 Wet OB
i. Bij invoer artikel 18 Wet OB
ii. Bij intracommunautaire verwerving artikel 17b Wet OB
iii. Intracommunautaire levering normale regels
b. Dienst:
i. Onroerend goed waar het goed staat, artikel 6b Wet OB
4. Hoeveel? (maatstaf van heffing, tarief en vrijstellingen);
a. Zie artikel 9 Wet OB:
i. Bij intracommunautaire verwerving, artikel 17c Wet OB.
ii. Bij invoer artikel 20 Wet OB
5. Hoe en wanneer (wie moet betalen en wanneer)
a. Zie artikel 12 Wet OB.
6. Aftrek van belasting
a. Zie artikel 15 wet OB.
Fiscale eenheid: rechtspersonen in Nederland gevestigd, die in financieel, organisatorisch en
economisch opzicht zodanig verweven zijn, dat zij een eenheid vormen. Het bestaan van een fiscale
eenheid heeft tot gevolg dat de prestaties in de eenheid niet worden belast, alleen de transacties
van die eenheid met derden. Zie art. 7 lid 4 OB.
Financiële verwevenheid bij kapitaalvennootschappen: meerderheidsbelang in de zin van winstrecht
en zeggenschap --> in beginsel dus meerderheid van de aandelen.
Organisatorisch verwevenheid: onder eenheid functionerende leiding
Economische verwevenheid: niet-verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de
vennootschappen. Hiervan is sprake wanneer er in hoofdzaak aan elkaar presteert en ze zich richten
op een gemeenschappelijke klantenkring.
1. Wie? (ondernemer of niet)
a. Artikel 7 Wet OB:
i. Een ieder;
ii. Economische activiteit/beroep of bedrijf;
iii. Zelfstandig.
2. Wat? (levering van goederen of een dienst)
a. Goederen (artikel 3 Wet OB); of
b. Diensten (Artikel 4 Wet OB)
i. Het gebruik van een bedrijfsgoed als privegoed, wordt hiermee gelijkgesteld,
artikel 4 lid 2 Wet OB.
Vrijstellingen in artikel 11 Wet OB.
Bij vrijstellingen (bv. Huur) kan ook weer worden afgesproken dat wel belasting wordt
betaald. Hiervoor moet de huurder volledig of nagenoeg volledig (>90%) recht op aftrek
hebben, artikel 15 lid 1 sub b onder 5)
3. Waar? (Plaats van de prestatie)
a. Levering van goederen artikel 5 Wet OB
i. Bij invoer artikel 18 Wet OB
ii. Bij intracommunautaire verwerving artikel 17b Wet OB
iii. Intracommunautaire levering normale regels
b. Dienst:
i. Onroerend goed waar het goed staat, artikel 6b Wet OB
4. Hoeveel? (maatstaf van heffing, tarief en vrijstellingen);
a. Zie artikel 9 Wet OB:
i. Bij intracommunautaire verwerving, artikel 17c Wet OB.
ii. Bij invoer artikel 20 Wet OB
5. Hoe en wanneer (wie moet betalen en wanneer)
a. Zie artikel 12 Wet OB.
6. Aftrek van belasting
a. Zie artikel 15 wet OB.
Fiscale eenheid: rechtspersonen in Nederland gevestigd, die in financieel, organisatorisch en
economisch opzicht zodanig verweven zijn, dat zij een eenheid vormen. Het bestaan van een fiscale
eenheid heeft tot gevolg dat de prestaties in de eenheid niet worden belast, alleen de transacties
van die eenheid met derden. Zie art. 7 lid 4 OB.
Financiële verwevenheid bij kapitaalvennootschappen: meerderheidsbelang in de zin van winstrecht
en zeggenschap --> in beginsel dus meerderheid van de aandelen.
Organisatorisch verwevenheid: onder eenheid functionerende leiding
Economische verwevenheid: niet-verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de
vennootschappen. Hiervan is sprake wanneer er in hoofdzaak aan elkaar presteert en ze zich richten
op een gemeenschappelijke klantenkring.