Eva Bardoul
BIOLOGIE
Hoofdstuk 4
4.1
De pasgeborene
De geboorte voor de pasgeborene is een grote overgang.
De baby moet van ademhaling via het bloed overschakelen naar ademhaling via de longen.
Zo ontplooien ze en komt er lucht binnen. De bloedsomloop begint te functioneren.
De ademhaling komt onder invloed van het zenuwstelsel op gang.
Er wordt bloed door de longen aangezogen. Nu stroomt er veel meer bloed via de longaders
naar de linkerboezem. Tussen de linker- en rechterboezem bevindt zich voor de geboorte
een doorgang (foramen ovale). Hierdoor stroomt een groot deel van het bloed naar de
linkerboezem.
Direct na de geboorte stijgt de bloeddruk in de linkerboezem sterk. Hierdoor wordt de klep
van het foramen ovale blijvend dichtgedrukt (want de bloeddruk in de linkerboezem blijft
vanaf nu groter dan in de rechter). De klep groeit uiteindelijk dicht.
Soms gebeurt dat niet, dan spreek je van een aangeboren hartafwijking.
Tussen de longslagader en aorta bevindt zich voor de geboorte ook nog een verbinding: de
ductus Botalli. Dit is een bloedvat dat zorgt dat het bloed in de longslagader direct naar de
aorta en niet naar de longen gaat. Deze trekt bij de geboorte samen, dus het bloed moet nu
wel naar de longen.
Voor de geboorte pompt het babyhart gemengd (zuurstofrijk + zuurstofarm) bloed via de
aorta naar de 2 navelstrenslagarders, aftakkingen van de twee beenslagaders.
Via de navelstreng gaat het bloed naar de placenta, waar het zuurstof en voedingstoffen
opneemt. Via de navelstrengslagader stroomt het bloed terug naar het kind.
Ik het kind splitst de navelstreng zich:
Een tak komt uit in de poortader waardoor een deel van het bloed in de lever komt.
De andere tak (grotendeel) stroomt naar de holle ader.
Bij de geboorte wordt de navelstreng afgeknipt. Je navel is het resultaat.
In de buik krimpen de bloedvaten in en vergroeien ze tot bindweefselstrengen.
Voor de geboorte ligt het hart van het kind op de lever, omdat de longen nog niet werken.
Ook de maag en darmen hoeven nog niks te doen, daarom is de lever het grootste orgaan in
de buikholte van een pasgeboren kind.
, Eva Bardoul
BIOLOGIE
Bloedsomloop in de foetus:
1 = bovenste holle ader.
2 = foramen ovale.
3= onderste holle ader.
4 = lever.
5 = ductus venosus.
6 = navelstrengader.
7 = navelstreng.
8 = navelstrengslagader.
9 = aorta.
10 = ductus Botalli.
11 = linkerlong.
12 = longslagader.
13 = longader.
14 = buikaorta.
15 = poortader.
Bloedsomloop na de geboorte:
1 = Bovenste holle ader.
2 = onderste holle ader.
3 = lever.
4 = poortader.
5= navelstrengader.
6= navelstrengklem.
7= navelstrengslagaders.
8 = aorta.
9= ductus Botalli (wordt afgesloten).
10 = linkerlong.
11 = longslagader.
12= buikaorta.
Om de algemene conditie van de pasgeborene vast te
stellen, wordt de apgarscore bij de baby bepaald. Dat
gebeurt twee keer: meteen na de geboorte en
ongeveer vijf minuten later. De arts of verloskundige
kent cijfers (0, 1 of 2) toe aan vijf factoren: de
hartslagfrequentie, de ademhaling, de
spierspanning, reactie op prikkels en de doorbloeding
aan de hand van de kleur van de huid. Per keer worden
de scores opgeteld; de uitkomst is de apgarscore.
Een normale, gezonde pasgeborene heeft direct na
de geboorte een score van minstens 7 en na vijf minuten
een score van 10.
BIOLOGIE
Hoofdstuk 4
4.1
De pasgeborene
De geboorte voor de pasgeborene is een grote overgang.
De baby moet van ademhaling via het bloed overschakelen naar ademhaling via de longen.
Zo ontplooien ze en komt er lucht binnen. De bloedsomloop begint te functioneren.
De ademhaling komt onder invloed van het zenuwstelsel op gang.
Er wordt bloed door de longen aangezogen. Nu stroomt er veel meer bloed via de longaders
naar de linkerboezem. Tussen de linker- en rechterboezem bevindt zich voor de geboorte
een doorgang (foramen ovale). Hierdoor stroomt een groot deel van het bloed naar de
linkerboezem.
Direct na de geboorte stijgt de bloeddruk in de linkerboezem sterk. Hierdoor wordt de klep
van het foramen ovale blijvend dichtgedrukt (want de bloeddruk in de linkerboezem blijft
vanaf nu groter dan in de rechter). De klep groeit uiteindelijk dicht.
Soms gebeurt dat niet, dan spreek je van een aangeboren hartafwijking.
Tussen de longslagader en aorta bevindt zich voor de geboorte ook nog een verbinding: de
ductus Botalli. Dit is een bloedvat dat zorgt dat het bloed in de longslagader direct naar de
aorta en niet naar de longen gaat. Deze trekt bij de geboorte samen, dus het bloed moet nu
wel naar de longen.
Voor de geboorte pompt het babyhart gemengd (zuurstofrijk + zuurstofarm) bloed via de
aorta naar de 2 navelstrenslagarders, aftakkingen van de twee beenslagaders.
Via de navelstreng gaat het bloed naar de placenta, waar het zuurstof en voedingstoffen
opneemt. Via de navelstrengslagader stroomt het bloed terug naar het kind.
Ik het kind splitst de navelstreng zich:
Een tak komt uit in de poortader waardoor een deel van het bloed in de lever komt.
De andere tak (grotendeel) stroomt naar de holle ader.
Bij de geboorte wordt de navelstreng afgeknipt. Je navel is het resultaat.
In de buik krimpen de bloedvaten in en vergroeien ze tot bindweefselstrengen.
Voor de geboorte ligt het hart van het kind op de lever, omdat de longen nog niet werken.
Ook de maag en darmen hoeven nog niks te doen, daarom is de lever het grootste orgaan in
de buikholte van een pasgeboren kind.
, Eva Bardoul
BIOLOGIE
Bloedsomloop in de foetus:
1 = bovenste holle ader.
2 = foramen ovale.
3= onderste holle ader.
4 = lever.
5 = ductus venosus.
6 = navelstrengader.
7 = navelstreng.
8 = navelstrengslagader.
9 = aorta.
10 = ductus Botalli.
11 = linkerlong.
12 = longslagader.
13 = longader.
14 = buikaorta.
15 = poortader.
Bloedsomloop na de geboorte:
1 = Bovenste holle ader.
2 = onderste holle ader.
3 = lever.
4 = poortader.
5= navelstrengader.
6= navelstrengklem.
7= navelstrengslagaders.
8 = aorta.
9= ductus Botalli (wordt afgesloten).
10 = linkerlong.
11 = longslagader.
12= buikaorta.
Om de algemene conditie van de pasgeborene vast te
stellen, wordt de apgarscore bij de baby bepaald. Dat
gebeurt twee keer: meteen na de geboorte en
ongeveer vijf minuten later. De arts of verloskundige
kent cijfers (0, 1 of 2) toe aan vijf factoren: de
hartslagfrequentie, de ademhaling, de
spierspanning, reactie op prikkels en de doorbloeding
aan de hand van de kleur van de huid. Per keer worden
de scores opgeteld; de uitkomst is de apgarscore.
Een normale, gezonde pasgeborene heeft direct na
de geboorte een score van minstens 7 en na vijf minuten
een score van 10.