1
Betreft: Uitwerking tentamen Internationaal en Europees belastingrecht (IEB) 7 juni 2018
Het tentamen bestaat uit 9 opgaven. Controleer of deze alle aanwezig zijn.
Alle antwoorden moeten worden gemotiveerd, ook al wordt niet om een motivering
verzocht. Dat betekent dat vermeld moet worden op welk wets- en/of verdragsartikel het
antwoord is gebaseerd. De vermelding moet specifiek zijn (dus niet ‘art. 2’, maar ‘art. 2,
lid 2, sub c’). Een antwoord zonder vermelding van de relevante rechtsbron levert geen
punten op.
Schrijf duidelijk, beknopt en bondig; voor (in de ogen van de correctoren) onleesbare
tekst worden geen punten toegekend.
Per vraag staat aangegeven hoeveel punten u voor de juiste beantwoording van een vraag
kunt krijgen. Deze bepunting is indicatief.
Gebruik uitsluitend door Nyenrode ter beschikking gestelde schrijfformulieren.
Er mag gebruik worden gemaakt van de in het onderwijsprogramma voorgeschreven
wet- en verdragsbundels, mits deze geen geschreven aantekeningen of annotaties
(verwijzingen naar wetsartikelen) bevatten.
Er mag gebruik worden gemaakt van een ‘eenvoudige’ rekenmachine (dus zonder opties
om tekst en dergelijke in het geheugen op te slaan).
Opgave 1 (9 punten)
Vragen:
a. Wat zijn drie belangrijke oorzaken van het ontstaan van internationale dubbele belasting?
b. Wat wordt bedoeld met kapitaalexportneutraliteit en welke methode ter voorkoming van dubbele
belasting hoort daarbij?
Uitwerking opgave 1
a.
Dubbele belastingheffing ontstaat doordat twee landen op één persoon verschillende
heffingsbeginselen toepassen:
bijvoorbeeld omdat het woonplaatsbeginsel (of woonlandbeginsel) overlapt met het
bronstaatbeginsel (of situsbeginsel)
of het woonplaatsbeginsel met het nationaliteitsbeginsel.
Ook wanneer twee landen (enkel) het woonplaatsbeginsel hanteren, kan internationale dubbele
belasting optreden, namelijk doordat die landen één en dezelfde persoon als hun inwoner beschouwen.
b.
Met kapitaalexportneutraliteit wordt bedoeld dat de belastingdruk op buitenlandse investeringen
hetzelfde is (of zou moeten zijn) als de belastingdruk op binnenlandse investeringen, zodat het voor de
investeerder (het bedrijfsleven) geen verschil maakt of in het eigen land wordt geïnvesteerd of
daarbuiten
Bij kapitaalexportneutraliteit hoort de verrekeningsmethode.
, 2
Opgave 2 (11 punten)
Feiten:
Zowel Y (inwoner van Nederland) als X BV (een in Nederland gevestigde vennootschap) beweren dat
zij een vaste inrichting in Chili hebben.
Vraag:
a. Aan welk artikel moet getoetst worden of er voor Y en X BV inderdaad sprake is van een vaste
inrichting?
Feiten:
De werkzaamheden in Chili bestaan uitsluitend uit het aanleggen van een brug over een rivier nabij
Santiago. De werkzaamheden beslaan negen maanden.
Vraag:
b. Is het denkbaar dat deze werkzaamheden voor Y of X BV een vaste inrichting vormen?
Uitwerking opgave 2
a.
Nederland heeft geen belastingverdrag met Chili. Voor Y gaat het daarom om art. 2 Bvdb 2001. Voor
X BV gaat het om art. 15e-2b jo. art. 15f Wet VPB 1969.)
b.
Nee, zie art. 15f, lid 1, slotzin, Wet VPB 1969 (2 punten) en art. 2, lid 1, slotzin, Bvdb 2001
Een bouwwerk dat minder dan twaalf maanden duurt, kan nimmer een vaste inrichting zijn op grond
van de hoofdregel.
Opgave 3 (12 punten)
Feiten:
X is inwoner van Australië.
X heeft een pensioenaanspraak op een in Nederland gevestigde pensioen-BV waarvan hij enig
aandeelhouder is. Het pensioen is in Nederland gefacilieerd opgebouwd.
Toen X van Nederland naar Australië emigreerde, is aan X geen conserverende aanslag opgelegd.
De navorderingstermijn voor de conserverende aanslag is verstreken.
In 2018 koopt X zijn pensioenrecht af. De afkoopsom bedraagt € 1 mln.
Vraag:
a. Mag Nederland de afkoopsom van € 1 mln die X van zijn pensioen-BV ontvangt, naar nationaal
recht in de belastingheffing betrekken?
b. Stel dat het antwoord op vraag a bevestigend luidt, bedenk dan argumenten voor de stelling dat het
verdrag Nederland-Australië die belastingheffing toestaat (of niet verhindert).
Betreft: Uitwerking tentamen Internationaal en Europees belastingrecht (IEB) 7 juni 2018
Het tentamen bestaat uit 9 opgaven. Controleer of deze alle aanwezig zijn.
Alle antwoorden moeten worden gemotiveerd, ook al wordt niet om een motivering
verzocht. Dat betekent dat vermeld moet worden op welk wets- en/of verdragsartikel het
antwoord is gebaseerd. De vermelding moet specifiek zijn (dus niet ‘art. 2’, maar ‘art. 2,
lid 2, sub c’). Een antwoord zonder vermelding van de relevante rechtsbron levert geen
punten op.
Schrijf duidelijk, beknopt en bondig; voor (in de ogen van de correctoren) onleesbare
tekst worden geen punten toegekend.
Per vraag staat aangegeven hoeveel punten u voor de juiste beantwoording van een vraag
kunt krijgen. Deze bepunting is indicatief.
Gebruik uitsluitend door Nyenrode ter beschikking gestelde schrijfformulieren.
Er mag gebruik worden gemaakt van de in het onderwijsprogramma voorgeschreven
wet- en verdragsbundels, mits deze geen geschreven aantekeningen of annotaties
(verwijzingen naar wetsartikelen) bevatten.
Er mag gebruik worden gemaakt van een ‘eenvoudige’ rekenmachine (dus zonder opties
om tekst en dergelijke in het geheugen op te slaan).
Opgave 1 (9 punten)
Vragen:
a. Wat zijn drie belangrijke oorzaken van het ontstaan van internationale dubbele belasting?
b. Wat wordt bedoeld met kapitaalexportneutraliteit en welke methode ter voorkoming van dubbele
belasting hoort daarbij?
Uitwerking opgave 1
a.
Dubbele belastingheffing ontstaat doordat twee landen op één persoon verschillende
heffingsbeginselen toepassen:
bijvoorbeeld omdat het woonplaatsbeginsel (of woonlandbeginsel) overlapt met het
bronstaatbeginsel (of situsbeginsel)
of het woonplaatsbeginsel met het nationaliteitsbeginsel.
Ook wanneer twee landen (enkel) het woonplaatsbeginsel hanteren, kan internationale dubbele
belasting optreden, namelijk doordat die landen één en dezelfde persoon als hun inwoner beschouwen.
b.
Met kapitaalexportneutraliteit wordt bedoeld dat de belastingdruk op buitenlandse investeringen
hetzelfde is (of zou moeten zijn) als de belastingdruk op binnenlandse investeringen, zodat het voor de
investeerder (het bedrijfsleven) geen verschil maakt of in het eigen land wordt geïnvesteerd of
daarbuiten
Bij kapitaalexportneutraliteit hoort de verrekeningsmethode.
, 2
Opgave 2 (11 punten)
Feiten:
Zowel Y (inwoner van Nederland) als X BV (een in Nederland gevestigde vennootschap) beweren dat
zij een vaste inrichting in Chili hebben.
Vraag:
a. Aan welk artikel moet getoetst worden of er voor Y en X BV inderdaad sprake is van een vaste
inrichting?
Feiten:
De werkzaamheden in Chili bestaan uitsluitend uit het aanleggen van een brug over een rivier nabij
Santiago. De werkzaamheden beslaan negen maanden.
Vraag:
b. Is het denkbaar dat deze werkzaamheden voor Y of X BV een vaste inrichting vormen?
Uitwerking opgave 2
a.
Nederland heeft geen belastingverdrag met Chili. Voor Y gaat het daarom om art. 2 Bvdb 2001. Voor
X BV gaat het om art. 15e-2b jo. art. 15f Wet VPB 1969.)
b.
Nee, zie art. 15f, lid 1, slotzin, Wet VPB 1969 (2 punten) en art. 2, lid 1, slotzin, Bvdb 2001
Een bouwwerk dat minder dan twaalf maanden duurt, kan nimmer een vaste inrichting zijn op grond
van de hoofdregel.
Opgave 3 (12 punten)
Feiten:
X is inwoner van Australië.
X heeft een pensioenaanspraak op een in Nederland gevestigde pensioen-BV waarvan hij enig
aandeelhouder is. Het pensioen is in Nederland gefacilieerd opgebouwd.
Toen X van Nederland naar Australië emigreerde, is aan X geen conserverende aanslag opgelegd.
De navorderingstermijn voor de conserverende aanslag is verstreken.
In 2018 koopt X zijn pensioenrecht af. De afkoopsom bedraagt € 1 mln.
Vraag:
a. Mag Nederland de afkoopsom van € 1 mln die X van zijn pensioen-BV ontvangt, naar nationaal
recht in de belastingheffing betrekken?
b. Stel dat het antwoord op vraag a bevestigend luidt, bedenk dan argumenten voor de stelling dat het
verdrag Nederland-Australië die belastingheffing toestaat (of niet verhindert).