H4 Percepties en attributies
Perceptie
Perceptie = proces van selecteren, organiseren en interpreteren van
informatie die via de zintuigen binnenkomt, om het te begrijpen en er een
mening over te vormen
- 3 componenten:
o Ontvanger = probeert de waarneming te begrijpen
o Het doel (target) van de perceptie = onderwerp wat de
ontvanger probeert te begrijpen
o Situatie = de omgeving/situatie waarin de perceptie
plaatsvindt
- Nadeel nooit 100& objectief
- Accurate percepties = percepties die zo dicht mogelijk bij de ware
objectieve aard van het doel van de perceptie komen
o Waarom belangrijk?
Van belang bij motivatie en werkprestatie
Eerlijkheid en gelijkheid
Ethische verantwoording
- Objectieve observatie is nodig om discriminatie tegen te gaan
Karakteristieken observator
Perceptie van het doel wordt beïnvloed door:
- Schema’s (ervaringen en kennis) = abstracte kennisstructuur die in
je geheugen zit en die het mogelijk maakt om het waargenomen
onderwerp (‘target’) te organiseren en op te slaan
o Nieuwe waargenomen informatie activeert bestaande
schema’s van dit onderwerp en beïnvloedt te verwerking van
deze nieuwe informatie
o Nadelen:
, Oppassen voor te snelle en incorrecte conclusies
Langzaam te veranderen
o Voorbeeld disfunctioneel schema stereotype = een set van
over-gesimplificeerde en vaak inaccurate typische
karakteristieken die aan een bepaalde groep worden
toegeschreven
- Motivational states = behoeftes, waarden en wensen van de
ontvanger
- Moods = gevoelens
Karakteristieken van het waargenomen
onderwerp
- Ambiguïteit van het doel = te weinig duidelijkheid
o Hoe onduidelijker het waargenomen onderwerp, des te groter
de kans op fouten in perceptie
o Als de doelen ambigu zijn, dan moet men niet te veel
vertrouwen op de juistheid van hun percepties, maar veel
informatie zoeken om tot een accurate perceptie te komen
- Sociale status van de target = iemands echte of waargenomen
plaats in de maatschappij of in een organisatie
o Hogere status wordt als slimmer en verantwoordelijk gezien
fouten in percepties
- Impression management door de target = pogingen om
controle te houden over de percepties en indrukken van anderen
fouten in percepties
o Aantal manieren:
Behavioral matching = target imiteert gedrag van
ontvanger
Zelf-promotie = target laat zich op de meest positieve
manier te presenteren
, Bevestiging van de normen in de situatie = target
volgt de afgesproken regels voor het gedrag in een
bepaalde situatie
Vleien van anderen = complimenteren van de
ontvanger
Consistent blijven = wat je zegt/gelooft moet je ook
echt doen geloven
Karakteristieken van de omgeving/situatie op
perceptie
Hoe opvallend de target is binnen een situatie. De target kan opvallen
door:
- Uitzondering (novel)
- Figuurlijk opvallen
- Inconsistentie
Vooroordelen en problemen in perceptie van
mensen
Vooroordelen (bias) = systematische neiging om informatie op een
foute manier te gebruiken of te interpreteren met als gevolg foute
percepties
- Primacy effect = effect dat de eerste informatie die een ontvanger
krijgt over de target een grote invloed heeft op de perceptie
- Contrast effect = bevooroordeelde waarneming die ontstaat als de
perceptie van een target persoon verstoord wordt door percepties
die dee waarnemer heeft van anderen in dezelfde situatie
- Halo-effect = algemene perceptie van een ontvanger over een
target in de weg zit voor de perceptie van de target op andere
dimensies
- Similar-to-me-effect = neiging om mensen die op hen lijken over
het algemeen positiever te vinden
, - Average tendence bias = neiging om iedereen als gemiddeld te
zien
- Knowledge-of-preditor bias = bevoordeelde perceptie die
ontstaat als de ontvanger op basis van bepaalde informatie,
verwachtingen heeft gekregen over een target en hierdoor
beïnvloed wordt in zijn/haar perceptie over de target
o Gevolg selffulfilling prophecy
- Selffulfilling prophecy = voorspelling waarvan de bekendmaking
het effect heeft dat de voorspelling waarheid wordt. Hierdoor gaan
mensen zich aanpassen in gedrag
Attributietheorie
Attributietheorie = beschrijft hoe mensen de oorzaken van hun eigen
gedrag en het gedrag van anderen verklaren
- Externe attributies = attributies die de oorzaken van gedrag toe
schrijven aan krachten van buiten
- Interne attributies = attributies die de oorzaken van gedrag toe
schrijven aan karakteristieken die een persoon zichzelf toebedeelt
- Attributiebiases:
o Actor-observer effect = neiging van mensen om hun eigen
gedrag vooral toe te schrijven aan externe oorzaken en het
gedrag van anderen toe te schrijven aan interne oorzaken
o Fundamentele attributiefout = neiging om gedrag van
anderen vooral toe te schrijven aan interne in plaats van aan
externe oorzaken
o Self-serving attributie = neiging van mensen om credit te
nemen voor succes en niet voor hun falen
Effectief managen op de werkvloer
4 stappen om een werkvloer effectiever te laten werken:
1. Diversiteit zeker stellen bij het top-management
2. Training in diversiteit
Perceptie
Perceptie = proces van selecteren, organiseren en interpreteren van
informatie die via de zintuigen binnenkomt, om het te begrijpen en er een
mening over te vormen
- 3 componenten:
o Ontvanger = probeert de waarneming te begrijpen
o Het doel (target) van de perceptie = onderwerp wat de
ontvanger probeert te begrijpen
o Situatie = de omgeving/situatie waarin de perceptie
plaatsvindt
- Nadeel nooit 100& objectief
- Accurate percepties = percepties die zo dicht mogelijk bij de ware
objectieve aard van het doel van de perceptie komen
o Waarom belangrijk?
Van belang bij motivatie en werkprestatie
Eerlijkheid en gelijkheid
Ethische verantwoording
- Objectieve observatie is nodig om discriminatie tegen te gaan
Karakteristieken observator
Perceptie van het doel wordt beïnvloed door:
- Schema’s (ervaringen en kennis) = abstracte kennisstructuur die in
je geheugen zit en die het mogelijk maakt om het waargenomen
onderwerp (‘target’) te organiseren en op te slaan
o Nieuwe waargenomen informatie activeert bestaande
schema’s van dit onderwerp en beïnvloedt te verwerking van
deze nieuwe informatie
o Nadelen:
, Oppassen voor te snelle en incorrecte conclusies
Langzaam te veranderen
o Voorbeeld disfunctioneel schema stereotype = een set van
over-gesimplificeerde en vaak inaccurate typische
karakteristieken die aan een bepaalde groep worden
toegeschreven
- Motivational states = behoeftes, waarden en wensen van de
ontvanger
- Moods = gevoelens
Karakteristieken van het waargenomen
onderwerp
- Ambiguïteit van het doel = te weinig duidelijkheid
o Hoe onduidelijker het waargenomen onderwerp, des te groter
de kans op fouten in perceptie
o Als de doelen ambigu zijn, dan moet men niet te veel
vertrouwen op de juistheid van hun percepties, maar veel
informatie zoeken om tot een accurate perceptie te komen
- Sociale status van de target = iemands echte of waargenomen
plaats in de maatschappij of in een organisatie
o Hogere status wordt als slimmer en verantwoordelijk gezien
fouten in percepties
- Impression management door de target = pogingen om
controle te houden over de percepties en indrukken van anderen
fouten in percepties
o Aantal manieren:
Behavioral matching = target imiteert gedrag van
ontvanger
Zelf-promotie = target laat zich op de meest positieve
manier te presenteren
, Bevestiging van de normen in de situatie = target
volgt de afgesproken regels voor het gedrag in een
bepaalde situatie
Vleien van anderen = complimenteren van de
ontvanger
Consistent blijven = wat je zegt/gelooft moet je ook
echt doen geloven
Karakteristieken van de omgeving/situatie op
perceptie
Hoe opvallend de target is binnen een situatie. De target kan opvallen
door:
- Uitzondering (novel)
- Figuurlijk opvallen
- Inconsistentie
Vooroordelen en problemen in perceptie van
mensen
Vooroordelen (bias) = systematische neiging om informatie op een
foute manier te gebruiken of te interpreteren met als gevolg foute
percepties
- Primacy effect = effect dat de eerste informatie die een ontvanger
krijgt over de target een grote invloed heeft op de perceptie
- Contrast effect = bevooroordeelde waarneming die ontstaat als de
perceptie van een target persoon verstoord wordt door percepties
die dee waarnemer heeft van anderen in dezelfde situatie
- Halo-effect = algemene perceptie van een ontvanger over een
target in de weg zit voor de perceptie van de target op andere
dimensies
- Similar-to-me-effect = neiging om mensen die op hen lijken over
het algemeen positiever te vinden
, - Average tendence bias = neiging om iedereen als gemiddeld te
zien
- Knowledge-of-preditor bias = bevoordeelde perceptie die
ontstaat als de ontvanger op basis van bepaalde informatie,
verwachtingen heeft gekregen over een target en hierdoor
beïnvloed wordt in zijn/haar perceptie over de target
o Gevolg selffulfilling prophecy
- Selffulfilling prophecy = voorspelling waarvan de bekendmaking
het effect heeft dat de voorspelling waarheid wordt. Hierdoor gaan
mensen zich aanpassen in gedrag
Attributietheorie
Attributietheorie = beschrijft hoe mensen de oorzaken van hun eigen
gedrag en het gedrag van anderen verklaren
- Externe attributies = attributies die de oorzaken van gedrag toe
schrijven aan krachten van buiten
- Interne attributies = attributies die de oorzaken van gedrag toe
schrijven aan karakteristieken die een persoon zichzelf toebedeelt
- Attributiebiases:
o Actor-observer effect = neiging van mensen om hun eigen
gedrag vooral toe te schrijven aan externe oorzaken en het
gedrag van anderen toe te schrijven aan interne oorzaken
o Fundamentele attributiefout = neiging om gedrag van
anderen vooral toe te schrijven aan interne in plaats van aan
externe oorzaken
o Self-serving attributie = neiging van mensen om credit te
nemen voor succes en niet voor hun falen
Effectief managen op de werkvloer
4 stappen om een werkvloer effectiever te laten werken:
1. Diversiteit zeker stellen bij het top-management
2. Training in diversiteit