10 voor biologie
Hoofdstuk 17 – Omzetting, opslag en uitscheiding
De lever krijgt zuurstofarm bloed, dat vol met voedingsstoffen zit, vanuit de milt, maag en darm. De
lever krijgt ook bloed via de leverslagader uit de aorta, en geeft bloed af in de onderste holle ader via
de kransslagader. Het bloed dat de lever verlaat, heeft een constante samenstelling, waardoor
homeostase gegarandeerd is. De lever is opgebouwd uit zeshoekige leverlobjes (1 mm), die elk om
een takje poortader, leverslagader en galgang zitten > netwerk van haarvaten (sinusoïden). Het bloed
stroomt van buiten naar binnen, naar een centraal leveradertje. De wanden van sinusoïden zijn
bekleed met Kupffercellen, speciale fagocyten, die oude rode bloedcellen, brokken van andere cellen
en toxinen opneemt. Ook signaleren ze lichaamsvreemde stoffen. Gal stroomt de andere kant op,
door galkanaaltjes. Levercellen produceren gal met afvalstoffen. Gal gaat via de galgangen naar de
galblaas en dan naar de darmen. De lever neemt vanuit de poortader o.a. op:
monosachariden, o.a. glucose vitamines
aminozuren stoffen uit genotmiddelen, o.a.
klein-moleculaire vetzuren en glycerol alcohol
mineralen, in het bijzonder ijzer sommige medicijnen
Grote moleculaire vetzuren gaan via lymfe, hart en kleine bloedsomloop naar de lever en
(onderhuids) bindweefsel.
Suikerstofwisseling
De lever houdt de bloedsuikerspiegel in balans (negatieve terugkoppeling). Dit wordt gedaan aan de
hand van glucogeen en insuline. Insuline stimuleert de lever / skeletspieren glucose op te nemen,
door glucose om te zetten in glucogeen (150 g max > vet). Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag
wordt, wordt glucagon geproduceerd (glucogeen > glucose). Wanner de glucogeenvoorraad op is,
wordt overgeschakeld op vetverbranding (aminozuur + vetzuur + melkzuur = glucose)
Vetstofwisseling
In de lever worden vetten gevormd en afgebroken uit of tot vetzuren en glycerol / glucose. De lever
kan 75 g vet opslaan. Ook zet de lever cholesterol om in galzouten en andersom. Cholesterol zit in
celmembranen en is nodig om hormonen en vitamine D te produceren. Ook wordt cholesterol,
samen met bilirubine en galzouten in de vorm van gal uitgescheden. Galzouten emulgeren vet in de
maag, waardoor de lever niet alleen een uitscheidingsorgaan is, maar ook een spijsverteringsklier.
Gekristalliseerd cholesterol in de galblaas levert galstenen.
Eiwitstofwisseling
De lever vormt met aminozuren uit de poortader bijna alle plasma-eiwitten. Ook kan de lever
aminozuren omzetten in andere aminozuren. Eiwitten en aminozuren kunnen niet opgeslagen
worden, dus de lever breekt het teveel af. De afbraak van aminozuren heet desaminering
(aminozuur > ammoniak en glucose / brandstof. Ammoniak > ureum (CO(NH 2)2)).
Levercellen zijn in staat bepaalde lichaamsvreemde en/of schadelijke stoffen onwerkzaam te maken
en geschikt te maken voor de uitscheiding. 3 stoffen worden uitgescheden: ammoniak, urinezuur en
ureum.
Zoutwatervissen leven in een omgeving, die een hogere osmotische waarde hebben dan zichzelf
(hypotonisch). Hierdoor verliezen ze non-stop water en proberen ze dat ook te behouden. Het
tegenovergestelde geldt voor zoetwatervissen (hypertonisch), zij nemen actief zouten op, om hun
osmotische waarde te behouden. Zoutwatervissen scheiden ammoniak passief uit, zoetwatervissen
Hoofdstuk 17 – Omzetting, opslag en uitscheiding
De lever krijgt zuurstofarm bloed, dat vol met voedingsstoffen zit, vanuit de milt, maag en darm. De
lever krijgt ook bloed via de leverslagader uit de aorta, en geeft bloed af in de onderste holle ader via
de kransslagader. Het bloed dat de lever verlaat, heeft een constante samenstelling, waardoor
homeostase gegarandeerd is. De lever is opgebouwd uit zeshoekige leverlobjes (1 mm), die elk om
een takje poortader, leverslagader en galgang zitten > netwerk van haarvaten (sinusoïden). Het bloed
stroomt van buiten naar binnen, naar een centraal leveradertje. De wanden van sinusoïden zijn
bekleed met Kupffercellen, speciale fagocyten, die oude rode bloedcellen, brokken van andere cellen
en toxinen opneemt. Ook signaleren ze lichaamsvreemde stoffen. Gal stroomt de andere kant op,
door galkanaaltjes. Levercellen produceren gal met afvalstoffen. Gal gaat via de galgangen naar de
galblaas en dan naar de darmen. De lever neemt vanuit de poortader o.a. op:
monosachariden, o.a. glucose vitamines
aminozuren stoffen uit genotmiddelen, o.a.
klein-moleculaire vetzuren en glycerol alcohol
mineralen, in het bijzonder ijzer sommige medicijnen
Grote moleculaire vetzuren gaan via lymfe, hart en kleine bloedsomloop naar de lever en
(onderhuids) bindweefsel.
Suikerstofwisseling
De lever houdt de bloedsuikerspiegel in balans (negatieve terugkoppeling). Dit wordt gedaan aan de
hand van glucogeen en insuline. Insuline stimuleert de lever / skeletspieren glucose op te nemen,
door glucose om te zetten in glucogeen (150 g max > vet). Wanneer de bloedsuikerspiegel te laag
wordt, wordt glucagon geproduceerd (glucogeen > glucose). Wanner de glucogeenvoorraad op is,
wordt overgeschakeld op vetverbranding (aminozuur + vetzuur + melkzuur = glucose)
Vetstofwisseling
In de lever worden vetten gevormd en afgebroken uit of tot vetzuren en glycerol / glucose. De lever
kan 75 g vet opslaan. Ook zet de lever cholesterol om in galzouten en andersom. Cholesterol zit in
celmembranen en is nodig om hormonen en vitamine D te produceren. Ook wordt cholesterol,
samen met bilirubine en galzouten in de vorm van gal uitgescheden. Galzouten emulgeren vet in de
maag, waardoor de lever niet alleen een uitscheidingsorgaan is, maar ook een spijsverteringsklier.
Gekristalliseerd cholesterol in de galblaas levert galstenen.
Eiwitstofwisseling
De lever vormt met aminozuren uit de poortader bijna alle plasma-eiwitten. Ook kan de lever
aminozuren omzetten in andere aminozuren. Eiwitten en aminozuren kunnen niet opgeslagen
worden, dus de lever breekt het teveel af. De afbraak van aminozuren heet desaminering
(aminozuur > ammoniak en glucose / brandstof. Ammoniak > ureum (CO(NH 2)2)).
Levercellen zijn in staat bepaalde lichaamsvreemde en/of schadelijke stoffen onwerkzaam te maken
en geschikt te maken voor de uitscheiding. 3 stoffen worden uitgescheden: ammoniak, urinezuur en
ureum.
Zoutwatervissen leven in een omgeving, die een hogere osmotische waarde hebben dan zichzelf
(hypotonisch). Hierdoor verliezen ze non-stop water en proberen ze dat ook te behouden. Het
tegenovergestelde geldt voor zoetwatervissen (hypertonisch), zij nemen actief zouten op, om hun
osmotische waarde te behouden. Zoutwatervissen scheiden ammoniak passief uit, zoetwatervissen