Samenvatting H.4: Ademhaling
Ademhalingsweg
, Neusholte
De voorste (uitwendige) neusopeningen, ook wel neusgaten genoemd,
verbinden de neusholte met de buitenlucht; de achterste (inwendige)
neusopeningen verbinden de neusholte met de keelholte.
In de neusholte bevinden zich drie paar neusschelpen die met slijmvlies
bekleed zijn. Elke neushelft wordt zodoende door de neusschelpen in
ruimten verdeeld. De ruimten onder de neusschelpen worden
neusgangen genoemd. Boven de bovenste neusschelp bevindt zich nog
een ruimte. Deze bevat zintuigcellen waarmee je kunt ruiken.
Door het neusslijmvlies (en de zich daaronder bevindende bloedvaatjes)
wordt de ingeademde lucht verwarmd en bevochtigd. Hierdoor wordt de
uitwisseling van de gasvormige stoffen in de longen bevorderd.
De neusholte staat in verbinding met enkele neusbijholten. Dit zijn holten
in botten zoals de bovenkaak en het voorhoofdsbeen. Zo’n holte noemen
we een sinus.
Keelholte
De keelholte (farynx) ligt achter de mondholte en onder de neusholte.
Naar beneden toe zijn er twee openingen, namelijk één naar het
strottenhoofd en één naar de slokdarm. De keelholte staat ook nog in
verbinding met het middenoor via de beide buizen van Eustachius.
Strottenhoofd
Wij kunnen aan het strottenhoofd onderscheiden:
- het beweeglijke schildkraakbeen, waarvan de vooruitstekende punt
adamsappel wordt genoemd
- het onbeweeglijke ringkraakbeen, dat aan de achterzijde verbreed
is (de zgn. zegelring)
- twee bekerkraakbeentjes die beweeglijk vastzitten op de rand van
het ringkraakbeen. Zij spelen een belangrijke rol bij het
aanspannen van de stembanden en het vergroten of verkleinen
van de stemspleet.
Ademhalingsweg
, Neusholte
De voorste (uitwendige) neusopeningen, ook wel neusgaten genoemd,
verbinden de neusholte met de buitenlucht; de achterste (inwendige)
neusopeningen verbinden de neusholte met de keelholte.
In de neusholte bevinden zich drie paar neusschelpen die met slijmvlies
bekleed zijn. Elke neushelft wordt zodoende door de neusschelpen in
ruimten verdeeld. De ruimten onder de neusschelpen worden
neusgangen genoemd. Boven de bovenste neusschelp bevindt zich nog
een ruimte. Deze bevat zintuigcellen waarmee je kunt ruiken.
Door het neusslijmvlies (en de zich daaronder bevindende bloedvaatjes)
wordt de ingeademde lucht verwarmd en bevochtigd. Hierdoor wordt de
uitwisseling van de gasvormige stoffen in de longen bevorderd.
De neusholte staat in verbinding met enkele neusbijholten. Dit zijn holten
in botten zoals de bovenkaak en het voorhoofdsbeen. Zo’n holte noemen
we een sinus.
Keelholte
De keelholte (farynx) ligt achter de mondholte en onder de neusholte.
Naar beneden toe zijn er twee openingen, namelijk één naar het
strottenhoofd en één naar de slokdarm. De keelholte staat ook nog in
verbinding met het middenoor via de beide buizen van Eustachius.
Strottenhoofd
Wij kunnen aan het strottenhoofd onderscheiden:
- het beweeglijke schildkraakbeen, waarvan de vooruitstekende punt
adamsappel wordt genoemd
- het onbeweeglijke ringkraakbeen, dat aan de achterzijde verbreed
is (de zgn. zegelring)
- twee bekerkraakbeentjes die beweeglijk vastzitten op de rand van
het ringkraakbeen. Zij spelen een belangrijke rol bij het
aanspannen van de stembanden en het vergroten of verkleinen
van de stemspleet.