Subcutaan injecteren
Reden van de handeling:
Als een cliënt diebetes heeft is het in de meeste gevallen zo dat er insuline wordt toegediend via een
subcutane injectie. Mensen met diabetes type 2 krijgen soms daarnaast ook tabletten zoals metformine
of glyclazide. Als deze medicatie onvoldoende werkt of de suikers fluctueren erg, dan kan een
insulinepen worden voorgeschreven. Daarnaast is het doel hiervan dat de cliënt geen hypoglykemie (te
lage bloedsuiker spiegel) of hyperglykemie (te hoge bloedsuikerspiegel) krijgt.
Antistollingsmiddelen kunnen ook worden toegediend via een subcutane injectie. Antistollingsmiddelen,
ofwel anticoagulantia, ondersteunen de normale bloedcirculatie van zorgvragers bij wie het bloed een
verhoogde coagulatieneiging (neiging tot samenklonteren en stolselvorming) heeft.
Deze middelen voorkomen wel de vorming van nieuwe stolsels, maar lossen bestaande niet op.
In de beroepspraktijk zul je regelmatig heparine of Fraxiparine® per injectie toedienen. Omdat dit
antistollingsmiddelen zijn, gelden er speciale regels voor de toedienin
Andere bijzonderheden waar je rekening mee moet houden
Het postuur van de cliënt is belangrijk om te bepalen welke naald je gebruikt. Voor mensen met obesitas
zijn er speciale opzet naaldjes voor insuline pennen die wat langer zijn zodat ze voorbij de vetlaag van de
buik komen. Anders kan het middel niet goed worden opgenomen door de haarvaten.
Niet elk deel van het lichaam is geschikt voor een subcutane injectie.
Een subcutane injectie mag alleen worden toegediend op plaatsen waar de bloedvoorziening voldoende
is en de huid en het onderhuidse vetweefsel schoon en heel zijn.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij de boven/buitenkant van het bovenbeen, het gebied naast en onder de
navel, het bovenste buitenste deel van de billen en de boven/buitenkant van de bovenarm.
subcutane injectie met heparine kun je het best in de buik toedienen met loodrechttechniek.
je plaatst de naald in een hoek van 90 graden in de huid.
Om verbindweefseling van de huid te voorkomen, wissel je steeds van injectieplaats rondom de navel en
in de lichaamszijden.
Na het subcutaan injecteren van insuline of bloedverdunners mag niet worden gemasseerd. Het
masseren beïnvloedt de insulineopname en vergroot de risico op hematomen (blauwe plekken). Voor
het toedienen van een subcutane injectie moet je juist de juiste injectieplaats bepalen, aangezien de
plaats de opnamesnelheid van medicijnen kan beïnvloeden. daarnaast is de opname van de medicijnen
afhankelijk van de injectieplaats, de spierpompwerking, temperatuursverandering, roken en
spuitdefecten.
Bij veelvuldige injecties moet de injectie minimaal 1 cm van de vorige injectieplaats verwijderd zijn. Op
deze manier voorkom je huidbeschadiging.
De 2 technieken
Loodrecht techniek:
Reden van de handeling:
Als een cliënt diebetes heeft is het in de meeste gevallen zo dat er insuline wordt toegediend via een
subcutane injectie. Mensen met diabetes type 2 krijgen soms daarnaast ook tabletten zoals metformine
of glyclazide. Als deze medicatie onvoldoende werkt of de suikers fluctueren erg, dan kan een
insulinepen worden voorgeschreven. Daarnaast is het doel hiervan dat de cliënt geen hypoglykemie (te
lage bloedsuiker spiegel) of hyperglykemie (te hoge bloedsuikerspiegel) krijgt.
Antistollingsmiddelen kunnen ook worden toegediend via een subcutane injectie. Antistollingsmiddelen,
ofwel anticoagulantia, ondersteunen de normale bloedcirculatie van zorgvragers bij wie het bloed een
verhoogde coagulatieneiging (neiging tot samenklonteren en stolselvorming) heeft.
Deze middelen voorkomen wel de vorming van nieuwe stolsels, maar lossen bestaande niet op.
In de beroepspraktijk zul je regelmatig heparine of Fraxiparine® per injectie toedienen. Omdat dit
antistollingsmiddelen zijn, gelden er speciale regels voor de toedienin
Andere bijzonderheden waar je rekening mee moet houden
Het postuur van de cliënt is belangrijk om te bepalen welke naald je gebruikt. Voor mensen met obesitas
zijn er speciale opzet naaldjes voor insuline pennen die wat langer zijn zodat ze voorbij de vetlaag van de
buik komen. Anders kan het middel niet goed worden opgenomen door de haarvaten.
Niet elk deel van het lichaam is geschikt voor een subcutane injectie.
Een subcutane injectie mag alleen worden toegediend op plaatsen waar de bloedvoorziening voldoende
is en de huid en het onderhuidse vetweefsel schoon en heel zijn.
Dat is bijvoorbeeld het geval bij de boven/buitenkant van het bovenbeen, het gebied naast en onder de
navel, het bovenste buitenste deel van de billen en de boven/buitenkant van de bovenarm.
subcutane injectie met heparine kun je het best in de buik toedienen met loodrechttechniek.
je plaatst de naald in een hoek van 90 graden in de huid.
Om verbindweefseling van de huid te voorkomen, wissel je steeds van injectieplaats rondom de navel en
in de lichaamszijden.
Na het subcutaan injecteren van insuline of bloedverdunners mag niet worden gemasseerd. Het
masseren beïnvloedt de insulineopname en vergroot de risico op hematomen (blauwe plekken). Voor
het toedienen van een subcutane injectie moet je juist de juiste injectieplaats bepalen, aangezien de
plaats de opnamesnelheid van medicijnen kan beïnvloeden. daarnaast is de opname van de medicijnen
afhankelijk van de injectieplaats, de spierpompwerking, temperatuursverandering, roken en
spuitdefecten.
Bij veelvuldige injecties moet de injectie minimaal 1 cm van de vorige injectieplaats verwijderd zijn. Op
deze manier voorkom je huidbeschadiging.
De 2 technieken
Loodrecht techniek: