Samenvatting formeel strafrecht
Week 1 les 1
H1§1
Kenmerkende Nederlandse fundamentele rechten binnen het strafprocesrecht, zoals het
zwijgrecht en het recht ban een verdachte niet te belasten. Zo bijvoorbeeld ook het
opportuniteitsbeginsel, hetgeen kort gezegd inhoudt dat, behoudens uitzonderingen, daar
alle geconstateerde strafbare feiten dienen te worden vervolgd.
H1§2
Het Nederlandse strafproces wordt opgedeeld in het materieel strafrecht en het formeel
strafrecht. Het strafproces hier is gematigd inquisitoir en gematigd accusatoir. Bij inquisitoir
is de procespartij niet gelijkwaardig, alles in belang van het onderzoek. Bij accusatoir zijn
partijen gelijkwaardig.
H1§3
Het OM is dominus litis, dit houdt in dat zij de grenzen van het geschil bepaald. Het OM
heeft een vervolgingsmonopolie, zij bepaald of er naar een strafbaar feit over wordt gegaan.
Dit wordt ook wel het opportuniteitsbeginsel genoemd, dit heeft als doel de scherpte van
het legaliteitsbeginsel te ontnemen.
H1§4
Het Nederlandse strafrechtsysteem kent een zeer sterke professionele cultuur en daarmee
samenhangend, een relatief grote afstand tussen burger en rechtspraak. Dit komt door het
feit dat we in Nederland enkel beroepsrechters hebben. Juryrechtspraak is tijdrovend
waardoor een groot deel van de zien door middel van plek bargaining wordt afgedaan. Een
onderdeel van de kritiek hierop is dat veel druk op de verdachten wordt uitgeoefend om te
bekennen en akkoord te gaan met het voorstel.
H1§7
Het wetboek van strafvordering gaat ervan uit dat het gehele strafprocesrecht in een
formele wet geregeld moet worden. Dit belangrijke strafvorderlijke legaliteitsbeginsel wordt
in art 1 Sv uitgelegd. Met strafvordering wordt bedoeld opsporing, vervolging en berechting
van strafbare feiten en de uitvoering van straffen. Het beginsel bewaakt de rechtszekerheid.
Vier aspecten;
1. Lex scripta (geschreven)
2. Lex certa (geen vage bepalingen)
3. Verbod terugwerkende kracht (als iets niet verboden is mag je het gebruiken)
4. Verbod op analogie (rechten wetsartikelen mogen niet worden misbruikt of
weggenomen)
H1§9
De onschuldpresumptie 27 Sv is een grondbeginsel van het strafrecht, dat bepaald dat
eenieder voor onschuldig dient te worden gehouden tot het tegendeel is bewezen. Dit is ook
een recht vastgelegd in het EVRM. Tweede lid art 6.
, Wat in dit artikel staat, is de procedurele garantie voor de wijze van rechtspraak. De rechter
mag niet zomaar besluiten dat een verdachte iets gedaan heeft.
H1§15
Het vertrouwensbeginsel: het door het OM gewekte vertrouwen ook in redelijkheid wordt
gehonoreerd. Als het OM een verdachte bepaalde concrete toezeggingen doet in een
strafzaak kan het OM deze toezeggingen niet zonder zwaarwegende argumenten ongedaan
maken.
Het beginsel van zuiverheid (détournement de pouvoir): hetgeen wil zeggen dat het OM zijn
bevoegdheden niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld.
Nog wat andere beginselen;
Zorgvuldigheidsbeginsel: Een besluit moet door de overheid zorgvuldig worden voorbereid
en genomen. De feiten en belangen moeten goed worden onderzocht, de burger moet goed
worden behandeld, de procedure moet correct worden gevolgd en de besluitvorming moet
deugdelijk zijn.
Verbod van willekeur: Er moet een redelijke belangenafweging plaatsvinden.
Evenredigheidsbeginsel: de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn
in verhouding met het doel van dat besluit
Toelichtende tekst syllabus OO
Legaliteitsbeginsel
Om te voorkomen dat de overheid op elk willekeurig moment elke willekeurige burger aan
haar bevoegdheden kan onderwerpen, is het van groot belang die bevoegdheden en de
toepassing daarvan strikt in de wet vast te leggen. Daarom heeft de wetgever art 1 Sv
opgenomen. In dat artikel staat dat alle strafprocesrechtelijke bevoegdheden een grondslag
moeten hebben in een wet in formele zin. Ook in art 1 Sr is een legaliteitsbeginsel
opgenomen. Daar gaat het om een materieelrechtelijk beginsel.
Week 1 les 1
H1§1
Kenmerkende Nederlandse fundamentele rechten binnen het strafprocesrecht, zoals het
zwijgrecht en het recht ban een verdachte niet te belasten. Zo bijvoorbeeld ook het
opportuniteitsbeginsel, hetgeen kort gezegd inhoudt dat, behoudens uitzonderingen, daar
alle geconstateerde strafbare feiten dienen te worden vervolgd.
H1§2
Het Nederlandse strafproces wordt opgedeeld in het materieel strafrecht en het formeel
strafrecht. Het strafproces hier is gematigd inquisitoir en gematigd accusatoir. Bij inquisitoir
is de procespartij niet gelijkwaardig, alles in belang van het onderzoek. Bij accusatoir zijn
partijen gelijkwaardig.
H1§3
Het OM is dominus litis, dit houdt in dat zij de grenzen van het geschil bepaald. Het OM
heeft een vervolgingsmonopolie, zij bepaald of er naar een strafbaar feit over wordt gegaan.
Dit wordt ook wel het opportuniteitsbeginsel genoemd, dit heeft als doel de scherpte van
het legaliteitsbeginsel te ontnemen.
H1§4
Het Nederlandse strafrechtsysteem kent een zeer sterke professionele cultuur en daarmee
samenhangend, een relatief grote afstand tussen burger en rechtspraak. Dit komt door het
feit dat we in Nederland enkel beroepsrechters hebben. Juryrechtspraak is tijdrovend
waardoor een groot deel van de zien door middel van plek bargaining wordt afgedaan. Een
onderdeel van de kritiek hierop is dat veel druk op de verdachten wordt uitgeoefend om te
bekennen en akkoord te gaan met het voorstel.
H1§7
Het wetboek van strafvordering gaat ervan uit dat het gehele strafprocesrecht in een
formele wet geregeld moet worden. Dit belangrijke strafvorderlijke legaliteitsbeginsel wordt
in art 1 Sv uitgelegd. Met strafvordering wordt bedoeld opsporing, vervolging en berechting
van strafbare feiten en de uitvoering van straffen. Het beginsel bewaakt de rechtszekerheid.
Vier aspecten;
1. Lex scripta (geschreven)
2. Lex certa (geen vage bepalingen)
3. Verbod terugwerkende kracht (als iets niet verboden is mag je het gebruiken)
4. Verbod op analogie (rechten wetsartikelen mogen niet worden misbruikt of
weggenomen)
H1§9
De onschuldpresumptie 27 Sv is een grondbeginsel van het strafrecht, dat bepaald dat
eenieder voor onschuldig dient te worden gehouden tot het tegendeel is bewezen. Dit is ook
een recht vastgelegd in het EVRM. Tweede lid art 6.
, Wat in dit artikel staat, is de procedurele garantie voor de wijze van rechtspraak. De rechter
mag niet zomaar besluiten dat een verdachte iets gedaan heeft.
H1§15
Het vertrouwensbeginsel: het door het OM gewekte vertrouwen ook in redelijkheid wordt
gehonoreerd. Als het OM een verdachte bepaalde concrete toezeggingen doet in een
strafzaak kan het OM deze toezeggingen niet zonder zwaarwegende argumenten ongedaan
maken.
Het beginsel van zuiverheid (détournement de pouvoir): hetgeen wil zeggen dat het OM zijn
bevoegdheden niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld.
Nog wat andere beginselen;
Zorgvuldigheidsbeginsel: Een besluit moet door de overheid zorgvuldig worden voorbereid
en genomen. De feiten en belangen moeten goed worden onderzocht, de burger moet goed
worden behandeld, de procedure moet correct worden gevolgd en de besluitvorming moet
deugdelijk zijn.
Verbod van willekeur: Er moet een redelijke belangenafweging plaatsvinden.
Evenredigheidsbeginsel: de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn
in verhouding met het doel van dat besluit
Toelichtende tekst syllabus OO
Legaliteitsbeginsel
Om te voorkomen dat de overheid op elk willekeurig moment elke willekeurige burger aan
haar bevoegdheden kan onderwerpen, is het van groot belang die bevoegdheden en de
toepassing daarvan strikt in de wet vast te leggen. Daarom heeft de wetgever art 1 Sv
opgenomen. In dat artikel staat dat alle strafprocesrechtelijke bevoegdheden een grondslag
moeten hebben in een wet in formele zin. Ook in art 1 Sr is een legaliteitsbeginsel
opgenomen. Daar gaat het om een materieelrechtelijk beginsel.