H3 Oefentoets 2
1
Stelling I:
De macro-omgeving beïnvloedt de interactie tussen consument en marketeer.
Stelling II:
Psychologisch-maatschappelijke ontwikkelingen en trends beïnvloeden de interactie tussen
consument en marketeer.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
2
Wat is niet waar met betrekking tot radicaal consumentisme?
A. Radicaal consumentisme is illegaal.
B. Radicaal consumentisme is antikapitalistisch.
C. Radicaal consumentisme is militant.
D. Radicaal consumentisme beschouwt consumentenorganisaties als symptoombestrijders.
3
Subsidies zijn een voorbeeld van:
A. inkomensbeleid
B. prijsbeleid
C. wetgeving
D. prijsdiscriminatie
4
Stelling I:
Consumentisme is een stroming waarbij de overheid, bepaalde sectoren en beroepsgroepen zich
bezighouden met het opstellen van regelingen voor het beschermen van de consument.
Stelling II:
Consumentenbeleid is de concrete uitwerking van consumentisme in de vorm van wetgeving,
regels en zelfregulering.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
5
Stelling I:
Techniek maakt mensen onafhankelijker en minder kwetsbaar.
Stelling II:
Techniek maakt het leven eenvoudiger.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
1
Stelling I:
De macro-omgeving beïnvloedt de interactie tussen consument en marketeer.
Stelling II:
Psychologisch-maatschappelijke ontwikkelingen en trends beïnvloeden de interactie tussen
consument en marketeer.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
2
Wat is niet waar met betrekking tot radicaal consumentisme?
A. Radicaal consumentisme is illegaal.
B. Radicaal consumentisme is antikapitalistisch.
C. Radicaal consumentisme is militant.
D. Radicaal consumentisme beschouwt consumentenorganisaties als symptoombestrijders.
3
Subsidies zijn een voorbeeld van:
A. inkomensbeleid
B. prijsbeleid
C. wetgeving
D. prijsdiscriminatie
4
Stelling I:
Consumentisme is een stroming waarbij de overheid, bepaalde sectoren en beroepsgroepen zich
bezighouden met het opstellen van regelingen voor het beschermen van de consument.
Stelling II:
Consumentenbeleid is de concrete uitwerking van consumentisme in de vorm van wetgeving,
regels en zelfregulering.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
5
Stelling I:
Techniek maakt mensen onafhankelijker en minder kwetsbaar.
Stelling II:
Techniek maakt het leven eenvoudiger.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.