Week 1: Anatomie
1. De anatomisch-topografische terminologie op de juiste manier gebruiken. R
Caudaal Richting voeten
Craniaal Richting hoofd
Proximaal Dichtbij centrum van het
Distaal lichaam
Verder weg van het centrum
van het lichaam
Ventraal/anterior Buikzijde
Dorsaal/posterior Rugzijde
Lateraal Van het lichaam af
Dexter Rechts
Sinister Links
Anterior/ ventraal Voorkant
Posterior/ dorsaal Achterkant
2. De botten, exclusief die van de handen en voeten, benoemen en aanwijzen. R
Functie van het skelet
- Bescherming organen
- Aanhechting spieren
- Stevigheid lichaam
- Aanmaak bloedcellen
- Reservoir van mineralen (calcium)
Osteoblasten → opbouw
Osteoclasten → afbraak
Osteocyten → reguleren
Gewrichten (=junctura, joint) verbinden afzonderlijke
botten.
1. Kogelgewricht
2. Ellipsoide gewricht
3. Zadelgewricht
4. Scharniergewricht
5. Rolgewricht
Kraakbeen heeft andere functies:
- Steun weke delen
- Verbinding van botten
- Glijvlak gewrichten
- Groei pijpbeenderen
Drie soorten:
1. Hyalien kraakbeen (gewrichten, borstbeen)
2. Vezelig kraakbeen (tussenwervelschijven, symfyse)
, 3. Elastisch kraakbeen (neus, oorschelp)
Het is niet doorbloed. Voordeel = geen bloedingen wanneer kracht opgevangen moet worden. Nadeel = herstel
na beschadiging is traag.
+ inginual ligament
, 3. De bloed- en lymfevaten van de thorax en het abdomen benoemen en aanwijzen,
tot op orgaanniveau. R
Bloed- en lymfevaten
Arteriën en arteriolen
Heeft een goed ontwikkelde spierlaag
met elastische vezels.
Capillairen
Zijn weefselvaten. Zorgen voor
uitwisseling van stoffen tussen bloed
en weefsels. Hebben dan ook dunne
wand voor vereenvoudigde
uitwisseling.
Venen en venulen
Organen → hart.
Vervoeren zuurstofarm bloed
(behalve v. pulmonalis)
Minder dikke vaatwand, hebben
kleppen die terugstroom verhinderen.
Poortadersysteem
Veneus bloed uit de dikke darm,
dunne darm en milt gaat het naar de
vena porta naar de lever waar het
wordt gezuiverd. Daarna gaat het naar de v. hepatica en naar de vena
cava inferior.
Lymfe
= Vloeistof dat naast het bloed circuleert. Stroomt in de lymfevaten
en wordt gedraineerd uit intracellulaire ruimten naar de lymfevaten.
2 grote vaten:
1. Ductus thoracicus
2. Ductus limphaticus dexter
Lymfeklieren zijn kleine tussenstations van de lymfevaten. Deze kunnen
opzwellen bij een infectie.
Lymphocyten circuleren in het bloed, het grootste deel ervan zit echter in
lymfe organen:
Primaire lymfoïde orgaan: beenmerg en thymus. Hier worden ze
geproduceerd. Hier zijn de lymfocyten nog niet geactiveerd door een
specifiek antigeen.
Secundaire lymfoïde orgaan: lymfeklieren, milt, amandelen en kleine
delen van de omlijning van bepaalde organenstelsels. Op deze plekken
worden de lymfocyten geactiveerd om mee te doen in afweerreacties.
Nadat lymfocyten het ‘makerorgaan’ hebben verlaten, beginnen ze met
delen. De cellen die dus geactiveerd worden om mee te doen in een
afweerreactie zijn nakomelingen.
, 4. Van het maternale bekken de verschillende vormen, vlakken, afmetingen en de
indaling volgens Hodge beschrijven; en relateren aan veranderingen in de
maternale houding. R T
V(oor), L(ateraal), A(chter)
V: bovenrand symfyse
L: linea innominata
A: promontorium
Bekkeningang
VA: 10,5 -11,5 = conjugata vera/obstetica
Dw: 13 = diameter transversum
V: midden achtervlak symfyse
L: foramen obturatorium
A: derde sacrale wervel
Bekkenholte
VA: 12-13
Dw: 12-13
V: onderrand symfyse
L: spina ischiadica
A: grens 4e-5e sacrale wervel
Bekkenengte VA: 11-12
Dw: 10,5-11,5
Voorste driehoek:
V: onderrand symfyse
L: tubera ischii
Achterste driehoek
V: tubera ischii
Bekkenuitgang
A: sacrococcygeaal gewricht
VA: 9,5-12 = conjugata recta
Dw: 11-12 = diameter transversum
Hodge 1 Bekkeningang: promontorium + bovenkant symfyse
Hodge 2 Evenwijdig aan H1 tot onderrand symfyse
Hodge 3 (of stage 0) Evenwijdig aan H2 tot spinae ischiadica
Hodge 4 Evenwijdig aan H3 tot sacrococcygeale gewricht
1. De anatomisch-topografische terminologie op de juiste manier gebruiken. R
Caudaal Richting voeten
Craniaal Richting hoofd
Proximaal Dichtbij centrum van het
Distaal lichaam
Verder weg van het centrum
van het lichaam
Ventraal/anterior Buikzijde
Dorsaal/posterior Rugzijde
Lateraal Van het lichaam af
Dexter Rechts
Sinister Links
Anterior/ ventraal Voorkant
Posterior/ dorsaal Achterkant
2. De botten, exclusief die van de handen en voeten, benoemen en aanwijzen. R
Functie van het skelet
- Bescherming organen
- Aanhechting spieren
- Stevigheid lichaam
- Aanmaak bloedcellen
- Reservoir van mineralen (calcium)
Osteoblasten → opbouw
Osteoclasten → afbraak
Osteocyten → reguleren
Gewrichten (=junctura, joint) verbinden afzonderlijke
botten.
1. Kogelgewricht
2. Ellipsoide gewricht
3. Zadelgewricht
4. Scharniergewricht
5. Rolgewricht
Kraakbeen heeft andere functies:
- Steun weke delen
- Verbinding van botten
- Glijvlak gewrichten
- Groei pijpbeenderen
Drie soorten:
1. Hyalien kraakbeen (gewrichten, borstbeen)
2. Vezelig kraakbeen (tussenwervelschijven, symfyse)
, 3. Elastisch kraakbeen (neus, oorschelp)
Het is niet doorbloed. Voordeel = geen bloedingen wanneer kracht opgevangen moet worden. Nadeel = herstel
na beschadiging is traag.
+ inginual ligament
, 3. De bloed- en lymfevaten van de thorax en het abdomen benoemen en aanwijzen,
tot op orgaanniveau. R
Bloed- en lymfevaten
Arteriën en arteriolen
Heeft een goed ontwikkelde spierlaag
met elastische vezels.
Capillairen
Zijn weefselvaten. Zorgen voor
uitwisseling van stoffen tussen bloed
en weefsels. Hebben dan ook dunne
wand voor vereenvoudigde
uitwisseling.
Venen en venulen
Organen → hart.
Vervoeren zuurstofarm bloed
(behalve v. pulmonalis)
Minder dikke vaatwand, hebben
kleppen die terugstroom verhinderen.
Poortadersysteem
Veneus bloed uit de dikke darm,
dunne darm en milt gaat het naar de
vena porta naar de lever waar het
wordt gezuiverd. Daarna gaat het naar de v. hepatica en naar de vena
cava inferior.
Lymfe
= Vloeistof dat naast het bloed circuleert. Stroomt in de lymfevaten
en wordt gedraineerd uit intracellulaire ruimten naar de lymfevaten.
2 grote vaten:
1. Ductus thoracicus
2. Ductus limphaticus dexter
Lymfeklieren zijn kleine tussenstations van de lymfevaten. Deze kunnen
opzwellen bij een infectie.
Lymphocyten circuleren in het bloed, het grootste deel ervan zit echter in
lymfe organen:
Primaire lymfoïde orgaan: beenmerg en thymus. Hier worden ze
geproduceerd. Hier zijn de lymfocyten nog niet geactiveerd door een
specifiek antigeen.
Secundaire lymfoïde orgaan: lymfeklieren, milt, amandelen en kleine
delen van de omlijning van bepaalde organenstelsels. Op deze plekken
worden de lymfocyten geactiveerd om mee te doen in afweerreacties.
Nadat lymfocyten het ‘makerorgaan’ hebben verlaten, beginnen ze met
delen. De cellen die dus geactiveerd worden om mee te doen in een
afweerreactie zijn nakomelingen.
, 4. Van het maternale bekken de verschillende vormen, vlakken, afmetingen en de
indaling volgens Hodge beschrijven; en relateren aan veranderingen in de
maternale houding. R T
V(oor), L(ateraal), A(chter)
V: bovenrand symfyse
L: linea innominata
A: promontorium
Bekkeningang
VA: 10,5 -11,5 = conjugata vera/obstetica
Dw: 13 = diameter transversum
V: midden achtervlak symfyse
L: foramen obturatorium
A: derde sacrale wervel
Bekkenholte
VA: 12-13
Dw: 12-13
V: onderrand symfyse
L: spina ischiadica
A: grens 4e-5e sacrale wervel
Bekkenengte VA: 11-12
Dw: 10,5-11,5
Voorste driehoek:
V: onderrand symfyse
L: tubera ischii
Achterste driehoek
V: tubera ischii
Bekkenuitgang
A: sacrococcygeaal gewricht
VA: 9,5-12 = conjugata recta
Dw: 11-12 = diameter transversum
Hodge 1 Bekkeningang: promontorium + bovenkant symfyse
Hodge 2 Evenwijdig aan H1 tot onderrand symfyse
Hodge 3 (of stage 0) Evenwijdig aan H2 tot spinae ischiadica
Hodge 4 Evenwijdig aan H3 tot sacrococcygeale gewricht